4 minuten

Het Positief Pamflet: bouwstenen voor een links-progressieve partij?

Oproep tot en concrete voorstellen voor progressieve samenwerking op links.

 

In 2010 riep Femke Halsema op tot verdergaande progressieve samenwerking en vroeg ze de PvdA te kiezen voor een progressieve koers. Het Positief Pamflet doet een voorstel voor een dergelijke nieuwe links-progressieve koers, waarin GroenLinks’ers en PvdA’ers zich zouden kunnen herkennen. Aanleiding voor het essay is een breder levend gevoel dat links achterhaalde verhalen vertelt. Doelstelling van de nieuwe ideeën in het Positief Pamflet is om mensen te ondersteunen in hun zelfstandigheid, vrijheid en vooruitgang.

Het recente debat ‘Toekomst voor Links’ in De Balie bewees opnieuw dat onze partijen grote overeenkomsten hebben qua standpunten en wensen van de achterban. De nadruk leggen op het verschil tussen GroenLinks en de PvdA, door prioriteit te geven aan ‘groen’ of aan ‘arbeid’, is conservatief schuttersputjesgedrag en brengt een linkse samenwerking niet verder. Wat wel helpt is op zoek gaan naar nieuwe ideeën voor de linkse politiek, die passen bij de veranderde, moderne wereld. Ontwikkelingen als individualisering, toegenomen opleidingsniveau, ontkerkelijking, emancipatie, digitalisering, globalisering en migratie vragen om een nieuw progressief verhaal. Dit Positief Pamflet probeert op basis van gedeelde, linkse idealen en inhoud vooruit te kijken.

Drie observaties vormen het uitgangspunt voor het pamflet. De eerste observatie is dat de moderne burger vaker zelfstandig opvattingen ontwikkelt en zelf(bewust) zijn of haar beslissingen neemt. De gegroeide individuele mogelijkheden zijn de verworvenheid van de vooruitgang in de laatste decennia, waarin welvaart, kennis, onderwijs, emancipatie, digitale technologie en informatie-uitwisseling toenamen en de middenklasse groeide. Progressieve partijen moeten hier meer rekening mee houden. Mensen mogen niet het gevoel krijgen dat, terwijl ze in de 21ste eeuw meer mogelijkheden en vrijheid hebben dan ooit, door ouderwetse barrières beschermd worden of zelfs nieuwe obstakels opgeworpen krijgen.

De tweede observatie is dat de afstand tussen onze politiek en bestuur en de (middelbaar- en lager opgeleide) inwoners van ons land is gegroeid en dat deze ‘Opleidingskloof’ kleiner moet worden. De posities in onze politiek, ambtenarij en het bedrijfsleven worden grotendeels vergeven op basis van de hoogste diploma’s. Omdat in onze moderne samenleving hoogopgeleid en laagopgeleid elkaar bijna niet meer ontmoeten en weinig met elkaar praten, wordt dit problematisch. Deze moderne klassenmaatschappij komt niet alleen tot uiting in groeiende sociaal-economische gezondheidsverschillen, maar ook in overheidsbeslissingen. Dat vraagt om een links-progressieve politiek om onze democratie te vernieuwen, zodat de (veronderstelde) rationaliteit en efficiëntie meer menselijk en sociaal tegenwicht krijgen in besluitvorming.

De derde observatie is dat de normen en waarden waarop solidariteit gebouwd is beter bewaakt moeten worden. Weliswaar maken collectieve voorzieningen samenlevingen gelukkiger, maar solidariteit is (onder niet-linkse mensen) alleen vanzelfsprekend onder mensen die elkaar spreken, begrijpen en naast een identiteit bepaalde belangen delen. Het vraagt binding om individuele risico’s collectief te delen en om te accepteren dat de minderheid één op één profijt zal hebben van een op solidariteit gebaseerde regeling. Omdat sociale voorzieningen zowel waardevol als kostbaar zijn, wordt van mensen die dat kunnen arbeid(sethos), wederkerigheid en een solidariteitsbijdrage verwacht. Het draagvlak voor solidariteit zal de komende jaren onder druk staan door de vergrijzing, de opleidingskloof en de multiculturele samenleving, die Nederland met tweehonderd nationaliteiten is én blijft. Meer aandacht voor binding is onontbeerlijk.

Vervolgens presenteert Het Positief Pamflet zeventien links-progressieve ideeën om zelfstandigheid, vrijheid en vooruitgang van mensen te ondersteunen:

 1 Ontlast het spitsuur van het leven: bied meer maatwerk aan werkende ouders;
2 Bezie traditionele arbeidsmarktinstituties op hun bijdrage aan de moderne samenleving;
3 Herzie het jeugdminimumloon en geef flexcontracten een risico-opslag;
4 Moderniseer de polder: een stem voor zzp’ers en een ‘vakbondsbonus’;
5 Een Ondersteunende Staat als ‘vrijheidsmachine’ met een basisinkomen;
6 Investeer 10% BBP in innovatie en verlaag de lasten en risico’s voor het mkb;
7 Introduceer een scholingsrecht, een opleidingsplicht en een ‘dubbel’ leerrecht;
8 Laat de (Europese) Staat investeren om de markteconomie te ondersteunen;
9 Stimuleer werk, gelijkheid en groei; belast vermogen, vervuiling en oversparen;
10 Verklein de ‘Opleidingskloof’: meer kiezers en meer democratische keuze;
11 Werk aan groene energie, elektrische mobiliteit en een circulaire economie;
12 Creëer gelijkere startposities: kinderen vanaf 2 jaar naar een gemengde (voor)school;
13 Beter onderwijs: universitair opgeleide leraren en beloning voor uitmuntende studenten;
14 Geef de wijkagent een ‘buitentoeslag’: zonder veiligheid geen individuele vrijheid;
15 Behandel straatcriminelen en kapitaalcriminelen gelijk: geen klassenjustitie;
16 Bewaak de rechtmatige huur van sociale woningbouw en voorkom ‘getto
s’;
17 Ondersteun integratie: immigratie met baankans, snellere procedure en taalplicht.

 

Het hele pamflet is hier te lezen.

 

Reacties

Hans Marskamp

Hier wordt wel echt in tradiitionele oplossingen van de oude politiek gedacht.
Ik mis zaken als een basisinkomen, andere economie

Age Kamermans

Politiek
Een klassieke definitie van politiek zoals ooit verwoord door David Easton (1967), stelt
dat politiek betrekking heeft op “de gezaghebbende toebedeling van waarden voor de
samenleving als geheel”; dit alles in het licht van de maatschappelijke opgaven waarmee
een samenleving als politieke gemeenschap worstelt (Stone, 2003).
David Easton (Toronto, 24 juni 1917) is een Canadese politieke wetenschapper. Hij ging naar de Verenigde Staten in 1943 en is momenteel Distinguished Research Professor in het Department van Politieke Wetenschappen aan de Universiteit van Californië - Irvine.Na zijn studies aan de Universiteit van Toronto ging hij studeren aan de Harvard-universiteit waar hij zijn PhD behaalde in 1947.Hij is een voormalig voorzitter van de American Political Science Association en was lange tijd actief in de American Academy of Arts and Sciences.Hij is onder andere bekend voor zijn boek The Political System uit 1953 en van zijn definitie van politiek als "authoritative allocation of values". Ook staat hij bekend voor zijn toepassing van de systeemtheorie op de politieke wetenschappen. Hij is ook een van de bedenkers van de theorieën behavioralisme en post-behavioralisme.

Wij staan aan de winnende kant!
Bisschop Tutu

Er dient een heroriëntatie en herwaardering van links te komen. (Herbronning zoals ze bij het CDA zeggen.) Linkse waarden moeten opnieuw gedefinieerd worden, wortelend in de traditie van de linkse geschiedenis en met het oog op de toekomst. Niet als blauwdruk voor Utopia, maar als uitgangspunt voor het uitwerken van ideeën en concrete voorstellen voor het inrichten van de samenleving. Dit is een dynamisch proces; de samenleving is nooit af en mensen blijven zich ontwikkelen in veranderende omstandigheden. Kernwaarde van links is solidariteit. Solidariteit is betrokkenheid, verbonden zijn, voor elkaar opkomen, samenleven. In de meest brede zin. Tussen generaties, volken, gezonden en zieken, hoog- en laaggeschoolden, mannen en vrouwen, mensen met verschillende huidskleur, etcetera. Ook belangrijk zijn waarden als gelijk(waardig)heid, eerlijk delen, vrijheid tot zelfontplooiing, rechtvaardigheid, democratie, duurzaamheid, emancipatie, diversiteit.

Links keert zich tegen het financieel-economische kapitalistische systeem, waarin de vrijheid en de welvaart van de één ten koste gaat van die van de ander en dat de oorzaak is van de huidige crisis. Linkse politiek stelt de mens en de menselijke maat centraal.

Het politieke spectrum als geheel is in de laatste jaren sterk richting ‘rechts’ opgeschoven. Dat laat nauwelijks ruimte voor politieke visies die nog geïnspireerd worden door de bevlogenheid, die tijdens de Verlichting met revolutionaire omwentelingen geassocieerd werd. Wie gelooft nog werkelijk in alternatieven – niet op individuele issues of programmapunten, maar in een meer omvattende zin? Welke politieke partij geeft niet toe aan het platte ‘realisme’ dat er toch stemmen getrokken moeten worden, en dat de neoliberale economie bovendien zo slecht nog niet is als we er een paar scherpe kantjes van af krijgen?
Zet het Neo-liberalisme onze (linkse) solidariteit onder druk? Zorgt het neo-liberalisme juist niet voor het in stand houden van de solidariteit?
En hoe dan?
Langs twee lijnen:
1. Het verkleinen en vermarkten van de overheid;
2. Het beperken van de kosten (lees overheidsuitgaven) voor de zorg en de pensioenen.

Het opnieuw definiëren van wat (linkse) solidariteit inhoudelijk is weinig zinvol in termen van politiek gewin. Beter is het om te bepalen wat de voorwaarden zijn voor solidariteit.
• Waar is solidariteit op gebaseerd?
• Wat moet er gebeuren om de linkse solidariteit weer inhoud te geven?
• Welke voorwaarden voor solidariteit moeten worden ingevuld in de Nederlandse samenleving?

Het falen van de solidariteit van de mens tot de andere komt voort uit dit afschuiven van verantwoordelijkheid.
Een nevengevolg van dit gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef is de onbeheersbaarheid
van sommige collectieve uitgaven en het risico van onbetaalbaarheid, zeker in een tijd
van tragere economische groei en van demografische inzinking. Het uiteenvallen van de banden
in lokale leefgemeenschappen hebben dit gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef mee in de hand gewerkt, naast de uitwassen van een consumptiesamenleving en verstedelijking.
Er is sprake van een tekort aan gemeenschappelijke identiteit en besef voor gemeenschappelijk belang.
Solidariteit vraagt van mensen een gemeenschappelijk belang te onderkennen. De wil om offers te brengen voor het gemeenschappelijk belang. Daartoe zijn veel mensen best bereid op voorwaarde dat ze zichzelf herkennen als lid van die gemeenschap. Gemeenschappelijk beleefde identiteit is dus een voorwaarde voor een solidaire samenleving. Ook de neoliberale wind vaart op die kracht. Daar leeft de opvatting, dat daardoor de solidariteit wordt versterkt. Ten eerste door het beleid te begeleiden met de boodschap, dat mensen met een andere identiteit zich tegen het gemeenschappelijk belang keren van de “hardwerkende Nederlander”.
Ten tweede is daar de boodschap, dat de “hardwerkende Nederlander”in zijn ambities wordt belemmerd door de overheidsbemoeienis. Dus niet nivelleren.

De solidariteitsgedachte is een drijvende kracht achter rechtse politiek en de neoliberale agenda. De linkse opvatting over solidariteit sluit niet aan bij het brede gevoelen in onze samenleving.
Door het besef weer tot ons te laten doordringen wat eigenlijk de voorwaarden zijn voor solidariteit en hiernaar te handelen in de politieke praktijk kan de linkse solidariteitsboodschap weer steun hervinden, om zo de neoliberale politieke macht terug te dringen.
Neoliberalisme wordt geassocieerd met materialisme en individualisme. De nieuwe uitdaging is juist immaterieel, ethisch en collectief, namelijk het aanspreken en mogelijk deels creëren van de gemeenschappelijke Nederlandse identiteit. Als je een positieve reactie op de oproep tot solidariteit wilt, dan is de belangrijkste toekomstvraag: solidariteit, doen we samen, maar wie zijn WE dan eigenlijk?

Verschuif de aandacht in je politieke boodschap als GroenLinks weer naar bindende normen, gedeelde cultuur en de gemeenschapsgedachte, waarbij rechtvaardigheid, compassie en eigen verantwoordelijkheid worden uitgesproken en beleefd.
De nieuwe uitdaging voor solidair links. Zonder gemeenschappelijkheid geen solidariteit.

Liggen hier kansen voor GroenLinks?

Politieke partijen hebben een grote samensmelting ondergaan: ze zijn inhoudelijk samengesmolten en hun verschillen zijn miniem geworden. Ze verschillen niet langer werkelijk ideologisch-inhoudelijk, maar alleen op procenten, in kwantitatieve kenmerken van de oplossingen die ze aandragen voor in stukken gehakte problemen. Onder condities van depolitisering is politiek verworden tot probleemmanagement. De diagnose ‘depolitisering’ is niet slechts een beschrijving van de situatie waarin ‘rechts’ aan de macht is. Integendeel, depolitisering is een verschijnsel, dat al bij Paars, dat de eenheid van politieke tegenstellingen belichaamde, expliciet werd. Bovendien is het nu juist een beschrijving van het gebrek aan alternatief, dat voor de huidige rechtse machthebbers geboden wordt op ‘links’. Depolitisering is de reductie van politiek tot probleemmanagement waarin juist die fundamentele ideologische strijd verdwijnt. Waarin niet langer expliciet utopische toekomstvisies met elkaar strijden en waarin niet langer vragen van solidariteit en rechtvaardigheid aan bod komen.

Partijen die geen ideeën hebben, moeten verdwijnen. De partijstructuur spreekt sowieso niemand meer aan in het tijdperk na de verzuiling. En partijen die ideeën zoeken om te kunnen overleven, zetten de boel op zijn kop: je hebt ideeën, en dus ben je het potentieel waard als politieke partij te overleven. Zodra de ideeën weg zijn, is er niets van waarde in een partij om te overleven. Het bestaan van een politieke partij zelf is geen reden voor voortbestaan. Dat is een schaamteloosheid die expliciet wordt, vooral bij partijen als CDA en PvdA, wanneer commissies in het leven geroepen worden die moeten nadenken over de vraag waar de partij in vredesnaam voor staat. Politieke partijen, als alle organisaties, worden gekenmerkt door een vorm van goal displacement: ze gaan als eerste doel hun eigen overleven zien. Maar in een democratie zou een partij meer fluïde moeten zijn. Ook of juist een partij als GroenLinks. Zodra de ideeën op zijn, is het zaak plaats te maken voor nieuwe mensen of nieuwe partijen, in plaats van een stelsel te bezetten en zendtijd in te nemen die voor betere doeleinden gebruikt kan worden.
Niet het revitaliseren van GroenLinks, maar revitalisering van het streven naar alternatieven moet ons streven zijn. De vraag is dan bijvoorbeeld niet hoe we de trein van onze economische ordening rijdend kunnen houden, want het is bekend dat die gebaseerd is op een eeuwige snelheidstoename die niet vol te houden is, maar hoe hem te stoppen zonder dat de schok daarvan ons fataal wordt. Want de trein waar we op zitten, is niet langer die van de moderne Vooruitgang, het is een doelloos voortrazende trein, en het is tijd om over te stappen op andere voertuigen van het collectief. Dat roept vragen op naar alternatieven in de manier waarop handelgedreven kan en mag worden, in de manieren waarop mondiale interdependenties asymmetrisch uitpakken, wat rechtvaardigheidsvragen oproept die momenteel in de politiek zelden gesteld worden.

Menselijke drijfveren zijn steeds een mengeling van egoïsme en altruïsme, van persoonlijk machtsstreven en dienstbaarheid aan de andere. Aan al deze gevoelens ontsnapt ook de politicus niet. Er bestaat voor elke politicus de neiging de afweging tussen beginselen en macht te doen uitkomen in het voordeel van de macht omdat er van de macht een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitgaat.

Die neiging is voortdurend aanwezig bij iedereen die politieke ambitie heeft, maar vooral bij diegenen die politieke verantwoordelijkheid dragen. Wellicht is deze verleiding veel groter dan bij voorbeeld gebruik maken van de politiek om zich te verrijken. Bij sommigen neemt in dit verband het cynisme met de leeftijd toe als gevolg van allerhande ervaringen. Anderen kennen precies de omgekeerde ervaring omdat zij de relativiteit der dingen steeds meer inzien. Het dilemma tussen behoud of veroveren van de macht en het hoog houden van beginselen is een altijd aanwezig moreel dilemma.

Politiek heeft noodgedwongen te maken met macht. Het heeft niet dikwijls zin te vroeg of te laat gelijk te hebben bij de kiezers in een politieke democratie. Dan is men ofwel profeet ofwel historicus. De politicus moet het vertrouwen van de mensen van zijn tijd hebben wil hij over de politieke middelen beschikken om iets te kunnen realiseren in de samenleving. Hij dient aan te sluiten bij de gemeenschap. In dit verband moet hij streven naar een maximalisatie van stemmen zoals een ondernemer om te overleven moet streven naar een maximalisatie van de winst. Voor beide gelden evenwel ethische randvoorwaarden (cf. het zogenaamde ethisch minimum).
Keuzen gaan dikwijls over het ‘minste’ kwaad in plaats van de ethische uitgangspunten .
Ethiek heeft trouwens altijd betrekking op de ‘andere’.
Hiertegenover staat de machiavellistische traditie van de politiek als brutaal streven naar macht, als
een techniek van manipulatie van mensen. Zo’n partij wil GroenLinks niet zijn. Wij staan aan de winnende kant!

“de gezaghebbende toebedeling van waarden voor de samenleving als geheel” David Easton

Rinus van Schendelen, hoogleraar politicologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.
'Groen' heeft een fantastisch hoogtepunt gehad, maar is over zijn cyclus heen. Dat zie je ook aan het beleid en aan natuur- en milieugroepen, die hebben met een snel afkalvend ledenbestand en dalende inkomsten te maken, aldus Van Schendelen.

De andere helft van de partijnaam, Links, heeft veel concurrentie van andere partijen. 'Ze moeten herstellen. En het is de vraag of de combinatie van groen en links wel zo verstandig is. GroenLinks moet zichzelf opnieuw uitvinden. De problemen zijn veel fundamenteler dan de perikelen van de afgelopen tijd, constateert Van Schendelen.‘Dan moet je jezelf opnieuw uitvinden', zegt de hoogleraar, die denkt dat de partij het best aansluiting zou kunnen zoeken bij de delen van de VVD en CDA die ook 'op groen zitten'.
Over de gang van zaken de afgelopen weken is Van Schendelen duidelijk: net zoals anderen spreekt hij van amateurisme. Hoewel de crisis bij GroenLinks niet uniek is, noemt hij het een vrij uitzonderlijk verschijnsel. 'Meestal is het management zodanig dat het de angels al in een vroeg stadium herkent.' Het bestuur is volgens hem dan ook terecht afgetreden. 'Het heeft zelf de zaken niet onder controle gehad en was deels zelf de oorzaak van de problemen.'

Zo was er het 'gedoe' rond Tofik Dibi en het besluit over de Afghanistan-missie en later het Lenteakkoord. 'Het bestuur had aan nazorg moeten doen. De partij heeft nog steeds verschillende bloedgroepen, dat bleek ook bij de missie, waar het pacifistische deel tegen was. Het bestuur had oplossingen moeten zoeken voor degenen die er manifeste bezwaren tegen hadden.' Het bestuur was volgens Van Schendelen ook nogal formalistisch: 'Wij zijn aan de macht, wij beslissen.'

Amateurisme is volgens hem geen verwijt: 'We moeten ons wel realiseren dat de democratie gedragen wordt door liefhebbers, het deftige woord voor amateurs. Dat doen ze naar vermogen en met goede bedoelingen, daar hoeven we niet over te twijfelen.'

Op korte termijn moet GroenLinks eerst gaan bespreken wat er fout is gegaan, denkt Van Schendelen. 'En dan moet je elkaar respecteren, ook al ben je boos op elkaar. Je moet begrip tonen. Daar kan je minimaal een jaar voor uittrekken. En ze moeten zo snel mogelijk vooruit gaan blikken naar de ontwikkelingen in het politieke landschap, ook in de Europese landen die met ons te vergelijken zijn en waar groene en linkse partijen in de verdrukking zijn geraakt.'

Maarten van Poelgeest, wethouder van GroenLinks in Amsterdam, vindt dat GroenLinks een fundamentele discussie over de partij moet aangaan. 'We moeten praten over wie we zijn, wat zijn onze idealen en hoe geven wij die vorm', aldus Van Poelgeest. Misschien moet er wel gedacht worden over een andere naam of samenwerking met een andere partij, aldus de wethouder. 'We moeten niets uitsluiten.'
Eerder pleitten onder anderen oud-prominenten Ineke van Gent en Joost Lagendijk al voor een dergelijke discussie.

Onder partijleden lijkt weinig enthousiasme om het bestaansrecht van de partij ter discussie te stellen. 'Ik ben daar helemaal klaar mee', aldus een lid. Maar ook prominente leden als Marijke Vos twijfelen niet aan het bestaansrecht van de partij. Die heeft volgens haar een unieke positie door groen en links te verbinden en een fusie met de PvdA ziet zij 'absoluut niet zitten'. De partij moet tot rust komen en een nieuwe start maken, is haar oordeel.

Daphne Meijer

Interessante gedachten, maar het venijn zit helemaal in de staart, in het laatste woord van de allerlaatste regel.

"Taalplicht".

Zolang GL in het model blijft denken van plicht plicht plicht voor migranten, zal het niets worden. Niets met de doorstroming van migranten en mensen met een migratie-achtergrond in de partijorganisatie, niets met de kiezers met een migratie-achtergrond, niets met de visie van GL op onze superdiverse interculturele samenleving.

Zolang migranten mensen zijn die in een disciplinering moeten, opgelegd door de staat en gecontroleerd door de staat en gestraft door de staat, diezelfde staatsbemoeienis en -repressie we voor onszelf afwijzen met ons basisinkomen en hyperindividuele zelfontplooiing, zolang dat blijft door etteren wordt het niks.

Jorein Versteege

Al die punten van GroenLinks zijn slechts symptoombestrijdingen. Denken ze nu echt dat de kapitalistische elite deze idealen zullen accepteren. Het neoliberalisme is puur ontstaan omdat de kapitalisten genoeg hadden van hun historische deal met de sociaal democratie. PvdA, GroenLinks en SP spelen steeds op compromispolitiek, terwijl rechts keihard blijft eisen dat links het kapitalisme blijkt steunen. Dat hoort links echter niet te doen. 2/3 van GroenLinks behoort ooit tot anti-kapitalistisch links, dat je daar 2015 niets meer van terug ziet, ligt in het verraad van GroenLinks aan het socialisme, wat helaas een trend was binnen politiek links. Revolutionair socialisten zoals ik pleiten voor de oprichting van een arbeiderspartij op een socialistisch programma dat pleit voor een socialistisch Nederland in een socialistisch Europa!

Reactie toevoegen

Gerelateerde artikelen