4 minuten

De participatiewet: de werkwet die niet werkt

Opinieartikel Rutger Groot Wassink

De economische groei van Nederland zal de komende periode naar alle waarschijnlijkheid afvlakken. En dat is voor werkzoekenden en specifiek de doelgroep van de Participatiewet zeer zorgelijk. De evaluatie van de Participatiewet door het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) laat niet alleen zien dat het effect van de wet door zijn opzet buitengewoon gering is. Ook de onderliggende aannames waar de wet op is gestoeld, zijn op z’n best discutabel. Werkzoekenden met een beperking vinden al niet makkelijk een baan en die kansen zullen verder dalen bij een afvlakkende groei. Een fundamentele herbezinning op de manier waarop mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan werk of dagbesteding worden geholpen is dan ook noodzakelijk. Juist deze groepen verdienen een helpende hand van gemeenten.

‘We laten niemand in de kou staan’ verzekerde de toenmalig staatsecretaris Klijnsma bij de invoering van de Participatiewet in 2015. Doel was immers door de samenvoeging van verschillende wetten (WWB, Wajong, WsW) en taken naar gemeenten te decentraliseren er voor te zorgen dat eenieder met een arbeidsbeperking of een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk zou kunnen. De gemeenten zijn met de huidige Participatiewet onvoldoende in staat gesteld dit mogelijk te maken. De conclusies uit de evaluatie van de wet door het SCP bevestigt dit. Weliswaar hebben jonggehandicapten(Wajong) een iets grotere kans op een baan dan voor de invoering. Maar dit is een relatief klein gedeelte, nog geen 10%, van de hele doelgroep. En het werk dat ze doen is vaak in deeltijd en op tijdelijke contracten hetgeen hun bestaanszekerheid nauwelijks versterkt. Bovendien is hun inkomensondersteuning volgens de Bijstandsregels afhankelijk gemaakt van de vraag of zij een verdienende partner of spaargeld hebben en of zij onder één dak wonen met huisgenoten (kostendelersnorm). Dat tast hun bestaanszekerheid aan. Voor de reguliere bijstandsklanten en voor niet uitkeringsgerechtigden heeft de wet  geen waarneembaar effect op de baankans.

Alarmerende conclusies wat mij betreft. De vraag is natuurlijk hoe het komt dat het onvoldoende lukt mensen mee te laten doen. Eén van de grootste belemmeringen voor gemeenten is dat er de facto nauwelijks budget is om mensen verder te helpen. Het overgrote deel, 95% van het totaal, is nodig voor inkomensondersteuning. Slechts 5% is in te zetten om mensen naar werk of participatie te begeleiden, dat terwijl de titel van de wet Participatie(!)wet is. Voor het activeren van mensen is minder budget dan in de oude bijstandswet. Sinds 2010 is het bedrag per uitkeringsgerechtigde voor re-integratie gedaald van 4500- naar 1500-. Dat helpt natuurlijk niet. Naast onvoldoende financiering schiet de wet nog altijd tekort door de veelheid en complexiteit aan regelingen. Voor gemeenten zou een grotere vrijheid in het kunnen toepassen van maatwerk enorm helpen. Nu is het instrumentarium bepaald door de vraag of iemand het stempel van arbeidsbeperkt krijgt of niet. Vereenvoudiging van het stelsel en beleidsvrijheid voor gemeenten is cruciaal om het verschil te maken voor werkzoekenden. Nu worden werkgevers en gemeenten beperkt in plaats van gestimuleerd. Ook de overgang van de WW naar de bijstand helpt de werkzoekende niet. Ontschotting tussen de dienstverlening van het UWV is nodig.  

Zo beschouwd verhinderen de randvoorwaarden voor uitvoering de wet danig. Daarnaast is het de vraag of de onderliggende aannames wel juist waren. Een belangrijke veronderstelling was dat iedereen wel zou kunnen participeren op de arbeidsmarkt als de instrumenten uit de wet zouden worden ingezet. De lokale praktijk blijkt weerbarstiger. Voor een groep mensen is werken op korte termijn of reintegratie simpelweg niet haalbaar door psychische of gezondheidsklachten. Voor hen is soms beperkte deelname aan de samenleving het hoogst haalbare. Juist voor dit doel zijn de beschikbare instrumenten en geld ontoereikend. Een tweede aanname is dat verplichtingen en financiële prikkels bevordelijk zijn. De verplichtingen voor bijstandsgerechtigden stapelen zich op: ze moeten de taal conform een vastgesteld niveau beheersen, bereid zijn te verhuizen voor een baan, ze moeten zich netjes presenteren,  ze moeten een verplichte tegenprestatie leveren. Deze op controle gerichte verplichtingen gaan natuurlijk niets helpen. Kort gesteld: de wet stelt dat de stok beter is dan de wortel. In de praktijk blijkt deze stelling niet houdbaar. Het SCP concludeert dat sancties en verplichtingen geen hogere effectiviteit laten zien dan andere manieren om mensen uit te laten stromen.

Samenvattend is de conclusie dat gemeenten de dienstverlening en resultaten op peil hebben weten te houden in weerwil van de forse bezuiniging die met de decentralisatie meekwam. Wat mij betreft moet deze vaststelling leiden tot een herbezinning om er voor te zorgen dat gemeenten beter in staat zijn om mensen met een beperking of afstand tot de arbeidsmarkt te helpen mee te doen. Dat moet de kern van het gesprek zijn tussen rijk en gemeenten. Verder onderzoek is nodig om vast te stellen wat de benodigde maatregelen zijn. Kleine eenvoudige aanpassingen zijn onvoldoende.

Elementen zijn wat mij betreft: Gemeentelijke beleidsvrijheid en grotere verantwoordelijkheid voor gemeenten, minder fixatie op sancties en prikkels en meer ruimte voor vertrouwen en een beleid dat mensen stapsgewijs helpt participeren en hopelijk op termijn naar regulier werk begeleid. En ja, een gesprek over financiering hoort daar ook bij. Nu helpt de Participatiewet mensen volstrekt onvoldoende om überhaupt te participeren. Het is veeleer een ‘werk’-wet die wat dat betreft niet werkt.

(Dit artikel verscheen in kortere vorm als opinieartikel in de Volkskrant van 21 november 2019)

Reactie toevoegen

Gerelateerde artikelen