14 minuten

Zeven jaar rood-groen

De balans van generatie '68 aan de macht

Met de coalitie van SPD en Groenen was in Duitsland zeven jaar lang de generatie van ’68 aan de macht. Rood-groen heeft het land iets groener, nauwelijks liberaler, en zeker niet socialer en vrediger achtergelaten.

De Duitsers zijn blind voor de veranderde werkelijkheid. Net als Gregor Samsa, uit Die Verwandlung van Franz Kafka, die op een morgen als kever ontwaakt. Net als met hem “gebeurt er iets met ons wat we niet willen en niet willen zien, niet kunnen begrijpen ook. De discrepantie tussen onze toestand en ons begrip van wat werkelijk en normaal is, groeit. En de kever trappelt hulpeloos met zijn dunne beentjes in de lucht, zolang hij weigert de nieuwe werkelijkheid onder ogen te zien.” Duitslands bekendste socioloog, Ulrich Beck, leverde wel de ongemakkelijkste bijdrage aan de Wirtschaftswahlkampf 2005 met Was zur Wahl steht, een ontleding van het Duitse politieke bedrijf in boekvorm. Hij verweet de politiek, de rood-groene regering voorop, dat ze de bevolking niet heeft voorbereid op die nieuwe werkelijkheid. Op het onvermijdelijk lagere welvaartspeil, op de “Brasilianisering” van de arbeidsmarkt. In plaats daarvan streven alle partijen zaken na die geen antwoord meer zijn: het herstel van de volledige werkgelegenheid, het nastreven van dat doel in een nationaal kader en het toepassen daarbij – de een wat meer dan de ander – van het neoliberale medicijn.

De Duitsers moeten ophouden om met oude ideeën te reageren op de nieuwe uitdagingen. De politiek moet “de verwachtingen veranderen, en niet voortdurend valse verwachtingen wekken, zoals: er kunnen – als de juiste wissels worden omgezet – door groei nieuwe, zekere banen voor allen ontstaan.” Waar anderen klagen over de politieke onenigheid, hekelt Beck juist de consensus. “De SPDCDUFDPGRÜNENEUELINKE-partijprogramma’s preken allemaal hetzelfde: groei, groei, groei, terwijl er behoefte is aan Europa en kosmopolitisme in plaats van een Nationalismus der Not.” Na het taboe op het gebruik van geweld tussen de Europese staten moeten nu nieuwe utopische doelen gerealiseerd worden. Een maatschappij waarin democratie niet meer alleen nationaal gedefinieerd wordt en een maatschappij waarin een sociale bestaansbasis verzekerd wordt, terwijl het doel van volledige werkgelegenheid wordt losgelaten.

Een romantische gedachte, gezien de staat van Europa? Volgens Beck is het kosmopolitisme juist realisme terwijl omgekeerd de nationale koers “idealisme met de rug naar de wereld” betreft. Duitsland ontbreekt het vooral aan openheid voor de geglobaliseerde wereld.

Een lastige boodschap voor politici en zeker voor de SPD en Bündnis90/Die Grünen die in 1998 een coalitie begonnen met ambitieuze plannen voor een economische, sociale en ecologische modernisering, maar zich vervolgens snel het behoedzaam hervormen eigen moest maken. En merkten dat dat alleen al een hele toer was, vooral op sociaal-economisch terrein. De meer dan 5 miljoen werklozen bezegelden zelfs het voortijdige einde van rood-groen. Is de kritiek van Beck terecht? Welk oordeel moet er geveld worden over zeven jaar links regeren in Duitsland? En met name: wat was de bijdrage van de Groenen, GroenLinks’ zusterpartij?

Succesvol

Hoe begon het regeringsavontuur voor Bündnis 90/Die Grünen ook al weer? Terwijl duidelijk is dat de Duitsers in 1998 massaal af willen van Helmut Kohl, is de partij slecht voorbereid op regeringsdeelname. Al jaren heerst tussen de twee partijvleugels, Realos en Linke, een gewapende vrede. Om ruzies te vermijden wordt er nauwelijks over programmatische vernieuwing gedebatteerd. De partij verliest licht bij de verkiezingen van 1998. Ook na toetreding tot de regering komt een effectieve coördinatie tussen ministers, fractie en partij niet van de grond. De partij ontbeert een strategisch centrum waar informatie over de plannen van de regering kan worden uitgewisseld, standpunten op elkaar worden afgestemd en verantwoording wordt afgelegd. Compromissen tussen rood en groen worden tegelijkertijd bejubeld en neergesabeld door de eigen parlementariërs. Minister van Buitenlandse zaken Joschka Fischer bemoeit zich te weinig met de interne partijzaken. Midden 2000 treden nieuwe partijleiders aan: Fritz Kuhn, Realo en vertrouweling van Fischer, en Renate Künast, vertegenwoordiger van de linkervleugel. Anders dan eerder duo’s treden zij niet als elkaars bewakers op. Onder hun leiding geven de groenen het destructieve vechten op, en krijgen het constructieve vechten beter onder de knie.

Künast belandt, na een BSE-schandaal, op het nieuwe ministerie voor Landbouw en Consumentenbescherming. Onder het motto Klasse statt Masse neemt ze de vergroening van de Duitse landbouw ter hand. Tevens geeft ze een impuls aan de hervorming van de Europese landbouw richting milieu, voedselveiligheid en dierenwelzijn. In 2005 weet zij een Gentechwet door het parlement te loodsen, volgens milieuorganisatie BUND de beste van de EU. Minstens zo belangrijk is dat de populaire en hartelijke minister de politiek van kleine stappen een idealistische vertaling weet te geven. Ze is daarmee een welkom tegenwicht voor meer opportunistische Groenen zoals haar opvolger als partijvoorzitter Bütikofer die de grootste nederlaag zonder blikken of blozen aan de achterban als winst wenst te presenteren.

Jürgen Trittin groeit na een moeizame start uit tot een effectieve minister voor Milieu. De Groenen hebben altijd beweerd dat duurzame ontwikkeling banen oplevert en hij is de man die dat ook in praktijk weet te brengen. De Atomausstieg is nog niet onomkeerbaar, maar  de atoomindustrie is wel op een doodlopend spoor gemanoeuvreerd. In Die Zeit roepen zelfs geharnaste tegenstanders hem uit tot Duitsland succesvolste milieuminister. Hij is er alleen de persoon niet naar om het milieu meer te laten leven onder brede lagen van de bevolking. Mede daardoor blijft de steun voor zijn beleid in de SPD klein. Die partij is weinig geïnteresseerd in milieu omdat successen toch aan de Groenen worden toegerekend. Trittin heeft ook geen potten kunnen breken bij zijn collega’s van economie en verkeer. Het verkeersbeleid is volgens critici nauwelijks veranderd onder rood-groen. Het eindoordeel van de Duitse milieuorganisaties is daarom zuinig.

Homo’s

Over Fischer is veel gezegd en geschreven. Bijna acht jaar lang was hij de politicus met het hoogste aanzien onder het publiek. De liefde voor de Gottvater op Buitenlandse Zaken bekoelde wel aan het einde, met de visumaffaire in 2005 als dieptepunt. Maar de fascinatie en waardering voor de onovertroffen debater en leverancier van – weliswaar wisselende – vergezichten, bleef. Anders dan Schröder kon Fischer daarmee zijn kiezers zoiets als zin meegegeven. Dat heeft de Groenen een relatief stabiele aanhang opgeleverd. Volgens commentator Claus Malzahn (Der Spiegel) zou zijn “I am not convinced, Mr. Rumsfeld” wel eens de belangrijkste bijdrage van de Groenen aan de geschiedenis van de Bondsrepubliek kunnen zijn geweest.

Op andere terreinen is de winst- en verliesrekening voor de Groene inbreng in het kabinet heel wat minder florissant. Waar de deur van de SPD openstond is soms succes geboekt, bijvoorbeeld op het punt van geregistreerd partnerschap voor homo’s, maar in het geheel niet op het migratiedossier. Vanuit de erkenning van Duitsland als immigratieland wilde rood-groen de arbeidsmarkt voor hoogopgeleide migranten openbreken en de dubbele nationaliteit invoeren. CDU en CSU gingen frontaal in de aanval. Na twee en half jaar slopersarbeid resteerde weinig meer van het dossier. Wat opvalt is vooral een aanscherping van het uitzettingsbeleid. Toch repten SPD en de top van de Groenen van een doorbraak rond migratie toen eindelijk een akkoord werd bereikt met de oppositie. De Groene-basis morde. Gemeten aan wat men eigenlijk wilde, is het resultaat beschamend.

En dan de economie. Niets zat mee. De recessie. De razendsnelle opkomst van China. Het bedrijfsleven dat de investeringsprikkels die roodgroen verstrekte, oppotte in plaats van investeerde om zo werkgelegenheid te creëren. Middengroepen die krampachtig vasthielden aan zo’n beetje elke verworvenheid.

Niettemin is er de verantwoordelijkheid van de politiek. Beck hekelt het “dwangmatige optimisme van de ideologie van het reformisme”, maar ook minder profetische commentatoren vinden dat de kiezers meer gegidst hadden moeten worden. In hun boek Operation Rot-Grün, Geschichte eines politischen Abenteuers komen drie Spiegel-journalisten tot de conclusie dat het kabinet op sociaal-economisch terrein te laat, namelijk pas na de verkiezingen van 2002 met het oog op de dreigende instorting van de staatsfinanciën, de noodzakelijkheid van een grondige hervorming van de welvaartsstaat heeft uitgedragen, en bovendien lang heeft verzuimd er de inzichten bij te leveren. Volgens deze journalisten heeft het ontbreken van een doordacht sociaal-economisch programma rood-groen van begin af aan parten gespeeld. De coalitie werd aanvankelijk ook niet door de eigen kiezers op dit punt aangespoord. Het rood-groene project was in de ogen van de kiezers vooral een – gematigd – cultureel en ecologisch project. Men wilde een iets groener, liberaler en blijvend vredelievend Duitsland: een moderne republiek, waarin homo’s trouwen konden, vrouwen meer macht en buitenlanders meer rechten en kansen zouden krijgen. Een duidelijke kiezersopdracht ontbrak op sociaal-economisch terrein. Hooguit viel er een wens tot verdediging tegen sociaal verval te ontwaren.

Moegestreden

Toch wist rood-groen al bij haar start in 1998 dat een omvorming van de verzorgingsstaat noodzakelijk was. Uitgerekend hier kon men niet komen tot een nieuw sociaal denken: “Als je al ‘een regering van de 68-ers’ bent, waarom heb je dan niet de moed het volk duidelijk te maken dat 82 miljoen Duitsers met elkaar omgaan moeten zoals mensen in een woongemeenschap? Waarom dan niet naast hulp vóór de zwakkeren, ook solidariteit ván de zwakken met de gemeenschap? Waarom dan niet rechtvaardigheid, solidariteit en eigen verantwoordelijkheid nieuw interpreteren”, aldus de auteurs van Operation Rot-Grün.

In plaats daarvan bleef het tot kort na de verkiezingen van 2002 bij ‘sociale beloften oude stijl’ van de SPD – zonder tegengeluid van de Groenen. De sociaal-economische hervormings Agenda 2010 waarmee de coalitie na de verkiezingen van 2002 kwam, werd door velen sindsdien als noodgrepen- en uitstelpolitiek, en als staaltje kiezersbedrog gezien.  Schröder en Fischer konden in de verkiezingen van 2002 rood-groen nog “als project van de maatschappelijke bovenbouw” neerzetten, en “de geërodeerde maatschappelijke basis van de republiek met de mantel van de naastenliefde en de vrede toedekken” (Operation Rot-Grün). Dat laatste is een verwijzing naar de solidariteitsacties die vlak voor de verkiezingen van 2002 op gang kwamen voor de Oostduitse overstromingsslachtoffers, en naar de electoraal goed van pas komende verzekering dat Duitsland nooit aan een – toen nog in het verschiet liggende – Irak-oorlog zou deelnemen.

Over de sociaal-economische politiek woedde van begin tot eind in de SPD een hevige strijd tussen diverse vleugels. Deze verdeeldheid heeft, samen met het gebrek aan sturing door Schröder de hervormingen vertraagd. Wat stelden de Groenen daartegenover? Zij waren de hoofdleveranciers van concepten over de ecologische en sociale modernisering van de economie, en zorgden voor vergroening van het belastingstelsel, inclusief een verlaging van de lasten op arbeid. Van een van duurzaamheid doordesemde regeringspolitiek is het echter nooit gekomen. Door het milieubeleid zijn er banen gecreëerd, maar verder zijn milieu en economie losstaande zaken gebleven.

Ook zochten de Groenen eensgezinder en meer gemotiveerd dan de SPD naar een verantwoorde balans tussen flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt, naar het verruimen van de innovatiemogelijkheden voor het midden- en kleinbedrijf, naar mogelijkheden om de solidariteit tussen de generaties te verstevigen. De Groenen bleven op deze punten echter lang langs de zijlijn staan en hebben daarin ook berust. Ze waren al moegestreden op andere fronten voor ze er aan toekwamen de modernisering van de economie ter hand te nemen, verdedigde Cohn-Bendit zijn partijgenoten. De prikkel ontbrak om de zaak op scherp te stellen: het falende sociaal-economische beleid werd niet hen aangerekend, maar de kanselier en zijn partij.

Automobilist

Uitgedaagd te oordelen over het economische beleid van rood-groen in Duitsland verweet Femke Halsema in De Volkskrant haar zusterpartij dat deze “pas na zes jaar zigzaggen eind 2004 samen met haar regeringspartner de eerste hervormingen durfde te agenderen”. Tegelijk stelde ze dat er geen lessen te trekken vielen voor een eventueel links kabinet in Nederland. Halsema heeft gelijk dat het feit dat Duitsland onder een linkse regering economisch slecht presteert geen reden is om te stellen dat ook links in Nederland op dit vlak slecht zou scoren. Allereerst is het de vraag of een rechtse Duitse regering het beter had gedaan. Ten tweede stelt Halsema terecht dat links in Nederland en GroenLinks in het bijzonder haar sociaal-economische ideeën eerder en grondiger heeft geactualiseerd. De vraag is wel of dat laatste afdoende is. De Groenen hadden ook hun voorstellen, maar kregen geen voet tussen de deur bij de SPD. Hoe zal de PvdA zich opstellen als de economie in mineur blijft en een boodschap van ‘anders en minder’ bij de door haar aan de borst gedrukte middengroepen moet neerleggen? En is de SP daartoe bereid, die nu al in de automobilist een groot slachtoffer van het kabinet ontwaart en de stijgende benzineprijzen wil compenseren? Wel bestaat er over een activerend arbeidsmarktbeleid linkse eensgezindheid in Nederland. GroenLinks is met haar ideeën over trendmatig begroten beter dan de Groenen voorbereid op regeringsdeelname. Maar ook doordachte linkse begrotingen kunnen gaan rammelen tijdens regeringsdeelname. Leren van economische debacles, bij de buren, bij links, is in dat licht nooit overbodig.  

68

Welke balans laat zich nu opmaken? De bijdrage van Bündnis90/Die Grünen aan de successen van de rood-groene regering blijkt verrassend groot te zijn geweest. Op de eigen departementen behaalt men een goede score. Eigen aanhang en tegenstanders zijn het daarover eens. Ook bij de laatste verkiezingen bleek dat de Duitsers de Groenen graag de milieubescherming en de buitenlandse politiek toe vertrouwen. Schaduwzijde: op alle andere terreinen dicht men de partij weinig competentie toe. Er zitten voor groene partijen grenzen aan het bereiken van de status van multi-issue partij bij de kiezer.

Zien de kiezers resultaten van Bündnis 90/Die Grünen over het hoofd? De meeste analisten menen van niet. Zij stellen magere resultaten vast op de overige terreinen. Bovendien zijn de successen, de stevige koerswijzigingen op milieu en landbouw, deels geneutraliseerd door achteruitgang op andere terreinen. Dat duidt op een gebrek aan samenhang in het kabinetsbeleid. Van het streven naar een samenhangend, duurzaam, sociaal, ecologisch en economisch regeringsbeleid is van begin af aan weinig terechtgekomen. 

Wel zijn op het sociaal-culturele vlak verschuivingen bevestigd, bijvoorbeeld rond samenlevingsvormen, waarvoor de Duitse samenleving al eerder mede door de Grünen rijp was gemaakt. Daarnaast hebben de Groenen Europa in Duitsland levend gehouden.

Naast de economische recessie waren het terrorisme en het multiculturele debat, dat ook in Duitsland op scherp kwam te staan, grote problemen. Onder rood-groen is de wereld harder geworden, en rood-groen heeft daar weinig tegen in kunnen brengen: ook in Duitsland zijn de verschillen tussen arm en rijk verder gegroeid en keren migrantengemeenschappen zich af van andere delen van de Duitse samenleving en omgekeerd. Rood-groen heeft het land iets groener, nauwelijks liberaler, en zeker niet socialer en vrediger kunnen achterlaten.

Toch is volgens alle commentatoren rood-groen nodig geweest. Om de Atomausstieg of om Irak. Maar ook omdat de 68-ers simpelweg aan de beurt waren met hun hoge eisen aan iedereen die macht had. Zij zullen zich na dit regeringsavontuur blijvend anders opstellen. “In Duitsland zijn de debatten door links altijd moralistisch gevoerd. De goede moraal verkeert daarbij altijd aan de kant van links. Men was naar beste geweten sociaal, pacifistisch en liberaal. De anderen moesten wel het slechte geweten bezitten.” Dat gaat nu niet meer op. In de regering hebben de roden en de groenen “hun onschuld verloren en dat is goed”, stellen de auteurs van Operation Rot-Grün.

Vingertje

Voordat Femke Halsema haar afkeer van moralisme en opgeheven vingertjes – zie haar nawoord in de bundel Vrijheid als ideaal van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks – bevestigd ziet: mits gedoseerd toegepast, geheven door de juiste mensen en tegen de juiste mensen blijven opgeheven vingertjes effectief en profijtelijk. De ironie wil namelijk dat rood en groen met moralisme, opgeheven vingers en emotiepolitiek wél de verkiezingen in 2002 wonnen. Bush en de Beierse ijskoning Stoiber waren dankbare rechtse vijanden. De solidariteit met de overstromingsslachtoffers in Oost-Duitsland liet zich goed combineren met donderpreken over de lakse klimaatpolitiek van eerdere regeringen. En de weerzin tegen een oorlog in Irak vond veel weerklank. Van beide punten maakte de 68-er die als enige altijd al pragmaticus was geweest, Gerhard Schröder, zich woordvoerder. Dé kernthema’s van de Groene partij leverden zo rood-groen de overwinning op en de Groenen hun hoogste score ooit. Waarmee – goed nieuws ook voor GroenLinks – de Duitse Groenen bewezen te kunnen regeren én aan de macht te blijven. 

De Groene partij is realistischer en professioneler dan zeven jaar geleden. Ze opereert bij vlagen gruwelijk opportunistisch, maar toch ook nog steeds met veel passie. Ze heeft sinds midden jaren negentig een trouwe stabiele achterban weten op te bouwen, en bewezen over het vermogen te beschikken het links zwevende deel van de kiezers voldoende aan zich te binden. Twee van haar drie beste verkiezingsresultaten heeft ze behaald als regeringspartij.

Van een geheel nieuwe start in de oppositie is geen sprake. De fractie koos de vijftigers Kuhn en Künast, het duo dat in 2000 de partij weer op de rails zette, onlangs tot opvolgers van partijleider Fischer. Ook verder veel oudgedienden in de fractie en weinig jonge honden. Ook de linksradicale lastpost Christian Ströbele is op leeftijd. Hij werd onlangs weer als enige Groene via een directmandaat herkozen: 43 procent van de kiezers in zijn Berlijnse district stemde op hem. Een generatiewisseling vindt dus nog niet plaats. Zij die in de jaren zestig en zeventig hun politiek-maatschappelijke scholing genoten hebben de partij nog in de greep. De parallelle banenmachines/vriendenkringen van Realos en Linke boeken tergend langzaam aan belang in. Des te opmerkelijker dat de partij met de FDP bij de laatste verkiezingen procentueel de meeste jongeren wist te trekken.

Haar kansen op toekomstige regeringsdeelname, zowel op landelijk als op deelstaatniveau, zijn echter wel geslonken. De PDS en SPD regeren in het Groenen-bolwerk Berlijn. De samenwerking van de Wahlalternative voor gerechtigheid en solidariteit (WAGS) van Lafontaine en de PDS van Gysi in de Linkspartei betekent concurrentie, ook in West-Duitsland. De Linkspartei heeft in het Westen en Oosten stemmen gewonnen van vooral de SPD. Er was relatief weinig grensverkeer tussen Groenen en Linkspartei. Voorlopig lijken de Groenen over een stabiele, meer afgebakende, aan bepaalde milieus gebonden aanhang te beschikken. Daarover beschikt de Linkspartei alleen in het Oosten. Binnenkort zal er een strijd losbarsten over het aanvoerderschap van de oppositie.

Epiloog

Wellicht is professor Beck thuisgebleven. Misschien is hij toch naar het stemlokaal getogen. Na nog eens de voornemens van de partijen vergeleken te hebben. En na de Groenen vergeven te hebben dat ze de zaak op sociaal-economisch terrein zo lang op zijn beloop hebben gelaten. In dat geval moet hij voor het meest kosmopolitische en Europese programma gekozen hebben. Dat van de Groenen.

Met dank aan Richard Wouters

Gerelateerde artikelen