21 minuten

Lonely planet? (volledige versie)

De Nederlandse toerist als kuddedier.

Op 20 juni 2006 hield Menno Hurenkamp een inleiding over de toerist als kuddedier. Hij deed dat ter gelegenheid van de lectorale rede van Elke Enne - aan de Internationale Hogeschool voor Toerisme - over bezoekersstromen.

What are the Moors anyway?

We hebben net het beeld geschetst gekregen van een bezoeker die zijn eigen gang gaat, en die in goede banen geleid moet worden, en die verleid kan worden. Ik wil daar een ander beeld tegenoverstellen, dat ik niet baseer op beleidsgeoriënteerde noties over de functies van de ruimte maar op een paar feitelijke waarnemingen. De bezoeker of toerist is wat mij betreft een kuddedier uit de aard van de zaak. Ik wil tegenover het beeld van de moderne mens die door de enorme toegenomen reismogelijkheden ("de dood van de afstand"), het hoge tempo waarin al onze omgevingen echt of virtueel toeristisch worden ("reflexiviteit van het toerisme") altijd toerist is (en dus "post toerist") het beeld stellen van de Nederlander die bij voorbaat weet welke route voor hem geschikt is.

Het is niet makkelijk om dat te doen zonder flauwe grappen. Sterker, er is geen mensensoort die onbekommerder uitgescholden kan worden dan de toerist. Het beschrijven van het gedrag van mensen in den vreemde leidt onvermijdelijk tot groot vermaak of grote treurnis, afhankelijk van je geestesgesteldheid. Hoe dan ook komt de bezoeker er altijd bekaaid af, dom of ongeïnteresseerd, naïef of asociaal, met veel te veel aanwezig op een volkomen oninteressante plek (Disney World), of volkomen alleen en verdwaald op een interessante plek (de rosse buurt), als een object dat geld uit de zak valt te kloppen of als een kuilen gravend zoogdier, maar zelden of nooit als een verstandig of aangenaam burger. Meest pregnante voorbeeld uit eigen ervaring: het Amerikaanse meisje dat achter me in de rij stond voor het Alhambra, het Moorse paleis in Granada, een rij waar je voor moet reserveren om er in te staan, en die er na een half uurtje wachten genoeg van had, haar reisgenote voorstelde om weg te gaan onder het verzuchten: "what are the moors anyway?"

Mensen noemen zichzelf dan ook niet snel toerist–liever heten ze "reiziger", dat klinkt net wat avontuurlijker. De reiziger is alleen, de toerist is deel van de kudde. De reiziger voelt zich behaaglijk in een leeg kerkje, de toerist weet eigenlijk niet wat hij er zoeken moet. Maar ook wie niet op een package tour in drie dagen langs de hoogtepunten van de Europese cultuur gaat, staat snel bloot aan lastige kritiek. In Afrika zegt men tegen de reiziger: "Vertel, nu heb je blijkbaar zoveel geld en zoveel tijd tot je beschikking dat je kunt doen en laten wat je wilt, en dan kom je hier naar toe in plaats van te doen wat ieder fatsoenlijk mens zou doen, namelijk zijn familie opzoeken. Wat bezielt je om zomaar wat te gaan te reizen, niet om werk te vinden of om je zieke moeder op te zoeken, maar gewoon voor de lol, en bovendien, wat bezielt je om hier naar toe te komen waar eigenlijk niks te zien is, d'r is hier alleen maar zand, je zit hier midden in de Sahara, wij willen hier al jaren allemaal weg en jij komt hier naar toe?" Pas echt onbegrip ontmoette ik die keer dat ik was komen liften – dat je met het vliegtuig komt is vanzelfsprekend, maar weken onderweg om in het stof van Nouackchott, Mauritanië, te eindigen? Mijn antwoorden bevredigde de vragenstellers nooit. Dat iemand met mijn mogelijkheden ergens heen zou gaan "omdat het leeg is", "omdat het inspirerend is andere delen van de wereld, andere mensen te zien", "omdat ik behoefte aan afstand van mijn eigen leven heb" doorzagen ze vermoedelijk bewust of onbewust als kitsch, als nep of als bewijs van mentale ontsporing.

En dan nog, hoe avontuurlijk en op zoek naar eenzaamheid is die reiziger precies? Een kleine rondgang door Amsterdamse boekhandels leerde dat de meest verkochte reisgids daar de Lonely Planet is, gids voor off the beaten track vakanties. Dat zegt natuurlijk wat over vakantiegangers die boeken kopen en over Amsterdammers en hun vakantieplannen, maar het is toch te hopen dat de kopers zelf ook de ironie van de titel inzien: wie ze kent weet dat een grotere garantie om niet alleen, lonely, te zijn dan deze gids, die je keurig van het ene naar het andere verzamelpunt van "avonturiers" brengt is er niet.

Democratisch toerisme

Een opmerking over dat negatieve beeld van de toerist, dat ik zo makkelijk kan schetsen en dat u ongetwijfeld ook makkelijk herkent. Daarna ga ik verder over het kuddegedrag. Waarom is het zo makkelijk mopperen? Omdat de toerist in ons dagelijks taalgebruik meestal bezig is om een slechte imitatie te geven van wat ooit de Europese elite aan reisgedrag ontwikkelde. Ons referentiekader is bestaat uit verschijnselen als de tour d'Europe (meestal door Italië) langs de klassieke cultuur, een reisvorm die we kennen uit de 18e en 19e eeuw; het verblijf aan het strand van de bourgeoisie dat we kennen uit de 19e en het begin van de 20e eeuw; de cruises naar Indië voor de oorlog. De spot over de gekte aan de Costa Brava, rond de Trevi fontein in Rome of in de jungle van Thailand veronderstelt dat massa telkens bezig is dat gedrag te kopieren, dat de gewone mensen zich de onderscheidingstekens van de elite willen eigen maken, maar dat die massa dat doet zonder enige diepgang en zich daardoor eigenlijk constant belachelijk maakt. Je ziet er eigenlijk het latere onderscheid tussen de toerist en de reiziger al in terug. Maar dat dit onderscheid historisch gegroeid is berust op een misverstand, dat ik put uit een artikel van Ellen Furlough over het Franse toerisme. (Furlough, 2002) (John Urry (2002: p. 16- 26.) ontwikkelt min of meer hetzelfde argument voor Engeland.)

Het huidige toerisme is niet alleen ontstaan als commercieel antwoord op de behoefte van de gewone man om zijn groeiende financiële ruimte vorm te geven. Het recht op vakantie was in de jaren tussen de wereldoorlogen voor de vakbonden een wezenlijk onderdeel van de verzorgingsstaat in aanbouw. Andere mensen ontmoeten, reizen, de natuur leren kennen waren wezenlijke onderdelen van de eisen die de arbeidersbeweging stelde aan nieuwe arbeidscontracten. De zo verlangde tijd om uit te rusten, de betaalde vakantie die we nu zo vanzelfsprekend vinden, die zou heus niet gebruikt worden om te drinken en in de bioscoop te hangen – zoals de heersende elite vreesde. Die tijd zou, zo benadrukte de vakbeweging, worden gebruikt om betere mensen van de arbeiders te maken, beter geïnformeerd, en beter uitgerust om weer aan de slag te gaan natuurlijk. Daartoe werden gemeenschappelijke vakanties georganiseerd, in vakantiekampen aan zee en op het platteland. Sociale solidariteit door ontspanning, daar ging het om.

Het democratisch toerisme dat zo ontstond was een sociaal recht. (Overigens ontwikkelden in het Italië en Duitsland van de jaren dertig de dictatoriale regimes ook georganiseerde verzetjes voor de arbeiders.) De waarden die hier ontwikkeld werden – "even weg zijn", genieten van frisse lucht, op stap met de hele familie, op zoek naar comfort of juist escapistisch gebrek aan comfort, inspiratie opdoen door mooie dingen te zien – vielen in toenemende mate samen met de waarden die in het strikt commerciële of individualistische toerisme ontwikkeld werden. We gingen niet plotseling en masse op vakantie omdat we meer vrije tijd kregen, maar ook omdat er bewuste politieke keuzen gemaakt werden en sociale problemen gedefinieerd werden met het oog op die vakanties. Die vakantie als burgerrecht kwam de zich ontwikkelende toeristische industrie erg goed uit, dat wel, maar het punt dat ik hier wil maken is dat er niet één oervorm van high brow toerisme is, die gecorrumpeerd geraakt is door een industrie of door onnozele mensen, maar dat het toerisme is ontstaan door mensenhanden, en dat datgene waar we ons nu soms er over verbazen – ik althans in mijn pessimistische buien – ook stamt uit het streven naar een eerlijke verzorgingsstaat. Vandaar overigens ook dat je Amerikanen nog veelal over vakantie als een privilege hoort praten en Europeanen over vakantie als een recht, en vandaar ook die verbazing van de eerder genoemde Afrikanen. De spot heeft minder grond dan we geneigd zijn te denken.

De Nederlandse kudde

Nu sta ik even bij de Nederlandse cijfers stil. Wat doen wij toeristen en is daar echt geen peil op te trekken? Ik put wat cijfers uit het CBS vakantie onderzoek, ik kijk dus niet naar individueel gedrag maar werp een iets systematischer blik.

Op macro niveau bestaat er een sterke samenhang tussen economie en reisgedrag. Tegelijk met de groei van de economie in de jaren negentig groeit de afstand die de Nederlanders voor hun langere vakanties afleggen. In de jaren van grote voorspoed, 1995 tot 1999, verviervoudigt het aantal mensen dat naar Azië en Oceanie gaan voor langere vakanties; het aantal mensen dat naar traditioneel vakantieland nummer 1, Frankrijk, gaat voor de langere vakanties neemt dan (licht) af. Vakantieland nummer 2. Duitsland, ziet in die tijd geen daling, maar ook Oostenrijk en Griekenland hebben te lijden van de economische stagnatie. Na 2000, als het vertrouwen in de economie en ook de groei van de economie daalt zie je de omgekeerde trend: een snelle daling van het aantal reizen naar de andere kant van de wereld. Het aantal reizen naar Frankrijk komt dan even weer terug op het niveau van 1994. (CBS CV0 1992-2001) en gedurende de hele jaren negentig stijgt het aantal vakanties. Kortom, wanneer het goed gaat gaan er meer mensen verder reizen, wanneer de economie het af laat weten gaat men niet zo zeer minder reizen maar kiest men voor veiliger of bereisbaarder bestemmingen.

Net zoals de vorige wijsheid zal ook het feit dat leeftijd en inkomen krachtige voorspellers over vakantiegedrag zijn onmiddellijk bevestigd worden door iedere reisorganisatie: oud en rijk gaat vaker op vakantie dan jong en krap bij kas. Mensen met een inkomen tot 17500 euro hadden in 2004 1,87 korte vakanties en 1, 87 lange vakanties – dat is overigens de laagste inkomenscategorie, en dus als zodanig een redelijke vooruitgang ten opzichte van 50 jaar geleden, toen mensen uit die inkomenscategorie vermoedelijk 0,0 lange vakanties hadden en hooguit 1 korte. Mensen met een inkomen van 56.000 euro of meer hadden in 2004 2,06 korte en 2,15 lange vakanties. 55-64 jarigen hebben verreweg de meeste vakanties van iedere leeftijdsgroep; anderhalf keer meer dan 18 tot 24 jarigen of 25-34 jarigen. (CBS CV0 2000-2004).

Tenslotte nog een laatste vraag: hoe gaan we op vakantie, doen we dat alleen of in groepen, boeken we onze reizen zelf of laten we dat doen? Er lijkt onmiskenbaar een collectiviserende trend uit de data af te leiden. Over het aantal groepsreizen (geboekt via een reisbureau of iets soortgelijks) heeft het CBS pas data sinds 1998: maar sinds dat jaar stijgt het aantal dan ook fors, en beduidend sneller dan het aantal ongeorganiseerde reizen. Dat zijn dan geen groepsreizen in de meest letterlijke zin van het woord, maar feit dat is men op het kompas van organisatie een reis boekt. Het aantal mensen dat voor langere vakanties met eigen vervoer op reis gaat stijgt tussen 1992 en 2001 met 25%; het aantal mensen dat met overig vervoer gaat – dat zich dus voor vervoer afhankelijk maakt van derden – stijgt in die tijd met 57%. (CBS CV0 1992-2001) Men legt, met andere woorden, de verantwoordelijkheid in handen van "surrogaat ouders". (Urry: 2002, p.7) En hoewel ik me daarvoor alleen kan baseren op wat rondvragen onder reisleiders en andere subjectieve waarnemingen, durf ik te stellen dat het contact dat het merendeel van de toeristen met elkaar heeft oneindig veel groter is dan het contact met de lokale bevolking en dat 99% van het contact met niet-land of soortgenoten zich beperkt tot commerciële handelingen in hotels en taxis en bussen.

Waar het me hier om gaat is dat gedrag van de toerist op grote lijnen redelijk voorspelbaar is, en wordt dat wellicht eerder meer dan minder. Allicht ga ik hier op allerlei details niet in – afwegingen tussen plaatsen van bestemming en wat voor activiteiten daar te ondernemen en zo zijn er nog wel honderd overwegingen die mensen maken om hun vakantie echt tot de hunne maken – maar toch is over Nederland een voor iedereen herkenbaar beeld te schetsen van 1. een land waarin steeds meer mensen steeds meer op vakantie gaan, 2. een samenhang tussen de groei van de economie en de afstanden die mensen reizen, 3. een samenhang tussen leeftijd, inkomen en aantallen vakanties, 4. toenemende boekingen via reisbureaus, 5. toenemende aantallen mensen dat niet met eigen vervoer op reis gaat.

De esthetiek van het vakantie blog

Zoals gezegd, dit is een nogal ruige macro benadering, zonder al te veel gevoel voor finesses van individuele overwegingen. Een manier om meer greep te krijgen op de toerist en zijn kuddegedrag met behoud van respect voor individuele afwijkingen is om eens te kijken naar de recente explosie van matig tot erg goed gepresenteerde vakantiekiekjes op internet. Die foto's zijn per slot zijn hoogst persoonlijke expressies en zouden dus, als de toerist geen deel van een kudde is, van een grote variëteit moeten zijn. Ik doe het hier niet op meest academisch-hardnekkige wijze, gravend naar mijn eigen ongelijk. Wat ik gedaan heb is in de eerste twee weken van juni via verschillende zoekmachines op het internet gezocht naar vakantiefoto's, vakantie blogs, vakantie weblogs en vakantiekiekjes, en die eens stuk voor stuk bekeken.

Ik verklap maar meteen dat van een grote variëteit geen enkele sprake is, of althans veel minder dan ik met al mijn scepsis over menselijke orginaliteit verwacht had. Je kunt de overdaad aan vakantie-weblogs vangen in drie makkelijk te onderscheiden typen. Ze laten vooral foto's zien en zeggen dus veel over verwachtingen die mensen hebben, er worden immers objecten vastgelegd en weer op het net gezet. Die momenten, plekken of mensen zijn dus blijkbaar van belang. En hoewel er wel overlap tussen de categorieën is, is die niet schrikbarend groot. Er zijn echt drie verschillende mensensoorten die hun foto's op het net zetten. Vergeef me dat ik ze niet presenteer met voorbeelden, dat lukte me eenvoudig weg niet op tijd. U moet het zelf thuis eens nazoeken, het is reuze interessant materiaal. Hoe vaak mag je nu zomaar in de spullen van mensen rondneuzen?

Het eerste type bestaat uit over de jolige en meestal jonge mensen, de groep die met een Fortuna Sittard vlag op een Franse Alp staat of die in min of meer dronken toestand op het strand rondspringt. Men fotografeert elkaar, op hotelkamers, op terrassen, tijdens omhelzingen, in discotheken, en zo nu en dan het uitzicht van de hotelkamer, de buschauffeur of het vliegtuig, maar vooral: gewone dingen, niks geks, geen oude vrouwtjes met maar 1 tand, of een eigenaardige wandschildering of een nog altijd functionerende stoomtrein. Soms gaan de foto's vergezeld van een los zinnetje dat vertelt wat je zou moeten zien, maar meestal is dat eigenlijk alleen herkenbaar voor intimi ("hier houdt Frank erg van een haai"). Waar men precies is, doet er minder toe, als je er maar kunt dansen, zonnebaden, sporten. Leuk is in dit type cruciaal: men gaat op vakantie om het leuk te hebben, leuk is zoveel als een plicht. Dit type vakantiegangers illustreert haarscherp de overgang van de plicht- naar de plezier ethiek, die de Franse socioloog Bourdieu beschrijft. Die plezier ethiek komt op bij de pogingen van de petite bourgeoisie om macht te verwerven ten koste van de oude, conservatieve klassen, en vervangt de ascetische, plichtsgetrouwe tegenstelling tussen plezier en het goede, door de plicht tot het hebben van plezier en definieert het niet hebben van plezier als mislukking. (Bourdieu, 2006 (1984): 365-367).

Het tweede type bevat de familie foto's die verslag doen van het leven op de camping, van de reis met de zelfopgeknapte camper of van de staat waarin het tweede huisje in Frankrijk verkeert. Eten voor de tent, bezienswaardigheden als kerkjes en heemtuinen, uitstapjes in kleine dorpjes, zwembadderen, de kinderen en hun vriendjes komen in beeld. Hier krijg je als uitleg soms uitgebreide commentaren over het welzijn van elk familielid gedurende de vakantie, en het kan ook gebeuren dat je ontdekt wie op de kat heeft gepast tijdens de afwezigheid van de familie, omdat de site ook het dagelijks leven het gezin in beeld brengt. Het zijn actiefoto's in de ruimste zin van het woord, geen portretten. Gezellig is hier de cruciale term, en hoewel deze vakantiegangers beduidend meer dan de pleziermakers op hun omgeving georiënteerd lijken, zijn ze toch vooral samen op weg. De plaats waar ze heen gaan doet er blijkbaar toe, want deze wordt vastgelegd, maar hij is tot op grote hoogte inwisselbaar, want de kerkjes of uitzichten zijn niet zozeer "beroemde" als wel oude of authentieke plekken. De fotografie bewijst hier niet dat men het "leuk" heeft zoals in het eerst beschreven type maar bevestigt de kwaliteit van de groep. "Wij doen het goed", zeggen de foto's. Er bestaan naast "gezellige" varianten, zoals de motorrijders op reis, of de honden-hobbyisten op reis, en ook daar zie je dat de mensen op elkaar in de omgeving gericht zijn.

De derde groep bevat de veelal uitgebreide verslagen van reizen naar verre oorden, waar de kwaliteit van de fotografie veelal sterk toeneemt, net als de kwaliteit van de website zelf. Kamtsjatka, Chili, Groenland, de verste uithoeken van de wereld worden scherp in beeld gebracht door hardwerkende ambtenaren uit Bedum, Groningen. Hoge bergen, woeste rivieren, een eenzame wandelaar, het vrouwtje met 1 tand, de Indianen-kinderen, het zijn de klassieke beelden van de romantische toerist f "echte reiziger" die in het derde type de boventoon voeren. Zelden zie je auto's, antenne's of afval op deze mooie plaatjes, want die zouden het beeld maar verstoren. De begeleidende teksten op deze sites vertellen geven namen van de plaatsen en regelmatig ook bijzonderheden - merkwaardige mensen en volkeren. Soms krijg je er reisadvies bij ("eet van een cavia nooit de achterpoten"). Sociaal-avontuurlijk is hier de cruciale term: de gewone mens aan de andere kant van de wereld en zijn gevaarlijk leefomgeving staat centraal, en hun foto's vertellen dat hier mensen met verstand van zaken aan het werk zijn, geen pleziermakers of camping gangers, maar Nikon-dragende intellectuelen, die hun best doen om niet in een hokje te passen.

Het strand is de wraak van de mooie op de slimme mensen

Drie dingen vallen op aan de vakantie blogs. De knusheid en de intimiteit die met de meeste foto's wordt opgeroepen – hier knipt Johan zijn teennagel, hier zie je de wc die we zelf gegraven hebben, hier zie je mijzelf nadat ik een berg van 6000 meter heb beklommen, een beetje uitgeput – die intimiteit contrasteert hevig met de functie van het internet als publiek domein. Vanwaar toch deze drang om te delen met vreemden – is het omdat juist de vakantie het moment is dat je "echt jezelf bent", dat je in die vrije tijd en onder de goede omstandigheden, zonder dwang en regelmaat, veel dichter in de buurt van jezelf komt dan ooit in je dagelijks leven en dat daarom iedereen daar van op de hoogte moet worden gesteld? Of is het omdat toch het inzicht is doorgedrongen dat het vervelend is om met andermans plakboeken op schoot te zitten, en je de buurman of je goede vriend kunt van overdadige informatie over je grootse China-avonturen met de mededeling: bekijk het maar op internet? Misschien doet men het alleen maar omdat het kan, omdat het zo geinig is om een beetje te klooien op het internet, maar de behoefte aan erkenning, om de behoefte om te delen is onmiskenbaar groot, net als de veronderstelling dat er anderen zullen zijn die deelgenoot willen worden. De mooie of spannende of vervelende reiservaring is pas een ervaring als-ie (een paar keer) verteld is. Tot die tijd is het een mentale bel lucht die naar buiten wil, een aanstaande oprisping.

Het tweede dat opvalt is dat, voor zover er mensen op staan, de vakantiekiekjes volkomen gedomineerd worden door witte mensen en heteroseksuele stellen. Nederlanders reproduceren op het internet wat ze in de reisgids zien. En in een reisgids zie je geen afwijkingen van de norm, geen homo's, geen bejaarden, geen zwarten, maar alleen mooie en gelukkige witte mensen, die overigens altijd aan het bruinen zijn. (Zie ook Urry, p.139) De rest laat het uit zijn hoofd om zijn vakantiebelevenissen aan de wereld te vertellen, om goede redenen of omdat het ze niet interesseert, dat weet ik niet. 'Club Med is de wraak van de mooie op de slimme mensen', citeert Furlong een directeur van Club Med.

Het derde dat opvalt is dat de zojuist al aangehaalde Bourdieu wel raad zou weten met deze verzameling vakantieblogs. Bourdieu liet zien dat mensen deel uitmaken uitmaken van een bepaalde klasse of groep, en daar door hun eigen onbewuste gedrag ook deel van uit blijven maken. Hij liet onder andere zien dat smaak een belangrijk middel is dat mensen gebruiken om zich te onderscheiden.

Bourdieu legde mensen een lange lijst van onderwerpen voor met de vraag welke foto- waardig zijn en welke niet. Zijn lijst bevatte "leuke" onderwerpen als zonsondergang, landschap, volksdansen, meisje met poes, vrouw met kind aan de borst, maar ook abstractere onderwerpen als een boomstam, een stuk touw of metaal en minder aantrekkelijke dingen als een slagerskraam of zelfs afschrikwekkende dingen als een auto-ongeluk. Terwijl de mensen uit de arbeidersklasse (met weinig zogenaamd cultureel kapitaal, dat wil zeggen mogelijkheden om kunst of juist niet-kunst of een bepaalde plaats of een uitspraak van iemand in een context te plaatsen en daardoor te waarderen) de voorkeur geven aan de leuke dingen als onderwerp voor fotografie, aan de esthetica van de kalenders en de ansichtkaarten; proberen de mensen uit de kleine bourgeoisie zich te onderscheiden door een voorkeur uit te spreken voor stillevens van ambachten, en proberen de leden van de middenklasse zich nog meer te onderscheiden door ook een voorkeur te geven aan ogenschijnlijk neutrale onderwerpen als een stuk touw en aan weergave van het sociale, zoals een foto van ruziënde zwervers.

Het onderscheid tussen "leuke" vakantieblogs, "gezellige vakantieblogs" en "sociale – avontuurlijke " vakantieblogs kan zonder veel moeite gemaakt worden, zoals ik net heb beschreven. Er zullen ongetwijfeld uitzonderingen zijn – studenten die zich nogal plat gedragen en dat vastleggen op hun site (of is dat weer standsbewuste ironie?) – maar over de hele linie herken je achter de gehanteerde fotografie, de opmaak van de site en de sfeer er om heen de groepen mensen achter de sites; de reisgezelschappen naar de Griekse eilanden en Turkije, de families in Frankrijk, de avonturiers over de wereld. Waarbij de laatsten dus het hardst hun best doen om niet bij de andere groepen te horen en daarom vooral proberen om de foto's na te maken die ze in de reisgidsen zien; en waarbij de eersten zich nauwelijks bekommeren om onderscheidend vermogen en gewoon zichzelf vastleggen, omdat de plek waar ze heen gegaan zijn eigenlijk niet zo veel ter zake doet.

Met de eerder genoemde cijfers in het achterhoofd geef ik nog eens ter overweging om vastliggende grenzen in toeristisch gedrag niet bij voorbaat af te schrijven. "Vertel me niets over je werk, zeg me waar je op vakantie gaat en ik zeg je wie je bent", aldus de Franse geograaf Michael Chadefaud (aangehaald door Furlough 1998). Er is dus geen eenvormig kudde: er zijn wel duidelijk onderscheiden groepen, die bestaan omdat mensen hun best doen zich te onderscheiden, omdat ze er voor kiezen die reis te maken en die vakantiefoto's mee te nemen die ze "juist" achten.

Er blijven met betrekking tot dat kuddegedrag nog twee kwesties over. De ene kan ik eigenlijk niet goed behandelen, want die is te groot voor zo'n praatje als dit en te complex voor mijn brein. Het toerisme neemt in 2008 20% van het mondiaal bruto product voor zijn rekening. 10% van de mensen wereldwijd werkt in het toerisme. Ook in veel westerse landen is het toerisme ook een van de grootste werkgevende sectoren. Een  miljard mensen reist dit jaar naar het buitenland. (Rifkin, Age of Accces, p. 146-153) Dit heeft onvoorstelbare consequenties voor de wereld om ons heen. Je kunt van mening verschillen of er niet ook heel veel mensen profiteren van het toerisme – het levert werkgelegenheid op maar die is veelal laaggeschoold en slechtbetaald; het levert infrastructuur op maar daar heeft de lokale bevolking niet altijd iets aan; het brengt geld binnen, maar dat verdwijnt vaak ook het land weer uit.

Waar je niet over van mening kunt verschillen is dat het toerisme een enorm en dramatisch beslag op de ruimte legt. Als de hele aarde in dienst komt van onze drang tot ontspanning, raakt ze zelf een tikkeltje nerveus, en verliezen al die mooie plekken snel hun aantrekkingskracht. Niet eens zozeer omdat het gewoontjes wordt om onder de Niagara Falls te trouwen, maar omdat al die vuilnis, al die gebouwen, al dat vervoer, al die spullen om toeristen gelukkig te maken zoveel plek in neemt. Je kunt eigenlijk er niet hard genoeg op hopen en aan werken dat mensen inderdaad genoegen nemen met virtuele ervaringen, niet alleen met nagemaakte grotten met wandschilderingen zoals Elke Ennen ze net beschreef, maar ook met grotten waar ze thuis in kunnen rondlopen, stranden voor op de tv, tropische meisjes om mee te flirten via de telefoon en kameraadschappelijke dronkenschap na een gesimuleerde beklimming van de Everest in de achtertuin. Ik weet daar zo gauw geen uitweg anders dan benoemen dat nu de voorpret – door het kopen van gidsen e.d. – en de naschok – door het bouwen van sites, het laten zien van foto's – al zo'n reëel onderdeel van de vakantie is, dat we het voor elkaar zouden moeten krijgen dat die fasen belangrijker worden, meer status krijgen. Opdat mensen minder weg hoeven voor de ervaringen waar ze naar op zoek zijn.

Revenir c'est mourir un peu

Want, en dat is een kwestie op het allerindividueelste niveau waarmee ik afsluit, ons gereis zet het idee van thuis onder druk, of zorgt op zijn minst voor een ander idee van thuiskomen. Kudde of niet, als je ziet hoeveel we reizen, en waarom, en hoe we daar verslag van doen, dan moet de conclusie wel zijn dat de interactie tussen weggaan en thuis zijn een van de belangrijkste identiteitsvormende processen van deze tijd is. (Zie ook Jansson, 2002, p. 429) Niet het toerist-zijn (of zelfs het "post toerist"-zijn) maar de voortdurende afweging tussen waarheen, wanneer hoe lang en met wie neemt veel van onze gedachten in beslag.

Oorspronkelijk betekende vakantie "niet naar je werk hoeven". Dat kon dus ook inhouden: uitrusten, je huis onderhouden, picknicken en 's avonds in je eigen stad uitgaan. En die opvatting past in een langere traditie dan op reis gaan. (Furlongh 2002) Maar de belangrijke boodschap achter alle vakantiefolders die je ziet is; nu kun je eindelijk jezelf worden, ontsnappen aan de routines van werk en school en regelmaat die je dwingen om een ander mens te zijn dan je eigenlijk bent, terug naar de natuur, eindelijk frisse lucht en geen drukte of juist eindelijk musea in plaats van televisie, mentale en fysieke detox. Thuis biedt dat blijkbaar allemaal niet, of is daar de tegenhanger van: thuis is de plaats van plicht, routine. Maar thuis is ook waar je altijd welkom bent, een plaats van veiligheid.

Bourdieu, P. (2006; 1984) Distinction. A social critique of the judgement of taste.

Furlough, E. (1998) Making mass vacations. Tourism and consumer culture in France, 1930s to 1970s, Comparative Studies in Society and History, p. 247-286

Jansson, A. (2002) Spatial Phantasmagora. The mediatization of tourism expierence. European Journal of Communication. P. 429-443

Urry, J. (2002) The tourist gaze. (Second edition) Sage publications, London. 

Gerelateerde artikelen