9 minuten

De lange mars naar instabiele financiële markten

Van vraag naar aanbodgerelateerde economie

Tijdens de tweede lezing in de reeks 'Waardevolle economie' analyseerde econoom Alfred Kleinknecht de bouwstenen van de crisis. Een belangrijke rol geeft hij aan het neoliberale gedachtegoed, dat sinds de jaren tachtig bezig is de verzorgingsstaat af te breken. De shock van de crisis wordt door rechts aangegrepen om fors te bezuinigen op de restanten van de Keynesiaanse economie. 

Tijdens de tweede lezing in de reeks 'Waardevolle economie' analyseerde econoom Alfred Kleinknecht de bouwstenen van de crisis. Een belangrijke rol geeft hij aan neoliberale economen die sinds de jaren zeventig campagne voeren om de verzorgingsstaat af te breken. De shock van de crisis wordt door rechts gretig aangegrepen om fors te bezuinigen op de restanten van de Keynesiaanse verzorgingsstaat. Kleinknecht vreest voor de sociale ellende die deze maatregelen zullen veroorzaken in de mediterrane landen. Wanneer het neoliberale geweld niet gestopt kan worden, is het misschien maar beter om deze landen uit de Euro te laten stappen, voor hun eigen bestwil.

Lage werkloosheid gevaarlijk?

Na 1929 was er sprake van economisch stagnatie en massawerkloosheid die aanhield tot het begin van de Tweede Wereldoorlog. De Grote Crisis werd gevolgd door een periode van ongekende welvaartsgroei in Europa vanaf 1946. Met een gemiddelde economische groei van drie tot zes procent per jaar, lage werkloosheid en stabiele financiële markten gingen deze decennia de boeken in als 'The age of Keynes'. Keynesiaanse sturing moest een nieuwe crisis voorkomen.

Maar het 'Golden Age' kantelde na 1975. De oliecrisis, dalende economische groei en hoge werkloosheid vormden binnen de economische discipline de voedingsbodem voor een anti-Keynesiaanse contrarevolutie van rechts. De Keynesiaanse politiek, die is gericht op het stimuleren van de vraag, moest worden vervangen door 'Supply-side economics': beleid gericht op de aanbodzijde van de markt. Deze 'ijskoude wind van rechts' komt neer op het streven naar een meer ongelijke inkomensverdeling, deregulering van de arbeidsmarkt, deregulering van financiële markten en een terugtredende overheid.

Een belangrijk keerpunt op de arbeidsmarkt was de opkomst van de theorie van de 'natuurlijke werkloosheid' (Non-Accelerating Inflation Rate of Unemployment of NAIRU).** Volgens deze theorie moet er voldoende ('natuurlijke') werkloosheid zijn om de arbeid te disciplineren, zodat er geen loonprijs-spiraal ontstaat. In Nederland schat men het gewenste 'natuurlijke' niveau van werkloosheid op ca. vijf procent. Minder is gevaarlijk, want dan wordt arbeid te machtig en kan een loonprijsspiraal op gang komen. Hoge werkloosheid in de mediterrane landen is voor rechts geen enkel probleem, maar biedt juist de mogelijkheid om de zo gehate verzorgingsstaat af te breken. Meer concurrentie om schaarse banen leidt immers tot de-solidarisering en daarmee tot verzwakking van de vakbonden en de linkse kerk - en dat schept ruimte voor 'structurele hervormingen'.

Vooral in Amerika heeft supply-side economics geleid tot grote inkomensverschillen (zie figuur). Maar ook in andere landen daalde het aandeel van lonen en salarissen in het nationaal inkomen gestaag na de ommezwaai van Keynesiaans beleid naar aanbodbeleid. In de VS is het gemiddelde loon van de bottom negentig procent na 1975 vrijwel gelijk gebleven. De bestedingen van de gemiddelde Amerikaan bleven echter stijgen in deze periode. De enige verklaring voor deze discrepantie is de verschaffing van meer krediet (zie figuur).

Bouwstenen van een irreguliere crisis

De kredietcrisis is een irreguliere crisis van over-speculatie, vergelijkbaar met de crisis van 1929. Hoe kon zo'n crisis ontstaan? De macro-economische achtergrond van deze crisis moet worden gezocht in de wereldwijde spaaroverschotten die ergens geïnvesteerd moeten worden. Dit heeft geleid tot goedkope kredieten. Mede door gedereguleerde financiële markten, 'financiële innovaties' en sterke hefbomen, werd het makkelijker om zeepbellen te doen ontstaan.

Leverage

De hefboom of leverage is een belangrijke bouwsteen voor de crisis geweest. Het stelt financiële ondernemingen in staat goedkoop geleend geld uit te zetten op de markt tegen hoge winsten. Met het goedkoop geleende geld wordt gespeculeerd op waardestijging in allerlei vermogenstitels zoals vastgoed, grondstoffen, kunst, aandelen, etc. Bij deze investeringen wordt weinig eigen kapitaal ingezet. Sterker nog, hoe lager het percentage eigen vermogen hoe sterker de hefboom de winsten opkrikt. Zolang de winsten op het geleende geld maar hoger zijn dan de rentelasten, wordt de investeerder slapend rijk. Echter, wanneer de bubbel knapt, doordat men beseft dat de waarde van vermogenstitels kunstmatig veel te hoog is opgekrikt, is het verlies extra groot. De selffulfilling prophecy van de markt zorgt ervoor dat het wel erg goed gaat, zolang het goed gaat en goed slecht na het knappen van de zeepbel. De hefboom werkt dus beide kanten op en zorgt daarmee voor instabiliteit op de financiële markten. Grote banken zijn bovendien too big to fail en moeten gered worden door overheden met publiek geld.

Nederland leeft onder haar stand

Een andere belangrijke bouwsteen van de crisis was het importoverschot (export minus import) van de Verenigde Staten. Vlak voor het uitbreken van de crisis was het Amerikaanse importoverschot gestegen tot circa zeven procent van het Nationaal Inkomen. Dit betekent dat Amerikanen ruim 700 miljard dollar meer consumeerden, dan ze produceerden. De VS leefde boven haar stand. Zo'n nationaal spaartekort in Amerika kan alleen bestaan wanneer andere landen een spaaroverschot hebben en dus meer exporteren dan importeren. Nederland is zo'n land met exportoverschotten van 40-50 miljard euro per jaar. Nederland leeft dus onder haar stand.

Deze tekorten en overschotten van respectievelijk de VS en Nederland worden vereffend via de handel in vermogenstitels (assets). Het importoverschot van de VS wordt gefinancierd door kredietopname oftewel verkoop van vermogenstitels in ruil voor de te veel gekochte goederen. Het opbouwen van schulden kan op deze manier doorgaan zolang de landen met de overschotten bereid zijn te lenen aan de landen met tekorten. Het verstrekken van leningen is echter gebaseerd op vertrouwen en dat vertrouwen is nu geschaad. Dit instabiele systeem kan alleen weer in balans worden gebracht wanneer de Amerikanen minder gaan consumeren en meer gaan sparen. Europa en Azië moeten het omgekeerde doen om te voorkomen dat hun economische groei lager wordt.

Kredietmultiplicator

Een derde bouwsteen van de crisis is de instabiliteit van banken. Wanneer een bank spaargeld van klanten gebruikt om krediet te verstrekken, moeten ze een bepaald percentage (bijv. tien procent) als reserve aanhouden. De klant zal immers af en toe contant geld willen opnemen. Door middel van de kredietmultiplicator kan de bank echter de andere negentig procent van het spaargeld uitlenen waardoor een nieuw deposito ontstaat (zodra de kredietontvanger iemand betaald). Van dit nieuwe deposito mag de bank opnieuw negentig procent gebruiken om uit te lenen, etc. Op deze manier kan iedere euro spaartegoed door de bank tot tien keer worden uitgeleend. Van elke duizend euro spaartegoed kan de bank tienduizend euro aan kredieten weggeven. Dit functioneert prima, zolang de klanten hun bank vertrouwen ...

De ellende van de Mediterrane landen

Nog niet zo lang geleden zorgde de toetreding tot de EU van de Mediterrane landen voor een fikse verhoging van hun groeivoeten. Dit was echter alleen mogelijk omdat de zuidelijke lidstaten van de EU hun nationale munten nog konden afwaarderen waardoor hun export goedkoper werd en hun import duurder. Hierdoor werden excessieve overschotten op hun handelsbalans voorkomen. Sinds de invoering van de Euro kunnen de zuidelijke lidstaten hun munt niet meer afwaarderen waardoor almaar hogere importoverschotten worden opgebouwd, gefinancierd door krediet. De financiële sector in het Noorden leende geld aan het zuiden zodat zij hun importoverschotten konden betalen. De groei van de schuldenberg is een symptoom van faliekant marktfalen. Niemand heeft iets gedaan om de groter wordende risico's in te dammen: de Rating Agencies zaten te slapen en de banken rekenden geen risicopremies, ondanks stijgende schuldenbergen.

Vooral Nederland en Duitsland hebben het zuiden in de problemen gebracht door hun agressief exportbeleid. Dit beleid schept veel banen in Nederland en Duitsland, maar vernietigt banen in de zuidelijke staten. Door steeds maar weer krediet te verkopen aan deze landen zorgde men ervoor dat ze onze producten konden blijven afnemen. Omdat het Noorden technologisch en wetenschappelijk superieur is aan de zuidelijke landen zal deze scheefgroei ook niet zomaar vereffend worden. Het moest tot een crisis leiden.

Rechts pakt de crisis in het zuiden op om stevig te bezuinigen op sociale voorzieningen. Eindelijk hebben ze een argument om de verzorgingsstaat te kortwieken. 'Het gaat richting barbarij in Griekenland: zie bijvoorbeeld de Gouden Dageraad partij'. Dankzij de shock van de crisis kunnen de restanten van de keynesiaanse verzorgingsstaat worden geruimd en komt ruimte voor supply-side economics. Als het aan rechts ligt moet het algemene prijsniveau in het zuiden omlaag zodat ze weer kunnen concurreren. Maar bij dalende prijzen stellen consumenten hun aankopen uit, in afwachting van verdere prijsdalingen waardoor de economie in een nog diepere crisis geraakt. Als lonen en prijzen dalen, blijven de schulden wel op hun oude niveau staan. De mogelijkheden van schuldaflossing verminderen door deflatie en voor onbetaalde schulden draait uiteindelijk de Europese belastingbetaler op. Straks kan Wilders weer roepen dat de luie Mediterranen ons in de problemen brengen.

Leer je gedragen!

De Duitsers en Hollanders moeten zich leren gedragen. Het is een zware boodschap voor onze calvinisten: wij moeten minder sparen en meer besteden! Dit komt neer op minder export en meer import. Voor de Mediterrane landen geldt precies het omgekeerde: meer sparen, minder besteden, en dus minder import en meer export. De zuidelijke landen kunnen hun schulden alleen afbetalen als ze exportoverschotten boeken. Anders kunnen we fluiten naar onze pensioengelden die in hun schulden geïnvesteerd zijn. Dat vraagt om macro-economische coördinatie en vereist Europese solidariteit. Ook de vakbeweging moet zich Europees solidair opstellen: Niet meer 'eigen werklozen eerst', maar hoge looneisen in landen met exportoverschotten en loonmatiging in het Zuiden.

Het valt te vrezen dat het nationaal egoïsme te groot is voor dit alles. Dan blijft als alternatieve oplossing het splitsen van de Eurozone in een Euro-Noord en een Euro-Zuid met daartussen een semi-vaste wisselkoers. Of als dat niet kan, laat dan de ECB een goed draaiboek maken om individuele landen op een goede manier uit de Euro te laten treden, om hun eigen bestwil. Deze oplossing staat lijnrecht tegenover het belang van het Noorden dat de zwakke broers nodig heeft om de wisselkoers van de euro laag te houden in het belang van de eigen exportindustrie. De wisselkoers van een Euro met alleen maar 'sterke' landen zou wel eens fors kunnen stijgen – en dit is slecht voor 'onze' export. Een splitsing van de Eurozone (of een kleinere Eurozone) is nog altijd beter dan doormodderen met het risico op nog meer sociale ellende in het zuiden en nog grotere tegenstellingen tussen Noord en Zuid. 'Als voorstander van een federaal Europa vrees ik het ergste voor de samenhang van Europa'. In plaats van grote pan-Europese visies te ontwikkelen kan men zich nu beter concentreren op schadebeperking en redden wat er nog te redden valt. Eerst moet het neoliberale geweld een halt worden toegeroepen voordat we over nieuwe utopieën kunnen gaan nadenken.

** Een grondige kritiek op de NAIRU theorie vindt men in: C.W.M. Naastepad & S. Storm: Macro-economics beyond the NAIRU, Harvard University Press, 2012. 

Gerelateerde artikelen