7 minuten

De bereidheid om te doden en te sterven

Militair historicus Christ Klep was één van de sprekers op het symposium rondom de publicatie 'Burgers beschermen. GroenLinks van Koude Oorlog tot humanitaire interventie'. Hieronder zijn reactie op de publicatie. Hij vindt dat GroenLinks concreet moet worden over het soort krijgsmacht dat zij voorstaat en over de vraag hoe militair geweld kan worden ingezet om burgers te beschermen. Daartoe hoort ook het accepteren van het geweld zelf: het doden en het sterven.

Niet voor niets worstelt GroenLinks al jaren met het thema militaire interventies. Dit thema raakt immers aan fundamentele keuzes, aan de schakel tussen pragmatisme en idealisme en uiteindelijk aan vraagstukken van leven en dood. GroenLinks doorliep de afgelopen twee decennia een pragmatisch aanpassingsproces. De partij accepteert inmiddels de noodzaak van militair geweld om extreme mensenrechtenschendingen tegen te gaan en het tijdelijk voortbestaan van de NAVO. Deze aanpassing vloeide min of meer logisch voort uit de ingrijpende ontwikkelingen sinds het einde van de Koude Oorlog, met name die op de Balkan. Hier past een (vermeend) citaat van de Britse premier Harold Macmillan. Deze antwoordde ooit op de vraag wat hij het meest vreesde: 'Events my dear boy, events.' Het was voor GroenLinks niet anders.

Gerrit Pas beschrijft dit boeiende proces in zijn overzichtswerk Burgers beschermen.[i] Op pagina 21 staat een citaat dat, denk ik, het hele aanpassingsproces treffend samenvat. Kamerlid Leonie Sipkes had in 1991 principiële bezwaren tegen het sturen van Patriot-luchtafweerraketten naar Israël. Inmiddels was GroenLinks echter alweer een stap verder: ze werd min of meer teruggefloten en erkende vervolgens dat ze 'te veel had geredeneerd vanuit theoretische inzichten en te weinig rekening had gehouden met de praktische humanitaire aspecten.' Het GroenLinkse aanpassingsproces in een notendop.

De vraag die ten grondslag ligt aan deze discussie: is het überhaupt mogelijk om met militair geweld 'goed' te doen. De Amerikaanse marine doet daar niet moeilijk over. Haar slogan is: 'We are a global force for good.' Gerrit Pas beschrijft hoe deze discussie in GroenLinks altijd nauw heeft samengehangen met het vinden van voorwaarden en criteria. Niet voor niets benadrukt hij in zijn aanbevelingen het belang van een gedegen 'afwegingskader.' Deze zoektocht is logisch. De voorwaarden en criteria moeten immers de kloof tussen idealen en werkelijkheid overbruggen. Als het dan toch niet anders kan, dan... De discussie binnen GroenLinks weerspiegelt het eeuwenoude denken over de 'rechtvaardige oorlog' (just war). Dezelfde vragen keren terug: is het doel rechtvaardig? Wat is het motief? Is oorlog daadwerkelijk het laatste redmiddel? Is het geweld proportioneel? Enzovoorts. GroenLinks vindt dus niet het wiel opnieuw uit waar het gaat om de theoretische grondslag voor militair geweld. Sterker nog, ik denk dat GroenLinks die theoretische basis intussen al wel gelegd en aanvaard heeft. Conform de Protection of Civilians-gedachte (PoC), wenst GroenLinks militair geweld alleen toe te passen bij 'zeer ernstige' schendingen van de mensenrechten, zoals (dreigende) genocide en etnische zuiveringen. Niet voor niets sluit PoC goed aan bij het huidige gedachtegoed van GroenLinks.
Het gevaar is nu dat de discussie doodslaat door in herhaling te vervallen. De volgende stap zal moeten zijn: het operationaliseren van deze in just war en PoC gewortelde denkbeelden. GroenLinks gaat uit van inbedding van de Nederlandse krijgsmacht in – bij voorkeur – een staande VN-vredesmacht. Dan moet wél eerst de Veiligheidsraad hervormd en gedemocratiseerd worden. De Nederlandse krijgsmacht wordt dan letterlijk een 'vredesmacht', die geen grote gevechtsoperaties meer kan of wil uitvoeren. Vasthouden aan dit concept is mijns inziens geen vruchtbare weg voorwaarts. Alleen al omdat praktische uitvoering van PoC óók gevechtsoperaties kan en zal inhouden. Warfighting, zoals de Amerikanen het noemen. GroenLinks zal hier met meer concrete voorstellen moeten komen. Deze voorstellen zullen onvermijdelijk technisch en militair-operationeel van karakter moeten zijn. Anders staat de partij in de toekomst als vanzelf op een achterstand in het politieke debat.

Dan de fundamentele vraag of militairen überhaupt burgers kunnen beschermen. Natuurlijk is dit voor de partij slechts een 'deelvraag' . GroenLinks zet immers sterk in op niet-militaire initiatieven om burgers te beschermen: democratisering, goed bestuur, economische ontwikkeling, enzovoorts. Aan de andere kant wordt peace enforcement (afdwingen van vrede, ook met militaire middelen) steeds belangrijker in de praktijk. GroenLinks zal hierover dus serieus moeten nadenken.

Militaire doctrines besteden weinig aandacht aan de bescherming van burgers als leidend principe. In de huidige militaire doctrines van Westerse mogendheden zitten wel elementen ingebakken die aansluiten bij burgerbescherming. Bij vredesoperaties wordt van soldaten verwacht dat ze optreden als ze getuige zijn van schendingen van mensenrechten. De CIMIC-gedachte (civiel-militaire samenwerking) gaat ervan uit dat burgers op termijn beschermd worden als alle partijen (militairen, NGO's, bestuurders, enzovoorts) met elkaar praten en samenwerken. De hearts-and-minds-aanpak veronderstelt dat burgers de (internationale) militairen gaan vertrouwen omdat ze veiligheid bieden. Misschien wel het meest duidelijke voorbeeld van directe burgerbescherming betreft evacuatie-operaties door militairen. Deze vinden echter vooral plaats om eigen burgers te redden, zoals door de Belgen in Rwanda tijdens de genocide van 1994.
In het algemeen geldt dus dat in militaire operaties al wel elementen zichtbaar zijn die passen bij PoC-achtige operaties: beveiligen van gebieden, patrouilleren, afdwingen van de avondklok, beveiligen van humanitaire hulp, enzovoorts. Militairen beschikken ook over een zekere flexibiliteit en de mogelijkheid 'to train up or to train down'. Van dat laatste is de Amerikaanse three-block-war-doctrine een goed voorbeeld: 's ochtend vechten soldaten in de ene wijk, 's middags voeren ze politie-operaties uit in de naastliggende wijk en 's avonds verlenen ze humanitaire hulp in de derde wijk.

Burgerbescherming zit ook ingebakken in het bestaande oorlogsrecht (met name de conventies van Genève). Dit maakt immers onderscheid tussen combattanten en non-combattanten (burgers) en verplicht militairen om burgers waar mogelijk te ontzien. Dit is het standpunt van de meeste Westerse regeringen, inclusief de Nederlandse. Bescherming van burgers is inmiddels opgenomen in het zogenoemde Toetsingskader (een checklist die wordt afgewerkt voorafgaand aan militaire uitzendingen). De regering ziet dit echter bovenal als een vastlegging van de bestaande praktijk: de Nederlandse soldaat weet wat van hem wordt verwacht en zal dit uitvoeren. Toevoeging van het criterium burgerbescherming aan het Toetsingskader is in het Nederlandse geval dus positief, maar niet zozeer een erkenning door de regering van een geheel nieuwe handelwijze.

Al met al zien Westerse regeringen en krijgsmachten burgerbescherming eerder als een instrument voor het helpen slagen van een missie of operatie. Voelen lokale burgers zich veilig, dan staan ze positiever tegenover de buitenlandse soldaten. Daarbij wordt een zekere terughoudendheid gehanteerd, volgens het principe 'one bullet for one bullet'. Burgerbescherming wordt echter niet primair gezien als het uitgangspunt en doel van het militaire ingrijpen. Het is eerder een afgeleide taak. De huidige doctrines gaan niet zozeer uit van het fysiek elimineren van het vermogen van 'daders' om te doden. (De war-on-terror doet dat wel, maar dan is eerder sprake – in Amerikaanse ogen – van zelfverdediging en de bescherming van Amerikaanse burgers).

Echter, PoC is mijns inziens een 'ultiem' concept, dat in zijn ultieme consequenties zal moeten worden doorgeredeneerd. Het is een logische volgende stap in het denken over universele mensenrechten, maar roept ook 'ultieme vragen' op: in welke mate zijn 'we' – als we inderdaad vinden dat sommige zaken te erg zijn om te tolereren – bereid te doden en te sterven om vreemdelingen in een ver land te redden? Dit is het saving strangers-dilemma. Interessant genoeg zijn het dan meestal niet de militairen zelf die voorop staan en roepen dat de risico's te groot zijn. Zij vragen vooral om een heldere en uitvoerbare opdracht van de politiek. De opkomst van de PoC-gedachte loopt bovendien parallel aan de Westerse neiging tot groeiende risicomijding (risk aversion). We zijn steeds minder bereid om militairen te laten sterven. Dit past bij een maatschappij die steeds meer waarde hecht aan het individu en het menselijk leven.

Kortom: de debat over militaire interventies is voor GroenLinks onvermijdelijk een lastig debat. Het draait immers om het verbinden van idealisme en praktijk, met de formulering van voorwaarden als de 'nietjes' om beide te hechten. De volgende stap is even onvermijdelijk als nóg lastiger: concreet nadenken over de vraag hoe de toepassing van militair geweld (vooral om burgers te beschermen) moet worden ingericht. Welke krijgsmacht heeft GroenLinks dan in gedachten? Het antwoord zal verder moeten gaan dan een krijgmacht ingebed in een staande internatonale vredesmacht, aangestuurd door een gedemocratiseerde Veiligheidsraad. Het antwoord zal ook in moeten gaan op de bijbehorende bereidheid om te doden en te sterven en op de formulering van doctrines. Dat moet namelijk vóór de komende humanitaire crisis zijn afgerond. Dan is er namelijk geen tijd meer. Dus zal GroenLinks moeten werken aan een strategie die ten grondslag ligt aan PoC en burgerbescherming tot meer maakt dan een afgeleide van deze strategie.

[i] Gerrit Pas, Burgers beschermen. GroenLinks van Koude Oorlog naar humanitaire interventie (Utrecht, 2014). 

Gerelateerde artikelen