4 minuten

Politieke partijen moeten hun kiezers weer opzoeken

De ledenaantallen van politieke partijen nemen al sinds midden jaren zestig in rap tempo af en het vertrouwen in de politiek lijkt steeds lager te worden. Politieke partijen hebben hier last van. Hoe reageren zij op deze uitdagingen? Hoe zouden ze moeten reageren? Waar zou de lokale politiek zich op moeten richten? Ann-Kristin Kölln, op 21 februari 2014 aan de Universiteit Twente gepromoveerd op de reactie van politieke partijen op dalende ledentallen, geeft antwoord.

Politieke partijen in Nederland en de meeste andere West-Europese landen staan voor een grote uitdaging. Welke bijdrage moeten ze leveren aan het democratisch proces? Moeten ze de eisen van burgers in het land vertegenwoordigen, of moeten ze het publieke debat zelf vormgeven en een politieke agenda opstellen? Vergelijkbare vragen doen zich voor over de positie van politieke partijen tussen burgers en de staat​​: moeten partijen proberen om tussen de kiezers te staan, ​​of moeten ze alleen bemiddelen tussen burgers en de staat? Het beste antwoord op deze vragen is: ze moeten het allemaal doen. De huidige samenleving stelt zeer zware eisen aan politieke partijen en hun werk. Ze zijn geliefd en gehaat tegelijk, en dat vaak om exact dezelfde redenen.

Politieke partijen kunnen niet langer rekenen op een stabiele electorale steun. Uit onderzoek blijkt dat steeds minder kiezers bij opeenvolgende verkiezingen op dezelfde partij stemmen. Tegenwoordig geven veel burgers partijen slechts steun voor de korte termijn of voor een specifieke kwestie. In feite gaat het die burgers steeds minder om langetermijnvisies en hoogdravende politieke ideeën. Dit komt niet alleen tot uiting in wisselend stemgedrag, het blijkt ook uit het dalende lidmaatschap van politieke partijen in West-Europese landen. Tussen 1960 en 2010 hebben partijen in Nederland, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Noorwegen en Zweden een ledenverlies van bijna twee procent per jaar moeten incasseren. De daling is het sterkst bij oudere politieke partijen (partijen die voor 1945 zijn opgericht) en het minst sterk bij groene partijen.

Intussen ontstaat er een kloof tussen wat burgers willen en wat politieke partijen bieden. Burgers hechten meer en meer waarde aan de participatieve idealen van de democratie. Op hun beurt richten de meeste partijen en hun kandidaten zich op de dag van de verkiezingen. Die gang van zaken laat slechts weinig ruimte voor participatie van de burger. Maar wat kun je anders verwachten in het huidige politieke partijensysteem? De meeste partijorganisaties hebben hun wortels in het begin of midden van de 20e eeuw. Ze hebben een interne structuur en logica die niet geschikt zijn voor de moderne burger. Partijorganisaties zijn doorgaans te hiërarchisch ingericht. Bovendien hebben ze een verouderend leden- en activistenbestand, terwijl ze zeker op lokaal niveau onvoldoende vernieuwend zijn in hun communicatie naar de burger.

Het zou goed zijn als politieke partijen zouden investeren in hun organisatiestructuur, activiteiten en reputatie. Maar in plaats daarvan wenden ze zich steeds nadrukkelijker tot de staat. Uit recent onderzoek blijkt ondubbelzinnig hoe politieke partijen in West-Europa op hun ledenverlies reageren: ze geven meer geld uit, sturen aan op een verhoging van de overheidsbijdrage voor hun partij en verminderen hun aanwezigheid op het lokale niveau. In plaats van te erkennen dat burgers in deze tijd de politiek dicht bij huis willen hebben, zoeken politieke partijen een sterke verbinding met de staat. Burgers kunnen hun electorale keuze meestal slechts om de vier jaar kenbaar maken – voor een meer regelmatige en continue uitwisseling en afstemming van beleidsvoorkeuren is geen plaats. De burgers kunnen hun betrokkenheid en enthousiasme nauwelijks nog kwijt. Het gevolg: ze keren zich af van partijen en van de politiek in het algemeen.
Politieke partijen hebben alle reden om opnieuw te werken aan een sterkere of op zijn minst stabielere verbinding met de burger. Ze moeten zich terdege realiseren dat een grootschalige verkiezingscampagne die slechts om de vier jaar plaatsvindt niet genoeg is. De periode tussen de verkiezingen is daarvoor immers veel te lang. Burgers van vandaag de dag stellen een meer continue vertegenwoordiging op prijs. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de talrijke one-issue groepen die hun mening uiten door middel van petities, referenda en/of protesten.

Wat valt er aan deze situatie te doen? Een mogelijke oplossing is dat politieke partijen de burger opzoeken waar ze zijn – in de lokale omgeving dus. Ze moeten de steden, dorpen en buurten in. Daar is de politiek zichtbaar, daar leeft het bij de burger. Alleen zo kunnen partijen hun rol als makelaar tussen burgers en overheid behouden. Partijorganisaties doen echter het tegenovergestelde: ze zijn gericht op de staat en de nationale politiek. Illustratief is het verdwijnen van lokale kantoren van politieke partijen in verschillende Europese landen. Het signaal dat daarvan uitgaat, is dat de politiek steeds meer een nationale of Brusselse aangelegenheid wordt. Het werkt verdere electorale instabiliteit en ledenverlies van politieke partijen in de hand. Door lokale aanwezigheid en regelmatig contact tussen volksvertegenwoordigers en kiezers komt de politiek weer dichter bij de burgers te staan. Politiek geïnteresseerde burgers zijn op elke straathoek in ons land te vinden. Maar dan zijn er wel politieke partijen nodig die de moeite nemen om ze daar ook op te zoeken.

Dit artikel verscheen eerder in TC/Tubantia.

Gerelateerde artikelen