4 minuten

Een boom is geen soldaat

Over oorlog en milieuschade in het internationaal recht

“Als u een stad langdurig moet belegeren, mag u haar boomgaarden niet vernietigen. Laat de bijl rusten en laat de bomen staan, want u moet er zelf van eten, en bovendien: is een boom soms een mens, dat u tegen hem moet strijden?” (Deuteronomium 20:19). Net zo min als oorlogvoerende partijen zich bekommeren om mensenlevens of de gebouwde omgeving tonen ze respect voor het milieu.

Als voorbeelden noemt de Leidse jurist Erik Koppe het gebruik van ontbladeringsmiddelen tijdens de Vietnamoorlog, het in brand steken van oliebronnen in Irak, het laten wegvloeien van olie in de Perzische golf tijdens de Golfoorlog van 1990-1991, en het bombarderen van een elektriciteitscentrale in Jiyyeh in Libanon tijdens de oorlog tussen Israël en Libanon in 2006. Koppe is in 2006 gepromoveerd op de juridische aspecten van milieubescherming bij het gebruik van kernwapens. Hij laat zien dat het milieu in de loop van de tijd bij gewapende conflicten een zekere juridische bescherming heeft gekregen.1

 

Oorlog en milieu: internationale afspraken

In het oorlogsrecht (ius in bello) is in de jaren zeventig van de vorige eeuw milieubescherming als beginsel geïntroduceerd. Het heeft geleid tot een verdrag dat de –tot op heden science fiction gebleven- opzettelijke verandering van het natuurlijk milieu als oorlogsmiddel verbiedt. Ook het afbranden van natuur als oorlogsmiddel is verboden. In 1977 is in aanvullende protocollen op oorlogsrechtelijke verdragen een verbod vastgelegd op methoden of middelen die leiden tot wijdverspreide, langdurige én ernstige schade aan het milieu, al dan niet met directe gevolgen voor de gezondheid van de burgerbevolking.

In het Verdrag van Rome, de basis voor rechtspraak van het Internationaal Strafhof in Den Haag over oorlogsmisdaden, is ook de individuele verantwoordelijkheid voor milieubescherming vastgelegd. Helaas hebben de Verenigde Staten veel van deze aanvullingen op het internationaal oorlogsrecht niet geratificeerd. Het voorbeeld van de Golfoorlog waarvoor Irak is veroordeeld vanwege milieuschade omdat het land die schade onvoldoende heeft meegewogen bij de beslissing om de oorlog te beginnen, is een toepassing van het zogenaamde ius ad bellum (recht tot oorlog).

Naast deze verdragen is er het ongeschreven internationaal gewoonterecht waarin de zorgplicht voor het milieu inmiddels is erkend. “Ten eerste hebben staten een algemene zorgplicht ten aanzien van het milieu tijdens gewapend conflict. Ten tweede is het voor staten verboden om opzettelijk milieuschade te veroorzaken. Ten derde zijn staten verplicht om excessieve bijkomende schade aan het milieu te voorkomen.”

 

Overtreding van internationaal milieurecht

Veel bepalingen uit mensenrechtenverdragen blijven van kracht in oorlogsomstandigheden. Dat geldt minder voor het internationaal milieurecht voor zover het gaat om strijdende partijen. Dat recht is echter wel van toepassing op de milieuschade voor andere landen. Dit betekent volgens Koppe dat als oorlogvoerende partijen strijdmiddelen inzetten die grensoverschrijdende milieueffecten hebben in staten die niet bij het conflict betrokken zijn, deze partijen dus verplicht zijn om de schade die daar het gevolg van is te vergoeden: uit het neutraliteitsrecht volgt dat milieuschade in niet-oorlogvoerende landen de belligerenten kan worden aangerekend.

Erik Koppe maakt deel uit van een ‘Specialist Group on Armed Conflict and the Environment’ van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN). Hij heeft zich bijvoorbeeld gebogen over de internationaalrechtelijke aspecten van het in brand schieten van olievelden door een Brits vliegtuig en het gebruik van verarmd uranium door de VS tijdens de oorlog in Libië. Het zijn onderbelichte feiten uit de oorlog met aanzienlijke gevolgen voor mens en milieu, ook lang na afloop van het gewapende conflict. Koppe ziet desondanks onvoldoende bewijs om in de genoemde gevallen te spreken van het overschrijden van de regels waaraan betrokken landen zich hebben gebonden.

 

Plunderen van natuurlijke grondstoffen

In recente oorlogssituaties is ook het plunderen van natuurlijke grondstoffen aan de orde. Afrika lijdt onder verschillende gewelddadige conflicten die voor een belangrijk deel draaien om het bezit van grondstoffen. Het Internationaal Strafhof kan tot vervolging overgaan als er sprake is van “een opzettelijk toe-eigenen van een goed, zonder instemming van de eigenaar, voor privé of persoonlijk gebruik, in de context van een internationaal of niet-internationaal gewapend conflict, waarbij de dader op de hoogte was van de feitelijke omstandigheden ten aanzien van het bestaan van een gewapend conflict”. Ook bedrijven kunnen voor een dergelijke oorlogsmisdaad worden veroordeeld. Koppe: “De ongeremde plundering van natuurlijke grondstoffen in centraal Afrika lijkt nog niet tot staan gebracht. Meer aandacht voor de bescherming van het natuurlijk milieu is noodzakelijk, zowel op intergouvernementeel als niet-gouvernementeel niveau. Dat zijn we niet alleen aan onszelf verplicht, maar ook aan toekomstige generaties.”

Voetnoten 

1Dit artikel is gebaseerd op twee artikelen van Erik V. Koppe over de bescherming van het milieu bij gewapende conflicten. 1) De bescherming van het milieu tijdens internationale gewapende conflicten. In: Internationaal Humanitair Recht in de Kijker 2007; Rode Kruis-Vlaanderen, p. 37-49 en 2) Bescherming van het milieu tijdens gewapend conflict: capita selecta. In: Focus op IHR; Bescherming onder het internationaal humanitair recht 2011; Rode Kruis-Vlaanderen.

 

Gerelateerde artikelen