7 minuten

Groene groei is grijze krimp

De regering en het bedrijfsleven strooien ons zand in de ogen met het frame 'groene groei'. Nieuwe, duurzame sectoren zullen inderdaad komen, maar vooral zal veel bedrijvigheid moeten gaan. De modeterm ‘groene groei’ is vooral veelzeggend door dat wat het niet wil toegeven: dat verduurzaming ten koste moet en zal gaan van veel conventionele bedrijvigheid. Echte groei zal uit vernuftigheid en zorgvuldigheid moeten komen.

Goed nieuws?

Heeft u het al gehoord? Een duurzame omgang met de aarde kan tóch hand in hand gaan met het voortzetten van ons economisch groeimodel. Dat is althans de blijde boodschap die de kabinetten-Rutte, de Europese Commissie en het bedrijfsleven verkondigen. Goed nieuws, want in deze economisch magere tijden moet je natuurlijk niet dénken aan verdere soberheid en stagnatie omwille van het redden van ons leefmilieu. Het slechte nieuws is dat het niet klopt. Deze framing is een product van de naïviteit van velen gecombineerd met het berekenend marktdenken van enkelen. Door ‘groene groei’ centraal te stellen krijgt het problematische neoliberale gedachtegoed steeds verder voet aan de grond. Dat brengt ons verder van huis dan ons lief is.

Zero sum game

Toegegeven: talrijke bedrijven, groot en klein, leveren goed en broodnodig werk in het nastreven van duurzaam ondernemerschap. Schonere bedrijfsvoering, dramatisch hogere efficiëntie, holistische ketenbenaderingen: mijn lof oogsten ze. We zien nieuwe diensten en innovatieve start-ups succes boeken dankzij een groeiend aandeel bewuste consumenten, die kiezen voor duurzaamheid met hun portemonnee. Bedrijven zoals het alom gelauwerde Unilever bestuderen hoe hun producten worden gebruikt en hoe daar zuinigheid kan worden betracht. Groene rubrieken op televisie en in de krant nemen in aantal toe en worden goed bekeken en gelezen. En het aantal afnemers van groene stroom is intussen gróter dan het aantal afnemers van grijze stroom.

Maar daar wringt ook de schoen. Klanten die méér groen kopen, kopen minder ‘grijs’. Nu ik klant ben bij Greenchoice, heeft Nuon niks meer aan me. Mijn biologische uien maken de gangbare teler niets wijzer. Groen consumentisme, kortom, betekent een verschuivende markt, geen groeiende. ‘Groene groei’ betekent dan dus dat de duurzame sector weliswaar groeit, maar ten koste van conventionele productiewijzen. In dat opzicht hebben de termen ‘groen’ en ‘groei’ weinig met elkaar te maken.

Toch wordt het idee gecreëerd dat duurzaamheid een nieuw soort economische groei zal opleveren. Duurzaamheid zou een kans bieden om nieuwe bedrijvigheid te creëren en daarmee de gehele economie te doen opleven. ‘Groene groei’ zou dan betekenen dat verduurzaming een bron is van innovatie en uiteindelijk van toegenomen koopkracht en consumptie.

Die innovatie, die zal er komen, ja. Maar innovatie kan niet de heilige graal zijn. Of er op groene wijze wordt geïnnoveerd of anderszins: innovatie is in wezen een neutraal en constant proces dat de economie aan de gang houdt. Al vele decennia (of al vele millennia, als u wil) slagen we er in om productieprocessen efficiënter en zuiniger te maken en over te stappen op schonere technologieën. Meer recycling, de circulaire economie: het zijn voornamelijk efficiencymaatregelen. Daar treffen we dus geen nieuw fundament – met innovatie doe je hetzelfde ‘beter’, of, in de woorden van de oprichters van Cradle to Cradle, ‘minder slecht’. Innovatie is bovendien een investering: er moet eerst geld ín, voordat het er na een tijdje weer uitkomt. Die hobbel is lastiger te nemen na het economisch slagveld van de laatste jaren.

Wat is groei?

Hoe werkt groei dan eigenlijk? Groei vindt plaats waar een levendige wisselwerking van vraag en aanbod gevoed wordt door een zekere bron. De economische groei van de vorige eeuw werd enorm geholpen door de groeiende middenklasse en de opkomst van de consumptiecultuur. Dat bespoedigde echter slechts het gebruik van de ultieme bronnen van de groei: goedkope olie en beschikbaar land. Die bronnen raken nu merkbaar uitgeput. Wat dat betreft hebben we dus al iets tegenzitten: -1 voor de economie.

De groeiende markt voor groene producten hebben we al uitgesloten als grote groeibron: het gaat hier vooral om substitutie, ten koste van ‘grijs’. Duurzame producten en diensten zijn bovendien vaak prijziger dan hun 'vieze' tegenhanger. Het voorkomen van emissies en overstappen op hernieuwbare grondstoffen kost immers geld. Bij gelijk gebleven koopkracht koopt de duurzame consument dus minder dan de Euroshoppende medemens. En die koopkracht, die valt voorlopig nog wel even tegen.

Duurzaamheid is vaak meer een kwestie van laten dan van doen. Duurzaamheid houdt rekening met (of zou rekening moeten houden met) de beperkte draagkracht van de aarde. Volgens sommige toonaangevende analyses is die al ruim overschreden. Het milieubederf neemt nog altijd toe: de draagkracht is nu dus zelfs kleiner dan honderd jaar geleden en zal over honderd jaar weer zijn afgenomen. Voor het bereiken van een groene, leefbare economie hebben we dus vooral veel schaarste te pareren: van olie, van andere grondstoffen, van een veerkrachtig mondiaal ecosysteem.

Er is verder niets mysterieus aan groene groei. De belangstelling had ook uit kunnen gaan naar kaas. Iedereen kan zich met innovatie in de kaasbranche bezighouden, en dan zou de economische groei door kaas geleverd worden, ten koste van waarschijnlijk de worstsector. Hoe kan duurzaamheid ons dan toch verder helpen?

Het kapitaal van zorgvuldigheid

Het enige dat voor éxtra economische groei zorgt, is nieuw kapitaal. Als er een vorm van kapitaal wordt aangeboord die voorheen niet of minder beschikbaar was, is extra groei mogelijk, met alle innovatie- en koopkrachtgevolgen van dien. (Let wel dat de definitie van ‘kapitaal’ hier breed is, en niet alleen om geld, land en machines gaat.) Om met dit gegeven duurzaamheid als echte groeikans aan te merken, zijn dan de volgende voorwaarden nodig. Ten eerste moet de energietransitie in een optimaal beleidsscenario worden gerealiseerd zodat daar geen merkbare klap van het wegvallen van ‘fossiel energetisch kapitaal’ uit volgt. Ten tweede moet het tegenhouden van milieubederf economisch ten minste net zoveel opleveren als er voor moet worden opgeofferd. Ten derde moet de duurzamere wereld moet een kapitaalvorm opleveren waardoor we oprecht van groei kunnen spreken.

Deze kapitaalvorm zal, in mijn analyse, een sociale kapitaalvorm moeten zijn. De rek is immers al uit de andere kapitaalvormen (geld, fossiele hulpbronnen, ecologische hulpbronnen). Nieuwe technologieën scheppen wel extra ruimte om gebruik te maken van de schaarse voorraad, maar dit is een kurk die drijft op een failliet model waar geen fundamentele omwenteling van te verwachten valt.

Bij onze zoektocht naar duurzaamheid zullen we andere vormen van waarde moeten vinden, een oplossingsrichting die het weefsel van de samenleving versterkt en bindt. We moeten namelijk veel slimmer omgaan met grondstoffen en milieugebruiksruimte. Daar is niet zozeer duur betaalde technologische innovatie voor nodig als wel gezamenlijke vindingrijkheid: sociale innovatie. We moeten anders kijken naar de spullen die we gebruiken, naar onze behoeftebevrediging, de dienstverlening die we zo vanzelfsprekend vinden. Het is kwaliteit boven kwantiteit verkiezen. Daarbij zullen we veel dingen tegenkomen die we niet nodig blijken te hebben en tegelijk zien dat menigeen waardevolle bijdragen kan leveren en ook wil leveren. Dat is duurzame ontwikkeling: duurzaamheid wordt stap voor stap dichterbij gebracht en tegelijk ontwikkelt de maatschappij zich zonder dat daar per se economische groei bij komt kijken.

In drie hoopvolle stappen zien we onze duurzame toekomst als volgt tegemoet:

1. Gelijkmatige afkoeling van de wereldeconomie, waarbij grijs door groen wordt vervangen;

2. Het opbouwen van sociaal kapitaal door duurzame ontwikkeling, waarbij vooral wordt gestuurd op vernuft, kwaliteit en menskracht;

3. Het bereiken van een steady state economy, gegeven het ecologische inzicht dat elke groeicurve eindigt in een gestabiliseerde, ‘volwassen’ toestand.

Donkergroen optimisme

Het idee van een ‘groene economie’ wordt steeds meer geassocieerd met multinationals die het marktdenken willen gebruiken om milieubeleid in te kapselen. Getransformeerd tot handelswaar is CO2 al veel minder schadelijk voor bedrijven dan als juridisch afdwingbaar uitstootplafond. Langs zulke wegen wordt onze toekomst een veilinghal, waar zowel goedbedoelende als gokverslaafde partijen een bod mogen uitbrengen. Dat is een ongewisse toekomst, waarin veel bij hetzelfde blijft, behalve de leefkwaliteit op aarde.

Ik kies - en dat is ook optimistisch, zeg ik tegen Bart Snels - voor een toekomst waarin materiële groei onbelangrijk is geworden, en waar we onze vooruitgang en welbevinden putten uit betaalde en onbetaalde vormen van dienstverlening. Dat is een samenleving waarin technologisch vernuft ongelooflijk veel mogelijkheden biedt, maar waarin we ook de banden met de natuur hebben aangehaald. Wij groenen moeten ons als bondgenoten opstellen van de echte vernieuwers en kritisch zijn naar bedrijven en belangenorganisaties die hun bedrijvigheid willen veiligstellen door wereldwijd groengewassen lakens uit te delen. Tot slot dus nog maar het nieuwbakken gezegde: klein is het nieuwe groot.

Gerelateerde artikelen