10 minuten

Makke Schapen

recensie

In zijn boek Makke schapen. Over volgzame burgers en vluchtige politiek (Amsterdam: Bert Bakker) toont Paul Kalma zich een marxist in schaapskleren. Hij omarmt een klassiek-socialistische visie die dicht aanschurkt tegen die van de SP.

De verwondering en verontwaardiging waar Paul Kalma zijn boek mee begint en eindigt zijn goed na te voelen. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat de neoliberale politiek aan de macht is gebleven na de bijna-ineenstorting van het financiële kapitalisme en de verbijstering over wat hij het ‘meritocratisch inkomensspektakel’noemt? Waarom zijn we niet massaal in opstand gekomen tegen het grote graaien, de oneerlijke verdeling van de welvaartsgroei, de werk- en inkomensonzekerheid, de verschraling van de verzorgingsstaat en de verharding van de samenleving? Is het de cultuur van tevreden materialisme die ons in makke schapen heeft veranderd?

Kalma maant zijn partij om haar oude roeping van de strijd van de arbeid tegen het kapitaal nieuw leven in te blazen. Zijn collega-sociaaldemocraten zet hij neer als makke schapen die zich hebben laten ver- en misleiden door de ideologie van marktwerking en meritocratie. De dramatische bankbreuken en schuldencrises dwingen ons opnieuw om systeemvragen te stellen, het verspillende en ongelijkheidsbevorderende karakter van het bestaande eonomische stelsel te onderkennen en het structureel te hervormen. Kalma rechtvaardigt deze ‘haast marxistische vraagstelling’ door te constateren dat de wereld zelf door de ontketening van de financiële en andere markten ‘een stuk marxistischer is geworden’.

 

Dat betekent niet dat het marxisme als politieke ideologie volgens hem een herwaardering verdient. Kalma zegt gelouterd te zijn door de kritiek van de cultuursocialisten uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, die ethische grondslagen en culturele vraagstukken hoog op de agenda plaatsten. Niettemin houdt hij in één cruciaal opzicht vast aan het gedachtegoed van de oude Marx. De economische onderbouw bepaalt de culturele bovenbouw. Bill Clintons ‘It’s the economy, stupid!’ wordt door hem onnavolgbaar vertaald als: ‘It’s the onderbouw, stupid!’

 

Misleidende culturalisering?

De ‘fixatie’ op culturele conflicten leidt de aandacht alleen maar af van de onderliggende sociaaleconomische conflicten. ‘Cultuur’ is een afgeleide en wordt al gauw een afleidingsmanoeuvre. Het populisme van Wilders moet worden gezien als een bliksemafleider voor de werkelijke problemen: angst voor sociale declassering, groeiende werkonzekerheid als gevolg van de flexibilisering, afbraak van de klassieke verzorgingsstaat en toenemende sociale ongelijkheid. De politiek ‘degenereert’ volgens Kalma tot een cultuurstrijd als deze problemen niet als de kernoorzaak van het volkse onbehagen worden gezien.

 

De integratiepolitiek en Europa leveren twee voorbeelden van deze misleidende culturalisering. Het integratievraagstuk kon vooral zo virulent worden omdat links verzuimde een ambitieus arbeidsmarkt- en onderwijsbeleid voor de nieuwe immigranten en hun nakomelingen te ontwikkelen. Op die manier werd het initiatief aan de populisten gelaten, die er een cultureel-religieus probleem van maakten (hoofddoekjes af! Weg met de islam!). Voor Europa geldt hetzelfde: de gevestigde partijen hebben door hun vergaande acceptatie van de liberale koers van de Unie (denk aan het vrijgeven van het werknemersverkeer, de toename van illegale arbeid en volledige openheid voor buitenlands kapitaal) de loper uitgerold voor het anti-europeanisme van Fortuyn en Wilders.

 

Het is echter zeer de vraag of het marxistische onderbouw-bovenbouw model nog een zinvol raamwerk levert voor de analyse van de huidige economische en culturele crisis. Het kan nauwelijks uit de voeten met de ver voortgeschreden culturalisering en mediatisering van de economie, met de sociologische gevolgen van de meritocratisering (met name het toegenomen belang van het onderwijs als sociale sorteermachine en de groeiende kloof tussen hoger en lager opgeleiden) en met het nieuwe ontzuilde politieke landschap dat sinds de jaren zestig als gevolg hiervan is onstaan. De bagatellisering van de culturele factor verhindert Kalma om de opkomst van het nieuwe postmaterialisme van links én dat van rechts goed in het vizier te krijgen.1 Dit tekort maakt ook zijn analyse van het nieuwe rechtspopulisme volkomen krachteloos.2 Dat zou vooral zijn ontstaan door het gat dat gevestigde partijen als de PvdA hebben laten vallen, die zichzelf de ideologische veren hebben uitgetrokken en zijn veranderd in ‘modegevoelige beleidsorganisaties’.

 

Net als indertijd door Bart Tromp wordt het populisme ‘verklaard’ uit de verwaarlozing van de sociaaleconomische links-rechts tegenstelling (de ‘klassenstrijd’) en de omarming door de paarse PvdA van de liberaal-meritocratische ideologie. Het populisme is dus vooral een produkt van de onmacht en de terugtred van de oude partijen, in plaats van een zelfstandige kracht die een gat in de politieke markt heeft geslagen en een eigen achterban heeft geschapen door nieuwe culturele waarden en belangen te articuleren. De geruststellende suggestie is dat het ‘enige’ dat die oude partijen te doen staat is om hun oude verhaal te hervinden en te laden met nieuwe overtuigingskracht. De PvdA moet definitief terugkeren van de marktgerichte derde weg, het liberaal-meritocratisch wereldbeeld de rug toekeren en weer echte klassenpolitiek gaan voeren.

 

Cultuursocialisme

Intussen lijkt het alsof de boodschap van het klassieke cultuursocialisme nooit goed tot Kalma is doorgedrongen. Het grote boek van Hendrik de Man uit 1926 heet niet voor niets De psychologie van het socialisme: de kern ervan is dat niet economische belangen bepalend zijn voor politieke motivatie en politiek bewustzijn, maar de manier waarop die belangen psychologisch, emotioneel en cultureel worden geïnterpreteerd. Socialisme komt volgens De Man niet automatisch voort uit klassenbelangen, maar uit een socialistische definitie van de situatie. Het is dus niet de economische onderbouw, stupid, maar (zoals Kalma zelf analyseert) de funeste invloed van de liberaal-meritocratische framing ervan, de cultuur van hebzucht, kooplust en materialistische tevredenheid en de ideologie van individuele prestatie, talent als bezit, winner-take-all en ‘eigen schuld, dikke bult’ die het politieke bewustzijn en handelen (of de afwezigheid ervan) vormgeven.3

 

Het gaat te ver om mét Jacques de Kadt, die andere grote cultuursocialist, de marxistische primaatstelling om te keren en de volgorde cultuur-politiek-economie te bestempelen als ‘de enige aanvaardbare en gezonde ordening’ (laat staan om het oorspronkelijke ‘idealistische’ fascisme voor dit inzicht te prijzen). Cultuur en economie zijn geen rivaliserende ‘laatste instanties’. Het zijn geen communicerende vaten, waarbij de economie ‘primeert’, de cultuur een soort masker vormt voor de economie, en de politiek ‘degenereert’ tot een cultuurstrijd zodra economische kwesties en belangen uit het oog worden verloren. Politiek is intrinsiek cultuur- en waardenstrijd: strijd om definities en om de macht die definities door te zetten, ook al zijn ze sociologisch bevroren tot objectieve instituties.

 

Een eigentijds cultuursocialisme moet juist beseffen dat een culturele factor van een nieuw soort (kennis, gemeten aan onderwijsniveau) steeds zwaarder is gaan wegen – ironisch genoeg mede als gevolg van het politieke succes van de sociaaldemocratie zelf. Nog veel sterker dan in de tijd van de cultuursocialisten werkt het bereikte opleidingsniveau (en cultureel kapitaal in het algemeen) als verdeelsleutel van maatschappelijke kansen, mogelijkheden, waarderingen en inkomsten.4 Het grote succes van de onderwijsmeritocratie heft de scheiding tussen onderbouw en bovenbouw feitelijk op: de nieuwe onderbouw is ook bovenbouw. Dat wil niet zeggen dat de oude sociaaleconomische scheidslijn en zijn politieke vertaling in de ‘horizontale’ links-rechts tegenstelling van het toneel verdwijnt, maar dat zij sterker wordt doorsneden door een nieuwe ‘verticale’ culturele scheidslijn, die steeds meer invloed gaat uitoefenen op politieke denkbeelden, voorkeuren, waarden en emoties.5

 

Hoogmoed van hooggeschoolden?

Deze nieuwe culturele polarisatie schept bijzondere problemen voor een volkspartij als de PvdA, die vanouds ‘schoolmeesters’ en ‘arbeiders’, hoger en lager opgeleiden op één programma wist te verenigen. Hoe kunnen de internationalistische, postmaterialistische en libertaire waarden van de eerste groep duurzaam samengaan met de tendentieel nationalistische, materialistische en autoritaire waarden van de tweede? Hoe te vermijden dat men teveel concessies doet aan het populisme met het doel de naar rechts afgebogen kiezers (‘onze mensen’, volgens Wouter Bos) weer terug te halen?

 

Het lijkt een onmogelijke zaak, maar Kalma wil deze spagaat uithouden en de kloof tussen globaliseringwinnaars en -verliezers zoveel mogelijk overbruggen en matigen. Dat kan volgens hem door mensen sociaaleconomische zekerheid te bieden, de inkomensongelijkheid te bestrijden, de publieke sector te revitaliseren en het financierskapitaal te beteugelen. Dat zal het populisme de wind uit de zeilen nemen. Wie daarentegen het linkse spectrum (en de PvdA) wil opsplitsen in een sociaalliberale en een sociaalconservatieve vleugel begaat een ‘ernstige politieke vergissing’.6 Het uitvergroten van die tegenstelling getuigt volgens Kalma bovendien van een ‘grote zelfgenoegzaamheid’: zij legitimeert de hoogmoed van hooggeschoolden die de belangen van laaggeschoolden verwaarlozen, die ‘zich in de voorhoede der geschiedenis wanen, en sociaalconservatieven hooguit nuttig vinden om nog wat populistische kiezers op te vangen’.

 

Maar er zijn verschillende manieren om de meritocratische kloof te overbruggen, de belangen van lager geschoolden te behartigen en hun denkbeelden serieus te nemen. Men kan naar ‘het volk’ luisteren en zijn voorkeuren volgen, of men kan het waar nodig beleefd tegenspreken en een beetje proberen op te voeden. Dat is misschien lastig voor een partij die zichzelf nog steeds als een catch-all volkspartij wil verstaan. Maar hier glanst opnieuw het voorbeeld van de cultuursocialisten, die niet terugschrokken voor een ‘intellectuelen-socialisme’ en voor de verheffing van het volk door een verstandige en gematigde elite, die de moed had om waarden als internationalisme, culturele openheid, tolerantie en vrijzinnigheid uit te dragen. Die moreel uitdagende taak werd gekoppeld aan een sociale beschermingstaak, maar de horizon van het cultuursocialisme reikte altijd verder dan het bieden van sociaaleconomische zekerheid. Het ging ook om de opvoeding tot democratische onzekerheid die de eigen cultuur en identiteit kan relativeren en daardoor open staat voor tolerantie en diversiteit.

 

Wat onderscheidt de PvdA nog van de SP?

Kalma omarmt eerder een klassiek-socialistische visie die dicht aanschurkt tegen die van de SP. Zijn perspectief op de arbeidsmarkt is sterk institutioneel en gefocust op de relatie tussen arbeid en kapitaal, waarbij de individualisering van de economie (flexibilisering, arbeidsmobiliteit, het Nieuwe Werken) per saldo negatief wordt gewaardeerd. Het streven naar eigen regie en economische zeggenschap van de inmiddels 800.000 zzp’ers wordt niet erg serieus genomen: dat ideaal geldt als naief en verhullend. Freelancen lijkt voor Kalma op zijn best een soort jeugdzonde te zijn: later in het leven wil iedereen zekerheid en houvast. Hij verdenkt de zzp’er zelfs van een zekere ‘bindingsangst’: hij zou vluchten voor het ‘intern-organisatorische werk dat toch gedaan moet worden’. Hij lijkt zich nauwelijks te kunnen voorstellen dat mensen zonder een goed beschermde baan en buiten de instellingen kunnen overleven.

 

Ook in zijn visie op Europa nadert Kalma dicht tot de SP. Net als zijn partijgenoot Cuperus verzet hij zich tegen ‘abstracte’ interpretaties van waarden als internationalisme en kosmopolitisme en verzet hij zich tegen het neoliberale keurslijf van de EU. Intensieve samenwerking is nodig in een pluriformer Europa, maar met behoud van soevereiniteit: de natiestaat zal immers ‘tot in lengte van dagen’ het zwaartepunt van de democratie blijven. Europese integratie met opgave van soevereiniteit en een werkelijk Europese democratie zijn blijkbaar een brug te ver. Kalma verdedigt de SP tegen aantijgingen van nationalisme en populisme, en wordt niet ongerust van uitspraken van als die van Jan Marijnissen over onze Heimat of van de vrolijke vanzelfsprekenheid waarmee Emile Roemer op de vraag: voelt u zich Europeaan of Nederlander? antwoordde: ‘Nederlander natuurlijk! Net als al die andere mensen in de Kalverstraat!’

 

Kalma is vooral gefixeerd op het behoud van traditionele zekerheden: op de arbeidsmarkt, in de verzorgingsstaat en in de nationale democratie. Maar wat onderscheidt de PvdA dan nog wezenlijk van de SP? Zij zou ietsje meer internationalisme en europeanisme uitstralen, een tikkeltje vrijzinniger zijn en wat opener en democratischer in haar debatcultuur en partijorganisatie. In dat geval blijft het de moeite waard om na te denken over een sociaal-vrijzinnige of links-libertaire politieke combinatie, die de andere helft van de PvdA meeneemt in een programma dat sociale bescherming, egalitaire herverdeling en radicale kansengelijkheid koppelt aan sociaal-individualisme, vrijzinnige verheffing, Europees patriottisme en een groene leefstijlkritiek.

 

*Deze bespreking verscheen ook in Socialisme & Democratie (69)5: 40-44.

Voetnoten 

1. Dick Houtman & Peter Achterberg (2011) 'Two Lefts and Two Rights: Class Voting and Cultural Voting in the Netherlands', in Dick Houtman, Stef Aupers & Willem de Koster (eds) Paradoxes of individualization. Social Control and Social Conflict in Contemporary Modernity. Farnham: Ashgate; Sarah L. de Lange, Wouter van der Brug & Inger Baller (2011) 'Adversaries or Competitors? The Rise of Green and Radical Right-Wing Populist Parties', in Erica Meijers (red.) Populism in Europe. Brussel/Utrecht: GEF/Bureau de Helling.

2. Zie verder Dick Pels (2011) Het volk bestaat niet. Leiderschap en populisme in de mediademocratie. Amsterdam: De Bezig Bij.

3. Zie ook uitvoerig Peter Kanne (2011) Gedoogdemocratie. Heeft stemmen eigenlijk wel zin? Amsterdam: Meulenhoff, vooral het hoofdstuk 'It's the culture, stupid!', pp. 173 e.v.

4. Daarom is het ook een onbegrijpelijke misser van het PvdA-Beginselmanifest van 2005 dat 'kennis' is geschrapt uit het beroemde rijtje van Den Uyl over de 'spreiding van macht, inkomen en kennis'.

5. Dick Houtman, Peter Achterberg & Anton Derks (2008) Farewell to the Leftist Working Class. New Brunswick NJ: Transaction; Mark Bovens & Anchrit Wille (2010) Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en democratie. Amsterdam: Bert Bakker; Peter Kanne, Gedoogdemocratie, pp. 63 e.v. Zie ook de kritiek van Houtman en Achterberg op Kalma in Socialisme & Democratie 69(5): 45-49. 

6. Kalma's toorn richt zich vooral op mijn analyse in (2009) 'Splits de PvdA! De ruimte op links en de noodzaak van politieke herverkaveling', Socialisme & Democratie 66(6): pp. 28-3. Ook Peter Kanne wil de versnippering van het politieke landschap en het gebrek aan herkenbaarheid van partijen (vooral op links) tegengaan door het politieke speelveld op te delen langs de twee dimensies (de sociaal-economische en de sociaal-culturele) die de politiek momenteel het sterkst bepalen (pp. 292 e.v.).

Gerelateerde artikelen