9 minuten

Analyse van het GroenLinks-debat over militaire interventies

Het partijgesprek over militaire interventies werd uitgebreid gevoerd op onze website. Taalwetenschapper en communicatiedeskundige Anna Lohfink analyseerde het debat in de reacties, blogs en artikelen op de website.

Het partijgesprek heeft als doel de dilemma's rond militaire interventies in kaart te brengen en handvatten te formuleren die volksvertegenwoordigers van GroenLinks kunnen gebruiken bij de besluitvorming over toekomstige militaire interventies. Daarom ligt in deze bijdrage de nadruk op de discussie rond de dilemma’s uit de startnotitie. Aan het eind worden nog enkele veelbelovende aanvullingen op de punten van het startdocument besproken. Alhoewel een discussie over militaire interventies uiteindelijk gaat over besluitvorming in concrete gevallen en in een discussie voorbeelden kunnen helpen, zal ik in deze bijdrage niet op actuele conflicten ingaan.

Militair geweld stelt ons voor een paradox, concludeert Paul Fransen: enerzijds willen wij geen geweld toepassen maar anderzijds willen we ook niet machteloos toekijken. GroenLinks wees militair ingrijpen bij schending van mensenrechten niet per se af in het verleden. Militair historicus Christ Klep constateerde dit ook in zijn bijdrage aan het symposium Burgers beschermen: ‘De partij accepteert inmiddels het tijdelijk voortbestaan van de NAVO en de noodzaak van militair geweld om extreme mensenrechtenschendingen tegen te gaan’. Niettemin vindt Hans Stenfert Kroese (in reactie op het stuk van Fransen) een belangrijk vertrekpunt dat GroenLinks alleen reageert op een voorstel voor een militaire interventie en niet zelf een militaire interventie initieert. In sommige bijdragen wordt met teleurstelling vastgesteld dat GroenLinks inderdaad militaire interventies overweegt en deze niet categorisch afwijst.

Rechtvaardig doel

Wat betreft het doel van een militaire interventie vindt de directeur van PAX, Jan Gruiters, het belangrijk te toetsen of de veiligheidsbelangen van burgers centraal staan. Klep wijst erop dat de bescherming van burgers niet nieuw is: ook de Tweede Kamer heeft het vastgelegd in haar Toetsingskader bij militaire uitzendingen. Voor GroenLinks was dit al van oudsher zo. Niet voor niets heeft Gerrit Pas zijn analyse van het denken van GroenLinks over militaire interventies ‘Burgers Beschermen’ getiteld (‘GroenLinks van Koude Oorlog naar Humanitaire Interventie’).

Het juiste motief

Bij een militaire interventie spelen verschillende motieven een rol. Jan Hoek heeft de indruk dat vaak niet nobelheid het eigenlijke motief is voor militaire interventies maar bijvoorbeeld goedkope olie. De nobelheid wordt er slechts bij gehaald ter rechtvaardiging. De vraag is of wij een militaire interventie alleen dan steunen als alle betrokken partijen uitsluitend op grond van een humanitair motief handelen. Wim Nusselder is van mening dat eigenbelang achter een militaire interventie nog geen reden is om niet te engageren. Gruiters wijst op het verschil van schaal. Volgens hem moet het bij een militaire interventie om de veiligheid van burgers gaan en moet het motief minder draaien om de veiligheid van staten. Hij stelt voor dat de burgers lokaal zelf moeten bepalen hoe hun veiligheid gegarandeerd kan worden.

Legitieme autoriteit

Wie mag uiteindelijk bepalen of er in een conflict wordt ingegrepen? Okke Mostard en Richard Wouters wijzen erop dat beslissingen over militaire interventies niet alleen in Nederland genomen worden, maar in een grotere context van met name de NAVO en de EU. Daarmee ontstaat een verantwoordelijkheid tegenover bondgenoten. Bij een beslissing over een militaire interventie moet Nederland daarom ook afwegen of het zichzelf isoleert en de vraag stellen of belangrijke Europese partners in moeilijkheden komen wanneer Nederland een militaire interventie niet steunt.

Sibbele Witteveen is van mening dat alleen in VN-verband ingegrepen moet worden, terwijl Fransen vindt dat de afweging onafhankelijk van de VN gemaakt moet worden. De VN wordt wel vaker genoemd maar het functioneren van de VN wordt kritisch bekeken door veel GroenLinksers. Zo kan in de VN-Veiligheidsraad het vetorecht misbruikt worden, zodat op grond van eigen belangen ook bij grove schendingen van mensenrechten geen volkenrechtelijk mandaat voor interventie wordt bereikt. Daarom pleit Frans Teutscher voor het afschaffen van het vetorecht en het invoeren van een ruime meerderheid bij dit soort afwegingen. Tegelijkertijd zouden volgens hem normen binnen de VN geformuleerd moeten worden waar elke staat zich aan te houden heeft. Bij een overtreding van deze - tot nu toe ongeschreven – normen zou dan door Nederland individueel of met een internationale coalitie ingegrepen kunnen worden. Al deze bijdragen maken met hun verwijzingen naar VN, NAVO en EU duidelijk dat Nederland bij het nemen van een beslissing van anderen afhankelijk is, en laten tegelijkertijd de achilleshiel hiervan zien: de besluitvorming in deze internationale organisaties verloopt verre van ideaal.

Proportionaliteit

Bij een besluit tot steun aan een militaire interventie hoort ook medeverantwoordelijkheid voor mogelijke slachtoffers - civiele slachtoffers in het conflictgebied, maar ook Nederlanders die als soldaten of burgers bij een interventie betrokken zijn. Uiteindelijk moet er al van te voren rekening mee gehouden worden dat een militaire interventie ook niet-wenselijke uitkomsten kan hebben. Klep duidt dit met de vraag aan of het überhaupt mogelijk is om met militair geweld ‘goed’ te doen. Pepijn Gerrits wijst erop dat duurzame veranderingen met betrekking tot het beschermen van burgers zeer langzaam gaan en de politiek niet enkel in korte termijnen moet denken. Voor een echte verandering is een langdurigere betrokkenheid en engagement nodig om alle betrokken partijen (niet alleen de strijders) aan tafel te krijgen om tot een duurzaam vredesakkoord te komen. Menno Kuiper pleit ervoor om niet militair in te grijpen als het uitzicht op een vreedzame bestuursstructuur na de interventie ontbreekt. Hoek zou alleen een militaire interventie steunen als er ook ruime middelen ter beschikking staan voor een civiele wederopbouw.

Laatste redmiddel

Een gemene deler in het debat op de website lijkt te zijn dat militair interveniëren de laatste optie is in een reeks van mogelijkheden die overwogen kunnen worden. Daarnaast is er redelijke overeenstemming dat militaire interventies geen politieke problemen oplossen en niet vanzelf tot langdurige vrede leiden. Daarvoor zijn andere maatregelen nodig. Arthur ten Wolde (in reactie op het stuk van Fransen) betrekt in zijn overwegingen ook het karakter van de oorlogvoerende partijen. Volgens hem reageert bijvoorbeeld een staatshoofd als Poetin alleen op geweld. De vrijheid van Europa zou in dit geval ook met militair geweld in NAVO-verband verdedigd moeten kunnen worden. De conflicten in het Midden-Oosten maar ook in failed states zoals Somalië zijn meer gerelateerd aan oorlogen tussen stammen waar een militair ingrijpen weinig lijkt uit te halen. Een derde type oorlogvoerende partijen zijn actoren zoals Islamic State (IS). Deze vragen volgens Ten Wolde om een nadere analyse van lokale motieven omdat hier geen staten met elkaar in oorlog zijn.

Slagingskans

Volgens Gruiters moet de kans op succes van een militaire interventie goed onderbouwd zijn. Geslaagd is een interventie als deze tenminste burgers beschermt tegen een genocide en grootschalige mensenrechtenschendingen. Tegelijk waarschuwt hij niet te spectaculaire resultaten te verwachten. Een militaire interventie kan alleen een acute bedreiging tegenhouden maar zal nooit politieke oplossingen bieden. Dit moeten diplomaten en politici doen. Daarbij hoort ook het betrekken van gemarginaliseerde partijen om tot verzoening te komen. Liesbeth Gulpers noemt practische aspecten die een rol spelen bij militaire interventies. Bij een aankomende militaire interventie moet naar militaire deskundigen en specialisten geluisterd worden om ervoor te zorgen dat militairen de benodigde middelen hebben om hun mandaat uit te voeren. Bovendien moet van het begin af aan een geweldsinstructie liggen die duidelijk maakt in welke mate militairen geweld mogen gebruiken. Een duidelijk mandaat en de beschikbaarheid van middelen hebben volgens Gulpers een grote impact op het slagen van een missie.

Politieke en maatschappelijke context in Nederland

De politieke en maatschappelijke context kan meewegen in het proces van besluitvorming over een militaire interventie. Volgens Gruiters moet onderzocht worden of de afweging over de veiligheid van burgers in een conflictsituatie gaat of over de politieke realiteit in Nederland. Daarbij is het ook van belang te letten op taalgebruik (framing). Gulpers wijst erop dat men spreekt van een ‘wederopbouwmissie’ om steun te krijgen voor een militaire interventie omdat dit over het algemeen meer steun krijgt dan een ‘gevechtsmissie’. Zij waarschuwt dat te veel compromissen en een verhullend taalgebruik tot een missie met een onduidelijke geweldinstructie en te beperkte middelen kunnen leiden, en zo ten nadele van de effectiviteit van de missie leiden.

Vastleggen criteria

In de bijdragen op de website wordt duidelijk dat het heel moeilijk is om tot concrete criteria en voorwaarden voor een ingrijpen met militaire geweld te komen. Als het specifiek over de uitvoering van militaire interventies gaat, zijn verschillende auteurs kritisch, bijvoorbeeld Kroese en Fransen. De dynamiek van conflicten maakt het moeilijk om van te voren de voorwaarden van een ingrijpen te bepalen en bovendien kunnen dergelijke voorwaarden de ruimte voor (militair) handelen beperken. Kroese stelt voor om op basis van (eventueel fictieve) voorbeelden met de fractie van GroenLinks en met de leden criteria te bespreken. Fransen vindt het belangrijk dat het doel realistisch en concreet blijft. Ary van de Water stelt concreet voor om alleen wapens met begeleiders zoals F16‘s en bataljons infanterie te leveren en deze wapens na afloop terug te halen zodat zij niet voor andere doeleinden gebruikt kunnen worden.

Verandering van paradigma

Naast de bijdragen met een directe betrekking tot het startdocument zijn op de website ook artikelen te vinden die juist een heel nieuw perspectief bepleiten. Marlies Glasius is van mening dat veel meer gekeken moet worden wat burgers in het conflictgebied doen en kunnen doen om zichzelf te beschermen en hoe (militaire) interventies daarop kunnen aansluiten. Zij pleit voor een verschuiving van het reddingsparadigma naar zelfredzaamheid van burgers in combinatie met een (militaire) interventie. Glasius laat zien wat burgers al doen om te overleven: burgers vermijden gevaar door bijvoorbeeld te vluchten; burgers komen in actie door bijvoorbeeld te onderhandelen of de civiele infrastructuur en voorzieningen te onderhouden; burgers gaan gewapend de strijd aan. Welke strategieën gekozen worden door een lokale gemeenschap en welk succes die hebben is nog niet voldoende onderzocht. Niettemin lijkt deze benadering veel aspecten voor een weg naar een duurzame vrede te bevatten die ook in andere reacties genoemd worden. In plaats van een militaire interventie van meestal buitenlandse soldaten streeft deze benadering naar een samenwerking met de lokale bevolking in een concrete conflictsituatie. Dit ondersteunt de plaatselijke zelfredzaamheid, ook na de gewenste ontspanning van een conflict.

Nienke van der Have verlegt het perspectief naar conflictpreventie. Door beter te letten op early warning signs kan ingegrepen worden voor een conflict gewelddadig wordt. Een voorbeeld hiervan is de diplomatieke interventie van Kofi Annan in Kenia toen grootschalig geweld dreigde na de verkiezingen in 2007. Het pleidooi om meer aandacht te schenken aan conflictpreventie komt in verschillende bijdragen terug.

Een aantal bijdragen wijst erop dat als GroenLinks overweegt om militaire interventies te steunen, dat ook een visie op de krijgsmacht vereist. Klep is van mening dat GroenLinks na het accepteren van de noodzaak van militair ingrijpen ook met concrete voorstellen moet komen hoe de krijgsmacht er dan uit moet zien om de technische en militair-operationele kant van militaire interventies te waarborgen. Gruiters sluit zich daarbij aan: de inrichting van de Nederlandse krijgsmacht moet bediscussieerd worden, inclusief noodzakelijke investeringen in bijvoorbeeld manschappen en transportcapaciteit.

Militair geweld als laatste optie

Uit de bijdragen op de website, maar ook zeker tijdens de debatten in de provincies wordt duidelijk dat GroenLinksers het liefst afzien van militair geweld. Het startdocument zelf wijst in het begin meteen op de kritische houding van GroenLinks tegenover militaire interventies en ook op het feit dat duurzame vrede niet met militair geweld alleen kan worden bereikt. Niettemin zal GroenLinks geconfronteerd worden met concrete politieke keuzes over militaire interventies en zal de partij daar een goede beslissing over moeten nemen. De bijdragen op de website leveren in ieder geval genoeg inhoudelijke input om die discussie van een goede basis te voorzien.

Gerelateerde artikelen