5 minuten

Dol op pillen? Een andere visie op medicaliseren

Geestelijke gezondheidszorg (ggz) is nooit erg populair geweest en zal het wel nooit worden ook. Mensen komen op de televisie met hun hartchirurg, maar nooit met hun psychiater. Psychische aandoeningen zijn meer met schande en schaamte beladen dan (de meeste) lichamelijke aandoeningen. Door de stigma’s die op de ggz rusten, dreigt de jeugd-ggz uit de Zorgverzekeringswet te verdwijnen.

Psychiatrie is bedreigend, want het houdt zich bezig met je innerlijke beleving. Dat iemand zich daarmee bemoeit is toch iets anders dan dat iemand zich bemoeit met het functioneren van je nieren of je hart. We kennen allemaal het schrikbeeld van de tegenspartelende patiënt die tegen zijn zin opgenomen wordt, al roepend: 'Maar ik ben niet gek', terwijl de dokters dan zeggen: 'Ja, ja. Dat zeggen ze allemaal'. In werkelijkheid is het overgrote deel van psychische hulpverlening vrijwillig en wordt die door cliënten gewaardeerd. ‘Cliënten’ ja, want in de psychiatrie spreken we niet over patiënten. Dat woord wordt als een waardeoordeel beleefd. Dat is echter, bij mijn weten, in geen enkele andere sector van de gezondheidszorg het geval. Een patiënt is daar iemand die lijdt en dat zou geen schande moeten zijn. Een cliënt is iemand die voor zijn plezier iets koopt. Hulp moeten zoeken bij psychische problematiek is toch iets anders.

Vertrouwen

Iedereen heeft een mening over de psychiatrie. Ik geloof niet dat een ander specialisme binnen de gezondheidszorg zich zoveel moet laten aanleunen als de geestelijke gezondheidszorg. In het geval van de kinderpsychiatrie is het bijkans nog extremer. Ik denk bijvoorbeeld wel eens dat er opvallend veel kinderen rondlopen met zo’n pufjesapparaatje tegen astma. Maar ik doe daar geen uitspraken over. Het is mijn vak niet en ik neem aan dat (kinder)artsen en ouders kritisch genoeg zijn. Vertrouwen heet dat. Op een dergelijke terughoudendheid en vertrouwen mag de ggz vaak niet rekenen. Politici, beleidsmakers en anderen doen met gemak uitspraken over de ggz, die nergens anders op gebaseerd zijn dan indrukken, aannames en incidenten. Als ik vertel, dat ik psychiater ben, krijg ik steevast te horen, dat het beter is met mensen te praten dan ze vol te stoppen met pillen. Als ik vertel dat ik kinderpsychiater ben dan zeggen mensen min of meer verontwaardigd: 'moeten kinderen al naar de psychiater?' Ik maak me sterk dat een kinderarts zoiets nooit te horen krijgt.

Halve zolen en pillenopdringers

Psychiaters worden in films en tv-series bijna altijd als halve zolen opgevoerd, onze diagnostiek heet ‘etiketten plakken’, onze medicamenteuze behandeling ‘volstoppen met pillen’, en onze zorg medicaliseren. En onze diagnoses verworden gemakkelijk tot scheldwoorden. Dwangneuroot, autist, schizofreen en narcist; het klinkt toch anders dan diabeet of maagpatiënt. Psychiaters worden bovendien meer dan welk ander specialisme voor de tuchtrechter gedaagd. Bij negentig procent is er overigens sprake van vrijspraak, maar dan zijn we vaak één of twee jaar verder. De impact die iets dergelijks heeft is fors. Ik ben er van overtuigd dat nergens in de gezondheidszorg zoveel agressie tegen hulpverleners voorkomt als in de psychiatrie. Over al dit soort dingen hoor je mij gewoonlijk niet klagen. Ook dat hoort bij ons vak. Soms is het wel een beetje zuur en ben ik jaloers op mijn collega’s in de somatische geneeskunde. Neem bijvoorbeeld onze medicatie. Psychiatrische medicatie is relatief gezien heel succesvol. De komst van de anti-psychotica heeft de kwaliteit van leven van mensen met een psychose enorm, echt enorm verbeterd. Iedereen die wel eens iemand met een ernstige depressie heeft zien opknappen op antidepressiva weet wat een zegen het is dat deze middelen er zijn. Echt een zegen! Maar toch worden psychofarmaca veel vaker dan andere geneesmiddelen aangeduid als ‘die troep’, ‘die rotpillen.’ Ik durf haast niet te zeggen hoe geweldig ik het vind dat ze er zijn, want dan ben ik een vazal van ‘Big Pharma’. En binnen ‘Big Pharma’ - de farmaceutische industrie - werken alleen maar boeven. Geldgraaiers en pillenopdringers. Begrijp me goed: er is veel (terechte) kritiek mogelijk op de  farmaceutische industrie, maar de discussie mist vaak elke nuance.

Kritiek

Er zijn wel meer beroepen, die veel kritiek over zich heen krijgen. Politieagenten bijvoorbeeld of gezinsvoogden. En politici krijgen vast ook niet de waardering waar ze recht op hebben. Voor sommige van die kritiek valt iets te zeggen, andere kritiek is ongeïnformeerd en onterecht. Maar voor cliënten is het heel naar, dat ze steeds weer met het negatieve imago van de psychiatrie geconfronteerd worden. Neem de eigen bijdrage die exclusief voor patiënten uit de ggz is ingevoerd. Dat suggereert toch dat het hebben van een psychische aandoening meer een vrijwillige keuze is dan het hebben van een lichamelijke aandoening. Het is kwetsend om altijd maar weer te moeten aanhoren hoe je beter om kunt gaan met je problemen. Die adviezen komen steevast van mensen die het geluk hebben niet zelf getroffen te zijn door psychische aandoeningen. ‘Ik heb ook wel eens een dipje’. ‘Die van mij zijn ook wel eens druk.’ ‘Ik zet me er overheen als ik ergens tegen op zie’. Ik heb ook niet altijd zin’.

Het is kwetsend om te moeten lezen, dat de dwangstoornis die je leven ruïneert een verzinsel zou zijn van de farmaceutische industrie om haar pillen te kunnen slijten. Als je na lang wikken en wegen besloten hebt je kind Ritalin te geven, is het kwetsend om te horen dat we moeten ophouden kinderen zo makkelijk vol te stoppen met pillen. Als je met je doodsbange kind, die een angststoornis heeft, hulp hebt gezocht, doet het pijn als iemand zegt dat je beter met je kind kunt gaan sporten dan ermee naar de hulpverlening te rennen. Het is kwetsend om, als je leven door een forse ADHD ernstig wordt ontregeld, te horen dat het een aandoening is met een lichte ziektelast.

Ik geloof dat mensen met een psychische aandoening juist respect verdienen voor de moeite die ze moeten doen om voor elkaar te krijgen wat bij een ander vanzelf gaat. Op dat begrip en op die erkenning kunnen ze in de maatschappij vaak niet rekenen. Ongenuanceerde kritiek op de ggz draagt niet bij aan die erkenning. Mensen met een psychische aandoening zijn daar de dupe van. 

Transitie jeugdzorg

Ook de overheveling van de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen naar de gemeente is een gevolg van een onjuist oordeel over de jeugd-ggz. Ook hier zullen patiënten de dupe worden. Daarom zal ik me daartegen blijven verzetten. Ik geloof, dat vroeg of laat het inzicht wel zal doorbreken, dat gezondheidszorg geen zaak is van de gemeente. Dat doen we toch ook niet met kindergeneeskunde?

Om te helpen dit inzicht te laten doorbreken is er een petitie, die al door 65.000 mensen is ondertekend.

Gerelateerde artikelen