4 minuten

Olievloek

De verantwoordelijkheid die grote multinationals nemen om ook bij hun operaties in het buitenland de mensenrechten te waarborgen is nog veel te vrijblijvend. Deze kritiek leverde GroenLinks-leider Bram van Ojik op de CEO van Shell Nederland, Dick Benschop tijdens een debat op 11 maart in Amsterdam. 

Rechtszaak 

Het debat werd georganiseerd door de Netwerkorganisatie voor Internationale Ontwikkeling Nederland(SID NL) onder de titel The private sector and its leverage: the case of Shell in Nigeria, als onderdeel van een debatreeks over duurzame ontwikkeling in de private sector. Er werd ingegaan op de positie van grote multinationals in minder ontwikkelde landen en hun invloed daar op het voorkomen van mensenrechtenschendingen. Hoe kunnen zij hun invloed aanwenden om dat te doen?

Als voorbeeld werd de zaak van Shell Nigeria genomen. Begin dit jaar werd het Shell-concern voor de rechter gedaagd door Milieudefensie en vier Nigeriaanse boeren wier akkers en visgronden verwoest waren door olielekkages. Dit leidde tot een veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding aan één van die vier boeren door het concern in Nigeria. Hoewel moederbedrijf Shell er genadig van af kwam, sprak Milieudefensie over een doorbraak in het ter verantwoording roepen van multinationals voor een dochteronderneming in het buitenland.

De Shell Petroleum Development Company of Nigeria Ltd (SPDC) is de onderneming die verantwoordelijk is voor de olieproductie in Nigeria. Dick Benschop opende het debat met een lezing over de werkwijze van dit 'zorgenkindje.' Hij had met eigen ogen gezien wat gevolgen van de olielekkages voor het landschap en de bevolking betekenen, en dat ging hem zeer na aan het hart. Hij benadrukte de zorgvuldige wijze waarop de SPDC te werk gaat in deze voor Shell problematische omgeving. Bovendien zou Shell door de winning van de olie in de Nigerdelta de economische en sociale ontwikkeling van het land sterk stimuleren. Ook gaf Benschop aan dat zorg voor de naleving van mensenrechten een belangrijk onderdeel van het beleid vormt, waarbij het bedrijf zich baseert op de aanbevelingen van de UNEP, de milieuafdeling van de Verenigde Naties, en het kader van de OECD voor verantwoord ondernemen.

Olievloek

Bram van Ojik reageerde namens GroenLinks op Benschops betoog. De aanname dat de aanwezigheid van Shell in Nigeria het land ten goede komt, gaat volgens hem veel te kort door de bocht. Ondanks de grondstoffenrijkdom leeft tweederde van de Nigeriaanse bevolking nog steeds onder de armoedegrens. Al die oliedollars komen vooral bij de elite terecht, terwijl de gewone Nigerianen met de milieuproblemen worden opgezadeld. Bij zulke nadelige effecten wordt de exploitatie van grondstoffen eerder een 'olievloek' dan zegen.

Verder stelde Van Ojik dat het weliswaar mooi is dat Shell in de lijn van internationale principes voor mensenrechten opereert, maar betreurenswaardig dat dit nog geen verplichting is voor bedrijven. Ook is het hem een doorn in het oog dat het nu moeilijk is om bij misstanden in het buitenland ook het moederbedrijf strafbaar te stellen. Benschop begon zijn lezing zelfs met een 'waarschuwingssheet' die duidelijk aangaf dat Shell en haar dochters niet één grote familie zijn.

Transparantie

Om te bewijzen waar die verantwoordelijkheid ligt, is toegang tot de interne documenten nodig. Deze wordt nu enkel verleend bij opgaaf van juridische redenen. Van Ojik was dan ook blij dat er momenteel Europese wetgeving in de maak is die bedrijven verplicht om zo transparant mogelijk te zijn over de economische, ecologisch en sociale kanten van de bedrijfsvoering. Het is nu dus aan de politiek om een belangrijke stap te zetten in het voorkomen van mensenrechtenschendingen door multinationals, door dit soort verplichtingen in te voeren, stelde de fractieleider van GroenLinks.

Benschop vreest dat niet-EU-landen zoals China of Brazilië zouden van deze gedetailleerde openheid alleen maar profiteren. 'Doe het dan op wereldwijde schaal,' stelde hij ferm. Ook op het punt dat de winst van de exploitatie voor de Nigeriaanse bevolking achterblijft, kwam hij terug: 'De Nigeriaanse overheid neemt besluiten over haar bestedingen en het beschermen van de mensenrechten. Wij kunnen niet verantwoordelijk worden gesteld voor dat falende beleid.'

Sabotage

Het grootste probleem vormt volgens Benschop echter de onophoudelijke sabotage van Shells pijpleidingen. Dagelijks worden er gemiddeld 50.000 vaten olie gestolen. De ruwe olie wordt door de saboteurs in de open lucht verbrand om kleine dieselgeneratoren aan te drijven. Daarbij blijft 80% van de olie over als restproduct, dat vervolgens in de natuur wordt gedumpt. De SPDC heeft zich dan ook tot doel gesteld om de hoeveelheid sabotage en overige lekkages met 100% terug te dringen. Ze investeert daarvoor in lekkagedetectiesystemen of maatregelen als het verbergen van de pijpleidingen ondergronds of binnenin waterleidingen die onder hoge druk staan. Maar de dieven worden steeds vindingrijker. 'Er is daarom dringend internationaal overheidsbeleid nodig,' liet Benschop weten. 'Nu is het vooral dweilen met de kraan open.'

Daartegenover staat volgens Benschop echter dat Shell voor enorme investeringen in de lokale en nationale economie zorgt. Vooral op het gebied van scholing, werkgelegenheid en inkomen zou de SPDC het land een enorme boost geven: 90% van de werknemers is Nigeriaan. Een groot deel van de olieopbrengsten vloeit naar de Nigeriaanse staatskas. 'Nigeria is afhankelijk van haar olie. Ons vertrek zou het land van haar inkomsten beroven en vatbaar maken voor andere exploitanten die het heus niet netter doen,' hield Benschop vol, 'Het is daarom maar goed dat Shell er zit met al haar expertise en zorgvuldigheid.' 

Gerelateerde artikelen