5 minuten

Olli Rehn, de stille gedoogpartner van de minderheidscoalitie Rutte-Asscher?

Het eerste jaar Rutte-Asscher illustreert de Europese inbedding van het Nederlandse politieke spel. Doordat het kabinet star vasthoudt aan de Europese begrotingsregels, is te veel politieke macht bij de Europese Commissie komen te liggen. Het kabinet - met minderheid in de Eerste Kamer - perkt zo de politieke ruimte voor potentiële partners handig in. Het is echter de vraag of dit een houdbare strategie is in het zicht van Europese verkiezingen.

Tegen de achtergrond van een voortdurende financieel-economische crisis hoeft het geen verbazing te wekken dat Europa een belangrijk thema was in de verkiezingen van najaar 2012. Er ontspon zich een klassiek aandoende strijd tussen de linkse en rechtse antwoorden op de crisis. Kort door de bocht: Samsom bepleitte het loslaten van strenge Europese begrotingsregels om de crisis op keynesiaanse wijze te bestrijden met overheidsinvesteringen en het voorkomen van vraaguitval. Ter rechterzijde beargumenteerde Rutte dat juist nu streng bezuinigd moest worden, moest de overheid worden ingekrompen, en juist nu moest zeker aan de Europese begrotingsregels voldaan worden. De verkiezingen werden uiteindelijk afgetekend gewonnen door de VVD. Waar in de voorgaande verkiezingen van 2010 de PvdA en VVD elkaar nog net één zetel ontliepen liep de VVD nu uit tot 41 zetels tegen 38 voor de PvdA.

Het politieke landschap overziend voelden Rutte en Samsom zich tot elkaar veroordeeld. Links en rechts zouden een gezamenlijk antwoord op de crisis moeten formuleren. Onder begeleiding van de informateurs Wouter Bos en Henk Kamp werd gekozen voor een originele procesvorm: het uitruilen van kaarten met beleidsthema’s. Met deze procesbegeleiding lijken de informateurs geleerd te hebben van de brede coalitie van christendemocraten en sociaal-democraten in Duitsland (2005–2009), waar het zoeken naar volledige consensus leidde tot een vlak regeerakkoord en een matig gewaardeerde regeerperiode.

Het uitruilen van beleidsthema’s heeft in ieder geval de potentie om tot uitgesproken hervormingen te leiden in het regeerakkoord, mits voldoende brede beleidsthema’s uitgeruild worden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een uitruil van de broodnodige vergroening van de economie tegen immigratie en integratie. In theorie combineert op deze wijze een brede coalitie het beste van twee werelden: een uitgesproken politiek profiel op kernthema’s voor de coalitiepartners én brede politieke steun.

Terugkijkend op het eerste jaar Rutte/Asscher kan niet anders dan geconstateerd worden dat deze belofte niet is waargemaakt – en dan heb ik het niet alleen over het bovenstaande voorbeeld van vergroening van de economie, waar het regeerakkoord slechts samen te vatten is als mañana, mañana.

Op zoek naar het beste van twee werelden?

Gekozen is voor een ‘brede coalitie’ van links en rechts die feitelijk functioneert als een minderheidskabinet – alleen in de Tweede Kamer heeft het kabinet een meerderheid, niet in de Eerste Kamer. In plaats van te accepteren een minderheidscoalitie te zijn, zochten Rutte en Asscher steun in de polder om de Eerste Kamer onder druk te zetten met breed gedragen polderakkoorden. Op zich is het niet verrassend dat een regering die zelf de links/rechts-tegenstelling overbrugt er ook in slaagt om polderorganen aan zich te binden die belangentegenstellingen tussen vakbonden en werkgevers (Sociaal Akkoord) of milieubeweging en werkgevers (energieakkoord) overbruggen. Het is echter zeer de vraag of de brede polderakkoorden de potentiële partners van het kabinet in Eerste Kamer kunnen overtuigen. Partijen die uitgesproken sociaaleconomische hervormingen willen (D66) of uitgesproken groene hervormingen (GroenLinks) voelen zich minder thuis bij de verwaterde akkoorden uit de polder. Het kabinet-Rutte/Asscher loopt daarmee het risico te belanden in de slechtste van twee werelden: niet de heldere politieke smoel die volgt uit een minderheidskabinet, niet de vanzelfsprekende ruime politieke steun van een brede coalitie.

Europese inkadering van brede coalitie en polder

Belangrijker nog is de cruciale uitruil die heeft plaatsgevonden tussen het accepteren van Europese begrotingsregels (wens van de VVD) en nivellering (wens van de PvdA). Het regeerakkoord stelt onomwonden: ‘Europese begrotingsafspraken zijn leidend. We houden ons aan Europese begrotingsafspraken van het SGP [Stabiliteits- en GroeiPact].’

Door koste wat kost aan de Europese begrotingsregels te willen voldoen, trekt het kabinet-Rutte/Asscher vrijwillig de dwangbuis aan die Europees Supercommissaris Olli Rehn ons voorhoudt. Hoewel minderheidskabinetten in principe het politieke primaat aan de Staten-Generaal laten en daarmee tot een meer geprononceerde politieke strijd leiden (met wisselende coalities rond het kabinet), gebruikt deze ‘brede minderheidscoalitie’ de band van Brussel om het politieke speelveld van mogelijke partners te verkleinen.

Dit was ook te zien in de eerste echte Algemene Beschouwingen van het kabinet: premier Rutte trachtte daar steun te vinden van potentiële partners in de Eerste Kamer door ze mee te laten beslissen waarop € 6 mrd bezuinigd moet worden, zonder open te staan voor een discussie of deze bezuiniging überhaupt plaats moet vinden. Daarmee laat het kabinet het speelveld van het debat in Nederland bepalen door een rechts-conservatieve liberaal uit Finland die zelf slechts onder beperkte politieke controle staat.

Het kabinet-Rutte/Asscher benadrukt in zijn regeerakkoord dat de landen van de eurozone elkaar effectief aan afspraken moeten houden. Nederland stond dan ook pal achter Duitsland in het versterken van de budgettaire controle door de Europese Unie. Het ‘succes’ dat het kabinet boekte op dit hoofdstuk uit het regeerakkoord werd beloond met een flinke vertraging van economisch herstel als gevolg van een star bezuinigingsbeleid in Europa. Het regeerakkoord rept echter met geen woord over de zeer wenselijke versterking van de democratische controle op het werk van supercommissaris Rehn. Daarmee worden zowel de brede maatschappelijke steun die het kabinet-Rutte/Asscher zocht in de polder als de politieke steun die het zocht in de Eerste Kamer ondergeschikt gemaakt aan een Brusselse technocraat. Het eerste jaar regeren lijkt te zijn verzand in een alles overkoepelende angst voor ‘de 3%’ die erin resulteert dat Nederland en Europa maar op één manier uit de crisis kunnen komen: met een kleinere overheid.

Vooruitkijkend

De aankomende verkiezingen voor het Europees Parlement worden een interessante lakmoesproef voor de strategie van het huidige kabinet. De verkiezingsstrijd kan PvdA en VVD dwingen kleur te bekennen: willen ze stringente handhaving van Europese begrotingsregels, dan zal daar adequate democratische controle op de Europese supercommissaris tegenover moeten staan. GroenLinks maakt die keuze in haar Europese verkiezingsprogramma ‘Ons Europa’: verbeterde begrotingsregels (met meer aandacht voor mens en milieu) én verbeterde democratische controle op de handhaving van deze regels. In het Nederlandse politieke spel hebben de oppositiepartijen intussen geen enkele reden deze brede minderheidscoalitie te steunen als de kaders bepaald worden door een Europese commissaris die buiten de politieke discussie staat. Het tweede jaar van het kabinet Rutte-Asscher belooft een stevige test voor de brede coalitie te gaan worden als beide partners een eigen profilering in de Europese verkiezingen zoeken.

Dit is een licht bewerkte versie van een stuk dat zal verschijnen in het aankomende nummer van Socialisme & Democratie, zie http://wbs.nl/publicaties/sd-tijdschriften. Met dank aan Jelle van den Bogaard voor nuttig commentaar.

Gerelateerde artikelen