4 minuten

Duitse Energiewende is een gok

Nederland werd ooit een grootmacht op wind en turf. De VS domineerden de vorige eeuw door goedkope olie. Duitsland zet nu vol in op duurzame energie – maar dat is een gok.

Na Blitzkrieg, Kindergarten en het Ding an sich wordt er weer een Duits woord aan de internationale woordenboeken toegevoegd: Energiewende. In 2050 wil Duitsland 80 procent van zijn elektriciteit opwekken uit duurzame bronnen, zijn energieverbruik halveren en 80 tot 95 procent minder broeikasgassen uitstoten. Kernenergie wordt uitgefaseerd. Volgens het Duitse ministerie van Milieu is deze energieomslag een „principiële, ethische en culturele keuze” en een „eenmalige kans om de wereld een voorbeeld te geven van hoe duurzaamheid en een concurrerende economie samengaan”.

Revolutionair is het zeker, maar niet zonder risico’s. Prijst Duitsland zich uit de markt, of wordt het een nieuwe wereldleider?

In zijn leven moet een mens tijd en energie omzetten in een bestaan. Dit geldt ook voor een groep mensen of een samenleving. Hoe minder tijd en energie het ons kost om onze basisbehoeften te bevredigen (eten, drinken, een dak boven het hoofd), hoe meer welvaart wij kunnen creëren met onze resterende energie en tijd.

Nederland had in haar Gouden Eeuw turf en wind. Hierdoor hoefde men minder brandhout te verzamelen en niet zelf te malen, te stampen, te pompen, te zagen enzovoort. Buiten de Amsterdamse Singelgracht stonden twee eeuwen lang tientallen zaagmolens. In de Zaanstreek werden in 1731 zelfs 584 industriële windmolens geteld. We hadden tijd te over en zetten die om in het opbouwen van een grootmacht, maar wie laagveen afgraaft, creëert meren. Molens waren nodig om dat weer droog te malen. Zo herschiepen wij ons land, maar erg energie-efficiënt was het niet.

In de loop van de 19de eeuw werd steenkool de volgende externe energiebron, met Groot-Brittannië voorop. In het begin van de 20ste eeuw werkten daar meer dan een miljoen mensen in kolenmijnen. Groot-Brittannië werd een wereldmacht, maar in de steden verdween het zonlicht. Grootschalige steenkoolverbranding kleurde de lucht en veroorzaakte grote gezondheidsproblemen. Kool wordt nog steeds gebruikt, maar alternatieven bleken beter.

In de 20ste eeuw creëerden de Amerikanen een superstaat op basis van goedkope olie. Tussen 1980 en 1999 kostte een liter benzine gemiddeld 29 dollarcent. Dit creëerde een beschaving zonder stoepen en fietspaden – waarom zou je je eigen energie gebruiken om je te verplaatsen? – maar America is addicted to oil, zei voormalig president George W. Bush. Dit zou in zijn ogen steeds problematischer worden. Een liter benzine kost in de VS inmiddels ongeveer een dollar. De prijs zal niet meer blijvend zakken.

Hierbij komt dat de prijs niet gelijk staat aan de kosten. De proceskosten van het oppompen van olie tot de verkoop als benzine bedragen zo’n tachtig dollarcent per liter. Maar het Earth Policy Institute in Washington heeft de indirecte kosten, zoals klimaatverandering, behandeling van ziektes aan ademwegen, olierampen, en militaire aanwezigheid in het Midden-Oosten, berekend op meer dan drie dollar per liter. Zelfs als deze lastige berekening er een kwart naast zit, zijn de cijfers schokkend. Iemand betaalt indirect dat viervoudige verschil – nu is dat bijvoorbeeld de  longkankerpatiënt en zijn ziektekostenverzekeraar, in de toekomst onze kinderen die lijden onder klimaatverandering. Zou je al deze kosten – de zogeheten externaliteiten – meenemen in de prijs, dan is olie onbetaalbaar. Weer een grootmacht op zijn retour.

De toekomst ligt dus bij een andere energiebron, maar welke? De Duitse Energiewende zet in op zon, wind en biomassa. Anders dan turf, kolen en olie zijn deze bronnen oneindig. De aarde ontvangt in één uur meer energie van de zon dan de mens wereldwijd in een jaar verbruikt. Wind en biomassa zijn een product van zonne-energie en zijn er ook in overvloed. In offshore Europa alleen al is er genoeg windenergie om zeven keer de gehele Europese energiebehoefte te dekken.

Maar er kleven ook nadelen aan. De weg is lang. In 2011 wekte Duitsland pas 12 procent van zijn energie duurzaam op. Vooralsnog is de kostprijs – dus niet te verwarren met de totale kosten! – van duurzame energie hoger dan die van fossiele brandstoffen. Of Duitsland met de Energiewende een gouden slag slaat, hangt af van de mate waarin de genoemde externaliteiten bij de prijs van fossiele energie zullen worden inbegrepen. Ook van belang is hoe snel de prijs van duurzame energie blijft dalen.

Intussen worden de Duitse bedrijven die het land tot ’s werelds grootste producent van zonne-energie maakten uit de markt gedrukt door gesubsidieerde en beschermde Chinese bedrijven. Merkel heeft liever Duitse bedrijvigheid in duurzaamheid dan een goedkopere Energiewende op basis van Chinese panelen. Tijdens haar recente staatsbezoek aan China zei ze dat Chinese bedrijven moeten begrijpen dat bepaalde subsidies de Europese wetgeving overtreden. Zij verkiest onderhandelingen boven de confrontatie, maar heeft nog geen resultaat geboekt. De Europese Commissie maakte vorige week bekend een onderzoek te starten naar mogelijke dumping van zonnepanelen door de Chinezen.

Het is evident dat de mens af moet van zijn verslaving aan fossiele brandstoffen. In 2011  produceerde Nederland 4,2 procent van zijn energieverbruik op duurzame wijze. Hiermee behoort het tot de slechtst scorende landen van Europa. Vorige week nog kondigde de provincie Noord-Holland een verbod af op de nieuwbouw van windmolens. Een tweede Gouden Eeuw is erg ver weg.

*Dit stuk verscheen eerder in NRC Handelsblad (10.9.12).

Gerelateerde artikelen