14 minuten

Is hervorming van de arbeidsmarkt wel zo wenselijk?

Een essay over het onderschatte nut van beschermde insiders

Flexibilisering van de arbeidsmarkt leidt volgens Alfred Kleinknecht niet tot meer werkgelegenheid. Het versterkt wel sociaal-economische ongelijkheid. En het is slecht voor innovatie.

In 2006 verrasten Ineke van Gent en Femke Halsema in ‘Vrijheid Eerlijk Delen’ met de eis tot versoepeling van het ontslagrecht. Bij VNO-NCW haastte men zich met het compliment dat GroenLinks met dit manifest tot een ‘serieuze gesprekspartner’ in het Polderoverleg was gepromoveerd. Alleen de vakbondsvleugel van GroenLinks zat te mopperen. De eis voor het openbreken van de positie van ‘insiders’ op de arbeidsmarkt kan vanuit de neoklassieke economische theorie ijzersterk worden beargumenteerd. Onze kritiek luidt echter dat de neoklassieke theorie geen theorie heeft van innovatie en leerprocessen. Vanuit innovatie perspectief kan men ook heel anders argumenteren: soepeler ontslag maakt meer kapot dan je lief is!

De roep om flexibilisering van arbeidsmarkten

De roep om flexibilisering berust op een vrij eenvoudig maar krachtig micro-economisch model van de arbeidsmarkt: voor arbeid geldt hetzelfde als voor gewone goederen – als ze goedkoper worden, verkoop je er meer van. Als er werkloosheid is, dan is het aanbod van arbeid groter dan de vraag en dan moet de prijs van arbeid omlaag. De klacht van de neoliberalen is dat dit niet kan omdat de arbeidsmarkt (nog) niet als een echte ‘markt’ werkt. Er zijn namelijk boosdoeners die de (neerwaartse) aanpassing van lonen tegenhouden:

  • De macht van vakbonden die met hun Cao’s een prijskartel op de arbeidsmarkt hand­haven dat ondersteund wordt door het algemeen verbindend verklaren van Cao’s.
  • Hoge minimumlonen en minimum uitkeringen waardoor vooral laaggeschoolden lastig aan de slag komen.
  • Een star ontslagrecht waardoor de hoeveelheid arbeid niet goed ‘mee ademt’ met de conjunctuur. Bij soepel ontslag zouden werkgevers ook makkelijker mensen in dienst nemen.
  • Het rigide ontslagrecht beperkt de macht van de werkgever over de werknemer en is dus slecht voor het ondernemingsklimaat. Het beschermt bovendien ‘insiders’ tegen ‘outsiders’.

Bolkestein heeft het ooit (ongeveer) als volgt geformuleerd: het ‘rigide’ Rijnlandse model van de arbeidsmarkt moet opschuiven in de richting van het ‘flexibele’ Angelsaksische model waar de arbeidsmarkt als een echte ‘markt’ functioneert. Uit de literatuur blijkt dat het Rijnlandse model een sterke bescherming van arbeid kent en een zwakke bescherming van aandeelhouders; in het Angelsaksische model is dat andersom (Hall & Soskice, 2001).

Varieties of capitalism
De verschillen in arbeidsmarkt instituties tussen het Rijnlandse en het Angelsaksische model hebben consequenties voor economisch gedrag. Vergeer & Kleinknecht (2011) hebben systematisch twee groepen landen (typisch Rijnlands versus typisch Angelsaksisch) naast elkaar gezet en economische prestaties vergeleken. Opmerkelijke verschillen zijn de volgende:

  • De verschillen in arbeidsmarkt instituties vertalen zich in een meer gematigde loonontwikkeling in de Angelsaksische landen vergeleken met de Rijnlandse. Flexibel ‘Hire & Fire’ werkt disciplinerend op arbeid en zorgt voor ‘automatische’ loonmatiging.
  • Ondanks dat de reële lonen in de Angelsaksische landen langzamer stijgen, vindt men geen verschil in de groei van het Nationaal Product. Het is ook niet zo dat de Angelsaksische landen succesvoller internationaal concurreren – integendeel!
  • De Angelsaksische landen scheppen meer banen per 1% groei van hun Nationaal Product; dit komt doordat zij minder groei hebben van hun arbeidsproductiviteit. Met minder winst in efficiency, heb je meer handen nodig.
  • Ten slotte blijkt uit econometrische analyses, dat ieder procent (meer) minder loongroei zich vertaalt in ongeveer 1/3 procent (meer) minder groei van de arbeidsproductiviteit (= de groei van de toegevoegde waarde per arbeidsuur).

Andere studies op landenniveau komen tot soortgelijke conclusies. Zo vinden Storm en Naastepad (2009) in een onderzoek over 20 OESO-landen (in de periode 1984-2004) dat landen met ‘starre’ arbeidsmarkten een statistisch significant hogere groei van de arbeidsproductiviteit kennen dan landen met flexibele arbeidsmarkten. Indirecte steun voor deze bevindingen met andere databronnen vindt men bij Buchele & Christiansen (1999) Auer, Berg & Coulibaly (2005), Dew-Becker & Gordon (2008), Koeniger (2005) of Acharya, Baghai & Subramanian (2010). Onze conclusie is dat ‘versoepeling’ van het ontslagrecht de groei van de arbeidsproductiviteit hoogstwaarschijnlijk zal schaden. Soortgelijke uitkomsten vindt men ook met econometrische schattingen op bedrijfsniveau. Bedrijven met veel flexibele krachten betalen lagere uurlonen dan bedrijven met meer vaste krachten. Flexibilisering draagt dus bij aan loonmatiging. De omzet van de ‘flexibele’ bedrijven groeit desondanks niet harder. De reden is dat de flexibele bedrijven minder productiviteitsgroei boeken (zie Kleinknecht et al. 2006 voor Nederland en Lucidi & Kleinknecht 2010 voor Italië). Een lange lijst (case) studies uit de ‘human-resource management’ literatuur geeft steun aan deze bevindingen (zie o.a. Levine en D’Andrea Tyson 1990; Appelbaum et al. 2000; Storey et al. 2002).Overigens is het beeld op landenniveau over de laatste 10-15 jaar aan het schuiven. In veel Europese landen zijn intussen stappen gezet naar een meer flexibele arbeidsmarkt en zijn de groeivoeten van de arbeidsproductiviteit aan het dalen. Anderzijds, na een decennialange periode van lage productiviteitsgroei (vergeleken met Europa) hadden de VS na 1995 ineens weer een hogere productiviteitsgroei, dankzij ICT. Door gericht industriebeleid is de ICT sector in de VS sterker dan in Europa. ‘Industriebeleid’ is overigens in de VS taboe, maar het mag als men het ‘National Defence’ noemt: genereuze sponsoring van universitair onderzoek en omvangrijk aanschafbeleid door het Pentagon stonden aan de basis van het succesvolle ‘Silicon Valley’ model. Verder zien we een hoge productiviteitsgroei in de groot- en detailhandel (Wal-Mart), de financiële sector (Wall Street) en in de software sector door schaaleffecten dankzij de grote Amerikaanse binnenmarkt. Een deel daarvan was overigens ‘fictief’: we weten nu dat de ‘productiviteit’ van de financiële sector zwaar is overschat. Dit brengt ons bij een gerelateerd verschijnsel: de hoge economische groei in VS (1995-2007) werd dikwijls geïnterpreteerd als bewijs dat flexibele arbeidsmarkten goed zijn voor economische groei. Nu weten we dat deze hoge groei vooral zeepbel gedreven was (Maki & Palumbo 2001; Palley 2009; Irvin 2011).

Flexibilisering leidt niet tot minder werkloosheid…

Het zal voor veel lezers als een verrassing komen, maar in de ‘flexibele’ Angelsaksische landen is de werkloosheid gemiddeld genomen niet lager dan in de ‘rigide’ Europese landen (Storm en Naastepad 2009). De gemiddelde werkloosheid in de Angelsaksische landen (Australië, Canada, Groot-Brittannië en de VS) bedroeg 8.5% van de beroepsbevolking in de periode 1984-2004, terwijl de werkloosheid in de Continentaal Europese landen (België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, en Zwitserland ) 7.9% bedroeg. Cijfers van het US Bureau of Labor Statistics voor de periode 1970-2010 wijzen in dezelfde richting. Het ‘rigide’ Europa scoort dus niet slechter dan het ‘dynamische’ Amerika als het gaat om werkloosheid. Dit is ook de conclusie van Hall & Soskice (2001). Er bestaat dus geen verband tussen de mate van arbeidsmarktregulering (de ‘rigiditeiten’) en de mate van werkloosheid zoals door rechts wordt beweerd. Dit blijkt ook uit nauwgezet econometrisch onderzoek van bijvoorbeeld Baccaro & Rei (2007), Baker, Glyn, Howell & Schmitt (2005), Howell et al. (2007), Vergeer (2010) en Storm & Naastepad (2011).

…maar wel tot meer ongelijkheid…

De flexibele Angelsaksische arbeidsmarkten creëerden vooral meer inkomensongelijkheid. Nergens in de rijke OESO-landen is de ongelijkheid zo sterk toegenomen als in de VS en de andere Angelsaksische landen. In de VS nam het aandeel in het Nationaal Inkomen van de top-10% toe van 33% in 1976 naar 50% in 2007 en het aandeel van de rijkste 1% steeg van 8.9% in 1976 naar 23.5% in 2007. De ongelijkheid in niet-Angelsaksisch Europa nam veel minder toe (Atkinson, Piketty and Saez 2011). Het grote verschil tussen het Angelsaksische en het Rijnlandse model zit hem dus vooral in de mate van ongelijkheid – en niet de mate van werkloosheid!

… en is slecht voor innovatie

Een soepeler ontslagrecht leidt onvermijdelijk tot een gemiddeld korter verblijf bij dezelfde baas. Dit komt niet alleen omdat de baas makkelijker ontslaat. Soepeler ontslag maakt ook werknemers mobieler; zo zullen werknemers als ze een conflict hebben op de werkvloer proactief werk zoeken en wellicht vertrekken, ook al zou hun werkgever hen helemaal niet hebben ontslagen. Waarom is deze hoge mobiliteit schadelijk voor innovatie en productiviteit?De belangrijkste punten op een rij:

  • Flexibel ‘hire and fire’ kost sociaal kapitaal: minder sociale binding, betrokkenheid en loyaliteit, waardoor meer ruimte ontstaat voor deloyaal en opportunistisch gedrag, zoals diefstal of het lekken van technologische en commerciële bedrijfsgeheimen. Dit laatste ontmoedigt investeringen in kennis en innovatie.
  • De geringere loyaliteit verhoogt de behoefte aan toezicht en controle. Het oprukken van Angelsaksische arbeidsverhoudingen gaat gepaard met fors groeiende managementlagen (Kleinknecht, Storm & Naastepad 2006). Zo heeft Paul de Beer (2001: 235) aangetoond dat in Nederland tussen 1973-98 het aantal ‘managers’ als percentage van de beroepsbevolking is gegroeid van 3% naar 6% - dit was niet toevallig de periode waarin een bedrijf als Randstand en fenomenale groei meemaakte. De meeste Europese landen doen het op dit moment nog met een aandeel van managers in de beroepsbevolking tussen 2 en 5%, terwijl de Angelsaksische landen allen boven de 10% zitten (Kleinknecht, Storm & Naastepad 2006).
  • Door kortere baanduren wordt het historische geheugen van organisaties zwakker en functioneren bedrijven minder als ‘lerende organisaties’.
  • Vanwege de kortere baanduur investeren bedrijven minder in scholing. Werknemers hebben nog wel belang bij scholing, maar dan in algemene vaardigheden die hun ‘employability’ op de externe arbeidsmarkt vergroten en veel minder in bedrijfsspecifieke kennis (bijvoorbeeld: veiligheidsvoorschriften).
  • Bij automatiseringsprojecten moet dikwijls gebruik worden gemaakt van de ervaringskennis van mensen die op dit moment (nog) het te automatiseren werk doen. Als deze mensen geen veilige ‘insider’ positie hebben, dan zullen ze deze kennis voor zichzelf houden. Wellicht zullen ze automatiseringsprojecten zelfs saboteren (Lorenz 1999).
  • Soepeler ontslag verandert de machtsverhoudingen in bedrijven. Wie makkelijker ontslagen kan worden, zal niet zo makkelijk (top) management beslissingen bekritiseren. Minder kritische feedback vanuit de werkvloer (en mensen die hun baas naar de mond praten) kan problematische management praktijken bevorderen. Soepel ontslag past goed bij het Amerikaanse model van de CEO die als machtige en onfeilbare leider de troepen commandeert. Met soepeler ontslag en een kortere WW-duur kunnen we het GroenLinkse ideaal van een ‘ontspannen arbeidsbestel’ echt vergeten.

Grotere fluctuaties in het personeelsbestand en verminderde sociale binding en loyaliteit pakken vooral negatief uit voor wat we in de literatuur het ‘routinematige’ innovatiemodel noemen. Volgens dit model danken bedrijven hun prestaties bij het beheersen van geavanceerde productieprocessen aan langdurige en stapsgewijze accumulatie van kennis (Maler­ba et al. 2000). Een deel van deze kennis is ‘tacit know­ledge’: slecht gedocumenteerde en persoonsgebonden ervaringskennis. Behoud en accumulatie van dergelijke kennis is gebaat bij continuïteit van personeel. De VS mogen sterk zijn in de ICT – een sector waar cumulatieve kennis een geringere rol speelde (althans in het verleden); echter, hun concurrentiepositie in industrieën met een ‘routinematig’ innovatiemodel is ronduit beroerd, getuige een importoverschot van 7-800 miljard dollar op jaarbasis. Overigens hebben Akkermans et al. (2007) laten zien dat de VS niet aantoonbaar beter zijn in radicale innovatie dan Europa. Om de Europese sterkte bij het routinematige innovatiemodel te behouden, moeten we zuinig zijn op onze insiders. Zij zijn het historische geheugen van organisaties; ze danken hun verdiencapaciteit aan hun geaccumuleerde bedrijfsspecifieke kennis. In een tijd waarin aandeelhouders en topmanagers snel rouleren en weinig loyaliteit aan bedrijven tonen, zijn beschermde insiders de enige partij die nog echt belang heeft bij de lange-termijn continuïteit van bedrijven.Laat ons ten slotte stilstaan bij het mensbeeld dat achter de eis van flexibilisering van de arbeidsmarkt staat. In de neoklassieke theorie heeft arbeid negatief nut; het loon heeft positief nut. Dus zullen nut maximaliserende werknemers voor zo veel mogelijk loon zo weinig mogelijk inspanning leveren. Ze hebben daarvoor ook ruimte, aangezien hun werk door de bazen veelal beperkt observeerbaar is. De enige manier om mensen goed bij de les te houden is dan de (latente) dreiging met flexibel ontslag. In dit soort typisch Noord-Amerikaanse theorie is geen plaats voor het idee dat mensen arbeidsvreugde kunnen hebben, dat arbeid gepaard gaat met zelfontplooiing of dat mensen een beroepseer zouden kunnen hebben en dus vanuit een intrinsieke motivatie hun best doen. Laat dit laatste nu net overeenkomen met GroenLinkse idealen!

Rechteloosheid Eerlijk Delen?

Maar moeten we niet de ‘outsiders’ een kans geven door de beschermde ‘insiders’ aan te pakken? Dit klinkt erg links, want men heeft te doen met mensen met precair werk aan de onderkant van de markt. De outsiders komen er niet in omdat de insiders de goede banen bezet houden. Impliciet is dit echter een tamelijk rechts argument: zorg dat de insiders ook eens moeten concurreren om hun baan! Meer angst om de baan zullen ze bij VNO een goed idee vinden. Er is toch veel te veel solidariteit! Het aanpakken van de insiders heeft overigens ook wat maoïstische trekjes. Mao heeft ooit de tegenstelling tussen arm en rijk opgeheven door de rijken ook arm te maken. Waarom kiest GroenLinks niet voor de sociaaldemocratische oplossing: probeer van de ‘outsiders’ zo veel mogelijk ‘insiders’ te maken, in plaats van rechteloosheid eerlijk te delen?

De aankomende vergrijzing leidt juist tot krapte aan werknemers. Dit biedt extra kansen om van outsiders insiders te maken.De kernen van de vakbeweging bestonden altijd al uit (relatief) beschermde insiders. De eerste vakbondsactivisten in Nederland waren niet toevallig Amsterdamse diamantwerkers. Zij onderscheidden zich van het lompenproletariaat door hun kwalificaties. Bij hen kon een baas niet zo makkelijk zeggen: voor jou tien anderen! De geschiedenis leert dat lompenproletariers vanwege de grote onderlinge concurrentie juist heel moeilijk te organiseren zijn – terwijl juist zij dat het hardst nodig hebben. De aanval op beschermde ‘insiders’ is dus ook een aanval op de kern van de vakbeweging!Als de werkgevers het pleidooi voor ‘modernisering’ van de arbeidsmarkt van harte ondersteunen, dan gebeurt dat niet omdat men begaan is met zielige outsiders. Het gaat domweg om macht op de werkvloer en om besparing op loonkosten.

De roep om versoepeling van het ontslagrecht is een voortzetting van de strategie van loonmatiging met andere middelen. Dit steunt binnen het kamp van de werkgevers de losers: bedrijven die incapabel zijn om innovatieve product-marktcombinaties te realiseren. Ondernemers die dit wel kunnen verdienen dermate goed dat ze niet zeuren om loonmatiging en lastenverlichting. Ondernemers die niet kunnen innoveren, raken verzeilt in de productie van standaard goederen (‘commodities’) waar de concurrentiedruk hoog en de winstmarges smal zijn; zij moeten vooral concurreren met ‘cost-cutting’. Er zijn aanwijzingen dat binnen het VNO ondernemers met een fixatie op kostenreductie meer invloed hebben dan innovatoren. Maar moet uitgerekend GroenLinks de losers onder de werkgevers tegemoetkomen?

Voetnoten 

Acharya, Viral V., Ramin P. Baghai & Krishnamurthy V. Subramanian (2010): Labor laws and innovation, NBER Working Paper 16484. Cambridge, MA: National Bureau of Eco­no­mic Research.

Akkermans, D., Carolina Castaldi, C. & Los, B. (2009): 'Do 'Liberal Market Economies' really innovate more radically than 'Coordinated Market Economies'? Hall and Soskice reconsidered', Research Policy 38 (1): 181-191.

Appelbaum, E., Bailey, T., Berg, P. & Kalleberg, A.L. (2000): Manu­fac­tu­ring advantage. Why high-performance work systems pay off. Ithaca, NY: Cornell Uni­ver­sity Press.

Atkinson, A., Piketty, T. & Saez, E. (2011): 'Top incomes in the long run of history', Jour­nal of Economic Literature 49 (1): 3-71.

Auer, P., Berg, J. & Coulibaly, I. (2005): 'Is a stable workforce good for pro­ductivity?', Inter­national Labour Review 144 (3): 319-343.

Baccaro, L. & Rei, D. (2007): 'Institutional determinants of unemployment in OECD countries: Does the deregulatory view hold water?' International Organization 61 (3): 527-569.

Baker, D., Glyn, A., Howell, D. & Schmitt, J. (2005): 'Labor market institu­tions and unem­ployment: a critical assessment of the cross-country evidence', in David Howell, ed ., Questioning liberalization: unemployment, labor markets and the welfare state, Oxford University Press, p. 72-118.

Beer, de P. (2001): Over werken in de postindustriële samenleving, Den Haag: Sociaal en Cul­tu­reel Planbureau, p. 335.

Breschi, S., F. Malerba & L. Orsenigo (2000): 'Technological regimes and Schumpeterian pat­terns of innovation', in: Economic Journal, Vol. 110: 288-410.

Buchele, R. & Christiansen, J. (1999): 'Labor relations and productivity growth in advan­ced capitalist economies' Review of Radical Political Economics 31 (1): 87-110.

Dew-Becker, I.& R. J. Gordon (2008): The role of labor-market changes in the slowdown of European productivity growth. NBER Working paper 13840. Cambridge, MA: National Bureau of Economic Research.

Hall, P.A. & Soskice, D. (2001): Varieties of Capitalism, Oxford University Press.

Howell, D. R., Baker, D., Glyn, A. & Schmitt, J. (2007): 'Are protective labor market insti­tu­tions really at the root of unemployment?', Capitalism and Society, Vol. 2 (1): 1-71.

Irvin, G. (2011): 'Inequality and recession in Britain and the US', Development and Change 42 (1): 154-182.

Kleinknecht, A., Oostendorp, R.M., Pradhan, M.P. & Naastepad, C.W.M. (2006): 'Flexible labour, firm performance and the Dutch job creation miracle' in International Review of Applied Eco­no­mics, Vol. 20, p. 171-187.

Kleinknecht, A., Naastepad, C.W.M. & Storm, S.T.H. (2006): 'Overdaad schaadt: Meer manage­ment, minder productiviteitsgroei' in Economisch Statistische Berichten van 8 september 2006, p. 437-440.

Levine, D. I. & D'Andrea Tyson, L. (1990): 'Participation, productivity and the firm's envi­ron­ment', in Alan S. Blinder, ed., Paying for productivity: a look at the evi­dence, Washing­ton, DC: Brookings Institution.

Lucidi, F. & Kleinknecht, A. (2010): 'Little innovation, many jobs: An econometric analy­sis of the Italian la­bour pro­ductivity crisis', in Cambridge Journal of Economics, Vol. 34(3): 525-546.

Lorenz, E.H. (1999), 'Trust, contract and economic cooperation', Cambridge Journal of Eco­no­­mics, 23(3), 301–316.

Maki, D. M. & Palumbo, M. G. (2001), Disentangling the wealth effect: a co­hort analysis of household saving in the 1990s, Washington, DC: Federal Reserve.

Palley, T. (2009): America's exhausted paradigm: macroeconomic causes of the finan­cial crisis and the great recession, New American Contract Policy Paper. Washing­ton, DC: New America Foundation.

Storey, J., Quintas, P., Taylor, P. & Fowle, W. (2002): 'Flexible employment contracts and their implications for product and process innovation', The International Journal of Hu­man Resource Management, Vol. 13 (1): 1-18.

Storm, S. & Naastepad, C.W.M. (2009): 'Labor market regulation and productivity growth: evi­dence for twenty OECD countries (1984-2004)' in: Industrial Relations, Vol. 48 (4), pp. 629-654.

Storm, S. & Naastepad, C.W.M. (2012), Macroeconomics beyond the NAIRU, Cambridge, MA: Harvard University Press.

Vergeer, R. & Kleinknecht, A. (2011): 'The impact of labor market deregulation on pro­duc­­ti­vi­ty: A panel da­ta analysis of 19 OECD countries (1960-2004)', Journal of Post-Keyne­sian Eco­­nomics, Vol. 33 (No. 2), p. 369-404.  

Gerelateerde artikelen