6 minuten

Een pleidooi voor een assertief en consistent buitenlandbeleid

Gewetensbezwaarden militaire dienst kregen vaak tijdens het toetsen van hun gewetensbezwaren de volgende vraag voorgelegd: ‘Indien uw partner op het punt staat gedood te worden en u beschikt over een geweer, zou u uw partner redden door de dader te doden of stelt u zich dan net zo principieel op als u nu als dienstweigeraar doet?’

Deze vraag kwam in mij op bij het lezen van de GroenLinks nota over militaire interventies. Net zozeer als ik de vraag destijds fair noch recht vond doen aan de complexiteit van de geweldsvraag vind ik dat met de vragen over militaire interventie ook. Op het moment dat de geweldsvraag door acute grote humanitaire nood zo sterk aan de orde is, zoals in Syrië en Irak nu, is er feitelijk geen sprake meer van een keuze. Er is eerder sprake van een no-win situatie: allereerst omdat militaire interventie per definitie een sluitstuk is van het falen van internationale diplomatie. De tweede reden is dat militaire interventie zelden bijdraagt aan een duurzame oplossing van een internationaal conflict. De maakbaarheidsgedachte van internationale ‘vrede’ door militair ingrijpen is al even utopisch als een wereld zonder oorlog. De derde reden is dat voor een partij als GroenLinks er hoe dan ook geen bevredigende uitkomst is wanneer geweld als laatste optie uit de discussie rolt.

De vraag die naar mijn mening gekoppeld moet worden aan de geweldsvraag gaat niet over de randvoorwaarden die in de startnotitie staan. Op de genoemde voorwaarden valt vrij weinig af te dingen. De vraag over militaire interventie zal altijd naast de vraag moeten worden gelegd wat de visie is van GroenLinks op buitenlands beleid. Buitenlands beleid dient gericht te zijn op het begrijpen en verbinden van een veelvoud aan internationale relaties: niet dogmatisch, maar met een open mindset, gedragen door feiten en geworteld in een duidelijk kader van normen en waarden. Dus niet de vraag ‘doen we het of doen we het niet’, maar de vraag, ‘is militaire interventie een te verantwoorden keuze binnen onze opvattingen over het land en de regio’.

Een ‘ja’ zal in veel gevallen aansluiten bij de publieke opinie. Een ‘nee’ echter roept vragen en weerstand op. Het lijkt dan al gauw of GroenLinks haar verantwoordelijkheid niet wil nemen, niet volwassen is of niet mee kan doen in een coalitie. Maar dat verwijt speelt niet wanneer GroenLinks haar profiel op buitenlands beleid consequent en scherp voor het voetlicht brengt.

GroenLinks dient het wezenlijke belang te benadrukken van diplomatieke beleidsinterventies die zijn gericht op de lange termijn en die conflicten omspannen: dus voor, tijdens (als kennelijk militaire interventie onvermijdelijk was) en na crises. Het Nederlandse belang kan primair worden beïnvloed door een sterkere inzet op internationale samenwerking.

Buitenlandse Zaken wordt de komende jaren echter hard door bezuinigingen getroffen; een onevenredig fors deel van het budget verdwijnt. Vergeet overigens ook niet de uitgeholde begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Traditioneel twee stevige pijlers van het Nederlandse naoorlogs buitenlandse beleid zijn daarmee sterk verzwakt. Dit betekent minder personeel, minder posten en minder ogen en oren om het Nederlandse belang in al haar facetten te behartigen. Het is de vraag of de tijdens de recente politieke beschouwingen ingediende maar inmiddels aangehouden motie van GroenLinks om de diplomatie weer te versterken, kan rekenen op voldoende financiële middelen. De concurrentie met de beeldvorming rond het defensiebudget is stevig.

Maar een budget is één ding. Prioriteitstelling en een duidelijke strategie zijn minstens zo belangrijk. Het buitenlands beleid heeft binnen de huidige en de afgelopen kabinetsperioden aan kracht ingeboet. Misschien speelt de paradox van de liberale democratie haar parten: de onverenigbaarheid van individuele vrijheden en rechten tegenover volksdemocratie. Vrij vertaald naar internationale relaties: de individuele rechten en plichten van landen staan vaak haaks op overkoepelende belangen van de geglobaliseerde gemeenschap. Internationale problemen zijn vooral problemen voor de betrokken landen of gemeenschappen zelf, niet van de internationale gemeenschap. Het klimaatdebat is een pijnlijk voorbeeld. Pas als de zaak vooral zichtbaar en tastbaar escaleert of - in de meest strikte interpretatie die mogelijk is - het welbegrepen eigenbelang wordt geraakt, sluiten landen die vanuit deze politieke doctrine handelen zich aan bij een inmiddels bereikte communis opinio. Boven alles is dit zeer reactief.

Het Nederlandse buitenlands beleid richt zich in grote lijnen eenzijdig op het eigen belang. In een onmiskenbaar hoog tempo verdwijnt betekenisvolle ambitie uit dit beleid. Afbraak is geen kunst en kan snel worden gerealiseerd, opbouw is echter wel een kunst en vraagt veel tijd.

Wat dreigt is een schraal en uitgekleed diplomatiek apparaat waar spaarzaam strategisch beleid wordt gemaakt, maar vooral politiek risicomanagement wordt gekoppeld aan de waan van de dag. Roel Bekker noemde dit probleem, dat binnen de Rijksoverheid een fenomeen is geworden, recent in zijn afscheidscollege van het CAOP. Op dat punt ben ik het met hem eens.

Wil GroenLinks een afgewogen standpunt kunnen innemen, dan is een sterk profiel in het buitenlands beleid een voorwaarde. Dat betekent dat de partij niet alleen het nieuws haalt als er, in de perceptie van het publiek, een onpopulair ‘nee’ komt of een populair ‘ja’. Voorwaarde is een assertief profiel op het buitenlands beleid: scherp en ondubbelzinnig neergezet met een oog voor de complexe realiteit. In dat debat moeten er naast actieve inbreng over vraagstukken over ontwikkelingssamenwerking veel meer aandacht komen voor een sterke koppeling van strategische globaliseringsvraagstukken. Dit debat moet nadrukkelijk gevoerd worden over kwesties die op een lange termijn agenda spelen, inclusief machtspolitieke vraagstukken.

GroenLinks en ook haar leden beseffen maar al te goed de complexiteit, de onvoorspelbaarheid en de messiness, de smerigheid van een militaire interventie, zo bleek onlangs tijdens de discussieavond in Utrecht. Ook is er het besef dat GroenLinks zich een fiasco als destijds rond het besluit tot steun van de missie in Afghanistan niet kan permitteren. Een blijvend scherp debat in de Kamer en met de partijleden kan dat risico verkleinen. Daartoe moet de bereidheid bestaan om meer in buitenlands beleid te investeren. Doet de partij dat, dan is elke uitkomst op de vraag of er steun is voor een dergelijke interventie verdedigbaar.

Indien diplomatie voor Nederland een after thought wordt, en daar lijkt het steeds meer op, dan wordt Nederland steeds afhankelijker van de (militaire) daadkracht van andere landen. Dat lijkt mij zeer onwenselijk. Dan rest gechargeerd slechts de keuze tussen een handelsoorlog of, zoals nu in Irak en Syrië, oorlog. Dat is een uitkomst die GroenLinks volgens mij niet moet willen.

Terug naar de gewetensbezwaarde militaire dienst. De dienstweigeraar hoefde uiteindelijk de oncomfortabele vraag destijds niet te beantwoorden omdat hij kon stellen dat hij niet wist hoe hij zich onder extreme omstandigheden zou gedragen en er uiteraard een groot verschil was tussen noodweer en een bewuste keuze voor geïnstitutionaliseerd geweld. Achter een gelijksoortig antwoord kan GroenLinks zich niet verschuilen. Het komt op politieke keuzes aan. Geweld is soms verdedigbaar, maar niet zonder een zowel historisch ingebedde als toekomstgerichte consistente buitenlandse politiek.

 

Gerelateerde artikelen