9 minuten

Meningen zijn geen feiten, politiek is geen wetenschap

Politici hebben soms weinig respect voor de feiten: ze denken dat je ze kunt wegdiscussiëren. Maar politiek en wetenschap moeten elkaar juist respecteren. 

Feiten vs. meningen

Het gezegde spookte een tijd lang door de media. "Wetenschap is ook maar een mening." Wie er het eerst mee kwam en wanneer, valt moeilijk te achterhalen. Maar het dook sindsdien regelmatig op in discussies over hedendaagse politiek.

Vooral als het over populisten ging, van links en van rechts. Die zouden vinden dat meningen over de samenleving, afkomstig van wie ook, op dezelfde manier waar of onwaar zijn als wetenschappelijke uitspraken over feiten. Het waren vruchteloze discussies, vol misverstanden, communicatiestoornissen, opzettelijke verdraaiingen, maar vooral ook: vol verwarring over de vraag wat politiek is en wat wetenschap. Nu moet gezegd, over die vraag breken al duizenden jaren knappe lieden het hoofd. Zijn wetenschap en politiek werkelijk twee volstrekt gescheiden werelden en hebben feiten en meningen niets met elkaar te maken?

"Reeds de oude Grieken, mijne dames en heren..." Zo zou een verhandeling kunnen beginnen over de geschiedenis van het onderscheid tussen feiten en meningen. Wie heeft zich er in de loop van de eeuwen niet mee bemoeid? Van middeleeuwse theologen via strenge Schotse scherpslijpers en diepe Duitse denkers tot subtiele Britse taalontleders, moderne Amerikaanse vrijdenkers en frivole Franse postmodernisten.

Al die eeuwen van intellectuele strijd leiden tot minstens één conclusie: dat het onderscheid tussen feit en mening niet zo simpel is als op het eerste gezicht lijkt. Feiten zijn niet zo hard als ze vaak worden voorgesteld en meningen niet zo willekeurig en subjectief als ze soms lijken. Over feiten valt net zo veel te twisten als over meningen. Het punt is alleen dat voor die twee discussies heel verschillende regels gelden.

Politieke discussies gaan over meningen. Aan de basis van iedere mening ligt een opvatting over hoe de wereld eruit zou moeten zien. Moet dat een wereld zijn waarin iedereen gelijk is? Of juist een waarin ieder individu zich zo vrij mogelijk kan ontplooien? Een wereld waarin het woord van God of Allah de hoogste waarheid is? Of een waarin de economie de verhoudingen tussen de mensen dicteert? De verlanglijsten van politici zijn eindeloos gevarieerd.

Verschillende regels

Die politieke meningen botsen met elkaar in allerlei verschillende omgevingen. Bijvoorbeeld in het publieke debat zoals dat plaatsvindt in de media en op openbare bijeenkomsten. In politieke instituties zoals partijen, parlementen en buitenparlementaire groeperingen. In de diplomatie tussen politieke systemen zoals naties en ideologische formaties. En op het slagveld.

In die omgevingen gelden verschillende regels die de uitkomst bepalen. Zoals argumentatieregels in het publieke debat, verkiezingsregels in de politieke instituties, omgangsregels in het diplomatieke verkeer en oorlogsregels op het slagveld. Feiten spelen in geen van die omgevingen een doorslaggevende rol. De doorslag geeft het overtuigendste argument, de sterkste fractie, de handigste manoeuvre of de meest vernietigende slag.

Heel anders gaat het eraan toe in de wetenschap. Daar spelen feiten nu juist wél een doorslaggevende rol in de uitkomst van een dispuut tussen wetenschappers. De theorie die feiten verklaart die andere theorieën niet verklaren mag de meeste aanspraak op waarheid maken. Zo gaat het in de natuurwetenschappen en, zij het op iets minder stringente manier, ook in de sociale wetenschappen.

Wat zijn feiten?

Alles draait om de feiten. Dat klinkt simpel maar dat is het niet. Want wat zijn feiten? In de eerder vermelde geschiedenis van de kennistheorie is men in toenemende mate gaan inzien dat feiten niet lijken wat ze zijn. Feiten zijn producten van onderzoekingen, experimenten en interpretaties. En achter elk onderzoek, elk experiment en elke interpretatie gaat een theoretisch wereldbeeld schuil, een selectief perspectief dat een feit zijn betekenis geeft.

Dat betekent allerminst dat feiten willekeurig en subjectief zijn. De manier waarop feiten worden geproduceerd, volgt namelijk allerlei regels. Er zijn regels voor valide onderzoek, voor zuivere experimenten en voor acceptabele interpretaties. Die methodologische regels zorgen ervoor dat men het er binnen de verschillende wetenschappelijke gemeenschappen redelijk over eens is wat als feit kan gelden en wat niet.

Samengevat: in politiek en wetenschap bepalen verschillende soorten regels welke meningen aanspraak op macht mogen maken en welke feiten aanspraak op waarheid. Zo bezien lijken politiek en wetenschap twee verschillende universums die niets met elkaar te maken hebben. Helaas, zo eenvoudig ligt het niet. Want politici baseren zich voortdurend op feiten, en wetenschappers laten zich geregeld leiden door meningen.

Dat is niet per ongeluk of toevallig zo, dat is allemaal even onvermijdelijk. Een politieke mening over hoe de samenleving eruit zou moeten zien, stoelt altijd op een beeld van hoe de samenleving feitelijk is en wat daar allemaal niet aan deugt. Bovendien omvat zo'n politieke mening veronderstellingen over hoe de samenleving te veranderen valt en daarmee over de feitelijke samenhang tussen politieke ingrepen en maatschappelijke gevolgen.

Dat is het punt waarop politici over feiten beginnen te debatteren en niet alleen maar over meningen. Dat is ook het punt waarop politici zich zouden moeten realiseren dat feiten op een andere manier tot stand komen dan meningen en ook een heel andere omgang vereisen. Onenigheid over feiten kun je niet beslechten door eindeloos te discussiëren, door een meerderheidsbesluit te nemen, door slim te manipuleren of door geweld aan te wenden.

Omgekeerd geldt dat wetenschappers bij hun beslissingen over wat ze als feiten presenteren, zich onvermijdelijk laten leiden door meningen. Die kunnen overal vandaan komen: uit het politieke of religieuze wereldbeeld dat ze aanhangen, uit hun bewuste dan wel onbewuste persoonlijke motieven, uit de belangen van de wetenschappelijke groep waartoe ze behoren of uit de belangen van hun politieke of maatschappelijke opdrachtgevers.

Dan breekt voor wetenschappers het moment aan waarop ze zich ervan rekenschap zouden moeten geven dat meningen van een ander kaliber zijn dan feiten. Verschillen van mening kun je niet beslechten door een onderzoek op te zetten, een experiment uit te voeren of de juistheid van elkaars interpretatie te betwisten. Verschillen van mening in de wetenschap openbaren de onmiskenbaar politieke dimensie in dat schijnbaar zo zuiver rationele bedrijf.

Ieder zijn vak

Een en ander betekent niet dat politici maar wetenschap moeten bedrijven en dat wetenschappers voortaan ook aan politiek moeten doen. Het voeren van de strijd tussen meningen is nu eenmaal een andere discipline dan het voeren van de strijd om feiten. Ze vereisen verschillende vaardigheden, verschillende geestelijke houdingen, verschillende onderlinge omgangsvormen en verschillende manieren van publiek optreden.

De conclusie uit al deze overwegingen kan niet anders dan banaal zijn. Laat ieder zijn eigen vak zo goed mogelijk uitoefenen. En laat ieder daar waar de een de ander nodig heeft, het gesprek aangaan op basis van respect voor elkaars competenties. Politici zouden niet moeten proberen om hun eigen feiten te produceren. En wetenschappers zouden moeten vermijden elkaar met politieke middelen te lijf te gaan.

Politici kunnen soms verbeten vasthouden aan feiten die de wetenschappelijke gemeenschap als weerlegd beschouwt. Denk aan het effect van zwaardere straffen op recidive of de invloed van geweldsvideo's op het gedrag van jongeren. Omgekeerd zijn wetenschappers soms geneigd het werk van collega's te negeren omdat het niet strookt met hun religieuze of politieke ideeën. Denk aan de discussie over het creationisme en over de klimaatverandering.

De geschiedenis laat rampzalige voorbeelden zien van politici die op de stoel van wetenschappers zijn gaan zitten en omgekeerd. Dictatoriale regimes hebben onvoorstelbare slachtpartijen gerechtvaardigd met zelf in elkaar geknutselde theorieën over bijvoorbeeld rassenverschillen. Omgekeerd hebben wetenschappers hun gelijk proberen te halen door hun concurrenten bij de inquisitie of de geheime politie aan te geven.

Bescheidenheid

Met die schrikbeelden voor ogen doen politici er goed aan om wetenschappelijke feiten niet als een politieke ideologie te behandelen maar zich af te vragen wie die feiten hoe en waarom heeft geproduceerd. En wetenschappers doen er goed aan hun persoonlijke wereldbeelden, die hoe dan ook in hun werk doorsijpelen, niet als onwankelbare feiten te behandelen en de discussie met hun vakgenoten te voeren met de methodologische middelen van hun discipline.

Politici zowel als wetenschappers past bescheidenheid. Wederzijdse beledigingen zoals: "Wetenschap is ook maar een mening", of de pendant: "Politici lappen de feiten aan hun laars", horen in een democratische cultuur niet thuis. Alleen met een houding van wederzijds respect kun je potentiële kiezers ervan overtuigen dat kiezen met kennis een goed alternatief is voor kiezen met alleen het buikgevoel als raadgever.

Ter illustratie: kiezen zonder kennis

Neem rekeningrijden. Dat is een politiek fel omstreden thema. Het idee erachter is dat als automobilisten betalen voor de kilometers die ze rijden, ze minder en verstandiger van hun auto gebruik zullen maken. Er zijn verschillende varianten: spitstarieven, tolheffing op snelwegen, vignetten voor steden.

In de meeste Europese landen zijn vormen van rekeningrijden in gebruik. Maar in Nederland kunnen politici het er niet over eens worden. Partijen als VVD en PVV zijn faliekant tegen. Dat zijn ze vooral omdat ze denken dat hun kiezers er even fel tegen gekant zijn. Daarom zetten ze ook vraagtekens achter de effecten van rekeningrijden.

Daar hebben ze kennelijk succes mee. Op de site 'Kiezen met kennis' kregen bezoekers stellingen voorgelegd met de vraag of ze door wetenschappelijk onderzoek zijn bevestigd, weerlegd of iets daartussenin. Een van de stellingen luidde: 'Met rekeningrijden kunnen we de files effectief bestrijden'. De meerderheid meende dat zo'n effect onwaarschijnlijk is. Maar zoals de toelichting op 'Kiezen met kennis' laat zien, is dat effect wetenschappelijk bevestigd.

Onderzoek naar ervaringen in steden als Londen, Singapore en Stockholm laat zien dat automobilisten hun gedrag veranderen wanneer ze tol moeten betalen of kilometers moeten afrekenen. In Londen leidde het bijvoorbeeld tot aanzienlijk minder verkeersopstoppingen. Bovendien bleken de weggebruikers tevreden met de maatregel.

'Kiezen met kennis' laat zien dat er grote verschillen bestaan tussen wat politici zeggen, wat kiezers geloven en wat wetenschappers ontdekken. De website wil de bezoekers van die verschillen bewustmaken. Ben ik voor of tegen rekeningrijden om politieke redenen of om redenen van het verwachte effect?

Nog zo'n kwestie. Leiden kleinere klassen tot betere prestaties van de leerlingen? Van CDA tot VVD en van GroenLinks tot PVV gaan politici ervan uit dat kleinere klassen beter zijn. Alleen D66 zet daar vraagtekens bij. Ook de sitebezoekers achten het plausibel. Maar het vele onderzoek dat ernaar is verricht, wijst in een andere richting.

De grootte van een klas heeft slechts een geringe invloed op de prestaties van de leerlingen. In sommige gevallen werken kleinere klassen zelfs remmend. Andere factoren, zoals de kwaliteit van de leraren en de gehanteerde lesmethode, blijken veel belangrijker. Niettemin zijn politieke partijen bereid miljoenen te investeren in het verkleinen van de klassen.

'Kiezen met kennis' legt de kiezers 23 stellingen voor. De antwoorden van bezoekers van de site blijken meer overeen te stemmen met de mening van politieke partijen dan met de feiten die de wetenschap levert. Iets om over na te denken.

*Het essay van Antoine Verbij verscheen eerder op de website van het project 'Kiezen met kennis'  en in Trouw (1.9.12).

Gerelateerde artikelen