9 mins

De wankele democratie & Politieke partijen: overbodig of nodig

dubbelrecensie

Het weekend voor het herfstnummer van De Helling verschijnt over de rol van de politiek in de hedendaagse samenleving, bieden we u alvast wat stof tot nadenken in de vorm van een dubbele De Helling Leest over twee gerelateerde publicaties die eerder dit jaar verschenen.

Afgelopen voorjaar deed Bureau de Helling verslag van twee verschillende boekpresentaties in politicologenland: de presentatie van ‘Politieke partijen: overbodig of nodig?’, de nieuwste bundel van de Raad voor het openbaar bestuur (Rob), en ‘De wankele democratie. Heeft de democratie haar beste tijd gehad?’, die gepresenteerd werd bij de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW). In het laatste verslag stipten we al aan dat beide publicaties een verschillende visie presenteren over de stand van de democratie in Nederland en beloofden we u een dubbele De Helling Leest met een duiding van beide publicaties, met hun overeenkomsten en verschillen. Met dit artikel lossen wij deze belofte in.

‘De wankele democratie’  is een toegankelijk boek dat als doelstelling heeft ‘[h]et in kaart brengen van de feitelijke grondslag voor de veronderstelling dat er sprake is van een legitimiteitscrisis’ van het Nederlandse democratische politieke stelsel. De auteurs definiëren zo’n legitimiteitscrisis als het wegvallen of sterk onder druk staan van de instemming van de burgers met dat politieke stelsel. In acht hoofdstukken wordt een verhaal met een duidelijke kop en staart uitgewerkt. De conclusie is dat er geen echte reden tot paniek is, de democratie is niet zo wankel als vaak wordt verondersteld. ‘Nederlanders zijn verrassend tevreden in vergelijking met burgers van andere Europese landen’ (p. 174). ‘Burgers zijn niet minder maar anders politiek actief geworden’ (p. 50). De afname in lidmaatschap van politieke partijen ‘maakt dan ook deel uit van een breder maatschappelijk proces dat niet uniek is voor de politiek’ (p. 51). Het is lovenswaardig dat de auteurs een poging tot relativeren ondernemen door opnieuw en grondig naar beschikbare cijfers te kijken. De conclusies zijn echter vooral gebaseerd op voor deze publicatie georganiseerde focusgroepen en niet op de grote hoeveelheid andere data die door de auteurs onderzocht werden. Volgens ‘De wankele democratie’ is er ‘geen wijdverspreide, universele legitimiteitscrisis, maar er zijn wel vertrouwensproblemen, met name met betrekking tot politieke partijen (p. 86).

De redactie van de Rob-bundel heeft gekozen voor een meer fragmentarische aanpak: vooraanstaande Nederlandse en Belgische politicologen is gevraagd een hoofdstuk te schrijven over hun expertisegebied. De redactie heeft de bijdragen geordend in achtereenvolgens een inleidend deel en delen over rekrutering en selectie; articulatie, aggregatie, integratie en programmering; mobilisatie en communicatie; en alternatieven voor het model van representatieve democratie. Het resultaat is een meer dynamische rondgang langs de nieuwste inzichten in de politicologie. Uiteraard is het voor de lezer minder eenvoudig een samenhangend narratief uit de Rob-bundel te destilleren dan uit ‘De wankele democratie’. De bundel mist een concluderend hoofdstuk, en dat is jammer aangezien de voorzitter van de Rob – Jacques Wallage – bij de presentatie van de bundel wel degelijk de conclusie leek te trekken dat het toekomstperspectief voor politieke partijen uitgesproken negatief is. De legitimiteitscrisis die door de titel van de bundel klinkt wordt echter lang niet in alle bijdragen in de bundel onderschreven. Daarnaast is het storend dat de bundel vol staat met spelfouten en (vooral) opmaakfouten. Dat is jammer, want het leidt de aandacht af van een aantal hoofdstukken die zeker de moeite van het lezen waard zijn.

Met name het vierde deel van de bundel (‘mobilisatie en communicatie’) bevat interessante bijdragen van Rens Vliegenthart, Niels Spierings & Kristof Jacobs, en André Krouwel & Jasper van de Pol. Zo onderzoekt Vliegenthart de nog wat onwennige relatie van veel politieke partijen met nieuwe media en de mogelijkheden die er liggen om verbinding te maken met burgers. Spiering & Jacobs zien veel mogelijkheden om met sociale media kiezers te mobiliseren, met ze van gedachten te wisselen en geld op te halen. Politieke partijen moeten daarbij wel accepteren dat ‘een sterke binding met partijen meer en meer iets van het verleden [is] (…) en kiezers zich op een meer fluïde manier aan meerdere partijen’ verbinden (p. 147). Krouwel & Van de Pol behandelen de verschillende methodes die ten grondslag liggen aan populaire stemhulpen op internet en wijzen daarbij op de signaleringsfunctie voor politieke partijen: ‘makers van een stemhulp leggen bloot waar partijen onduidelijk zijn en – door het debat met partijen aan te gaan over onduidelijke stellingname – worden partijen gedwongen meer duidelijkheid te verschaffen over hun standpunten’ (p. 159).

In de publicaties van de Rob en KNAW valt een aantal overeenkomstige thema’s op, te beginnen met het instituut van de politieke partij. De rol van de politieke partij is aan het veranderen. Waar politieke partijen zich tijdens de verzuiling opwierpen als de vertegenwoordigers van een bepaalde bevolkingsgroep, daar is die functie met de ontzuiling vrijwel verdwenen. Tegenwoordig worden partijen beschouwd als een onderdeel van het bestuurlijke landschap. Het feit dat het vertrouwen in politieke partijen steevast wordt vergeleken met het vertrouwen in de rechterlijke macht, de media en politici – in plaats van bijvoorbeeld de vakbonden – zegt genoeg. Het lidmaatschapsaantal van partijen lijkt synchroon te lopen met de veronderstelde afname van de vertegenwoordigende functie. In de periode 1960-2010 is het ledenaantal van alle politieke partijen meer dan gehalveerd: van 730.000 in 1960 tot 308.000 in 2010 (en dat terwijl Nederland in 1960 nog maar ongeveer 11,5 miljoen inwoners telde). Voorlopig vertonen de ledenaantallen nog een dalende trend. Daarnaast hebben burgers weinig vertrouwen in politieke partijen, ongeveer 40% van de burgers beweert nog vertrouwen te hebben in partijen. Voor de Rob zijn dit redenen om de noodklok te luiden, omdat de politieke partij volgens het orgaan binnenkort geen voldoende vertrouwen meer geniet. Volgens de auteurs van ‘De wankele democratie’ valt dit echter mee. In heel West-Europa zijn de ledenaantallen van politieke partijen sinds midden jaren zestig dalende, en wat betreft het vertrouwen in partijen staat Nederland nog steeds op een derde plek (p. 74). Er is sprake van emancipatie van de burger: ‘Burgers zijn niet minder maar anders politiek actief geworden’ (p. 50) stellen de auteurs. Wellicht hebben ze daar de ‘tegendemocratie’ van Pierre Rosanvallon in hun achterhoofd, al wordt deze niet met zoveel woorden genoemd. Rosanvallon doelt met zijn begrip ‘tegendemocratie’ op de toenemende mate van georganiseerd wantrouwen om democratische instituties te controleren. Hij ziet dit als een positieve ontwikkeling, een gezond teken van dynamiek in het democratische systeem.

In beide boeken wordt geconcludeerd dat Nederlandse politieke partijen steeds meer naar het midden trekken, wat grotendeels veroorzaakt wordt door hun inkapseling in het bestuurlijke systeem (zie onder meer de hoofdstukken van Deschouwer, Van Biezen en Kalma). Dit maakt partijen minder aantrekkelijk voor het electoraat en voor potentiële leden. Aan de andere kant trekken extreme partijen steeds meer kiezers, wat de stabiliteit van de middenpartijen en het politieke landschap niet ten goede komt. Zowel de Rob-bundel als ‘De wankele democratie’ draagt dezelfde oplossing aan: partijen moeten zich ideologisch scherper profileren zodat het onderscheid en het onderlinge debat weer tot leven komen. ‘De wankele democratie’ gaat zelfs een stap verder, door te pleiten voor een bipolarisatie van het partijstelsel. Onderling conflict lokt meer kiezers naar de stembus en maakt burgers en leden meer betrokken bij de politiek. Feitelijk bewijs dat een bipolair stelsel tot hogere tevredenheid onder burgers leidt wordt echter niet aangedragen en is ons niet bekend uit de literatuur.

Beide boeken wijzen nog op een andere oorzaak van het verminderde vertrouwen in politieke partijen – en de politiek in het algemeen: de toenemende zeggenschap van de Europese Unie. Nationale overheden dragen, al dan niet vrijwillig, steeds meer macht over naar het Europese niveau. Volgens Deschouwer (Rob-bundel, p. 25) neemt het Europese beleid meer zeggenschap van de politici weg. De nationale politici veranderen van responsive in responsible. Los van de mening van de kiezers tegenover het Europese project, merken de Nederlandse kiezers dat het speelveld van de nationale politiek en de nationale politieke partijen kleiner wordt. Deze beperkte macht motiveert kiezers niet om zich te verdiepen in de nationale politiek, aangezien deze toch steeds minder te zeggen heeft.

Een derde probleem dat beide bundels aanstippen, is het probleem van de diplomademocratie. In andere woorden: politiek is er steeds meer voor en door hoger opgeleiden. Mark Bovens en Anchrit Wille (2010) werkten deze stelling verder uit in hun boek ‘Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en democratie.’. Volgens hen zijn Kamerleden steeds vaker hoger opgeleid, wat de ‘kloof’ tussen de lageropgeleide burger en ‘de politiek’ zou vergroten. De Rob-bundel (onder anderen Deschouwer en Tiemeijer) vliegt de diplomademocratie vooral aan vanuit het perspectief van de politieke partij: deze moet toegankelijker en meer open worden voor iedereen. Daarbij kunnen partijen via nieuwe technologieën nieuwe doelgroepen aanboren.

‘De wankele democratie’ pleit voor de waarborging van een goede toegang tot de overheidsbureaucratie en de rechter. Dit zijn de basisvoorzieningen die de overheid aan iedere burger moet bieden. Zodra deze voorzieningen wegvallen zal, volgens de auteurs, de onvrede onder de laagopgeleiden zodanig toenemen dat de legitimiteit van het politieke systeem ter discussie zal komen te staan. Ondanks deze aanbevelingen overtuigen de zorgen van de auteurs over laagopgeleiden niet volledig, iets wat wij ook aanstipten in ons verslag van de boekpresentatie bij de KNAW. Wellicht komt dit door een wat ambivalente, slecht geargumenteerde interpretatie van sommige getallen. Als voorbeeld: de resultaten van een onderzoek naar de tevredenheid met het functioneren van de democratie in Nederland worden toegespitst op de betekenis die mensen het begrip ‘democratie’ toekennen. Wanneer ‘tevreden over vrijheid en rechten’ wordt onderzocht, schrijven de auteurs over grote tevredenheid bij hoogopgeleiden, ‘maar ook onder laagopgeleiden ligt de tevredenheid nog altijd op 57%’. Wanneer vervolgens ‘tevredenheid over wijze waarop besluiten tot stand komen’ wordt besproken vinden de auteurs de cijfers alarmerend, ‘[s]lechts de helft van alle ondervraagden is tevreden, terwijl dit percentage voor de laagopgeleiden onder de 40 procent ligt’. Dit wekt de schijn van framing van de data ten faveure van het argument. Uiteraard gaat het de auteurs hier om het feit dat het van belang is om te specificeren wat proefpersonen verstaan onder democratie, voordat conclusies kunnen worden getrokken over een eventuele legitimiteitscrisis. Dit wordt overtuigend aangetoond. Minder overtuigend is de wijze waarop sommige cijfers voor laagopgeleiden als positief bestempeld worden, terwijl vergelijkbare cijfers voor totale doelgroepen (laag, midden en hoogopgeleid) als laag bestempeld worden. Blijkbaar accepteren de auteurs een granieten bestand van 43% ontevreden laagopgeleiden als bestaand gegeven.

Beide boeken gebruiken de metafoor van ziektes en bijbehorende diagnoses om de gezondheid van de Nederlandse democratie te doorgronden. De auteurs van ‘De wankele democratie’ vinden nadrukkelijk dat er geen sprake is van een legitimiteitscrisis: ‘[d]oor het probleem te benoemen als een legitimiteitscrisis wordt de verkeerde diagnose gesteld en worden medicijnen en therapieën overwogen die niet zonder bijwerkingen zijn, maar de kwaal niet zullen verhelpen’ (p. 202). Een andere passende term wordt niet genoemd, wij willen ‘functioneringscrisis’ opperen, aangezien de auteurs de nadruk leggen op onvolkomenheden in het functioneren van de Nederlandse democratie. Een remedie noemt ‘De wankele democratie’ wel: ‘[e]en investering in de toegankelijkheid van de overheidsbureaucratie is voor het vertrouwen van vooral lager opgeleide burgers dan ook minstens even belangrijk als een verdere democratisering van de politieke besluitvorming. Hetzelfde geldt ceteris paribus voor de toegang tot de rechter’ (p. 235). De Rob ziet wel degelijk kansen voor partijen om de ‘functioneringscrisis’ te lijf te gaan. Zo zouden politieke partijen door middel van onder andere primaries en meningsvorming of –monitoring op sociale media zeggenschap toegankelijker kunnen maken.

Een deel van het grote verschil in toon van beide boeken valt waarschijnlijk te verklaren door de gekozen focus. Het is begrijpelijk dat een nadruk op politieke partijen – zoals de Rob hanteert – negatiever stemt dan een onderzoek naar het veel bredere begrip democratie. Toch is er een grote overlap in de behandelde tendensen door de Rob-bundel en ‘De wankele democratie’, zoals de diplomademocratie, volatiliteit en verbestuurlijking van partijen en blijft er na lezing van deze boeken het onaangename gevoel bestaan dat het verschil in focus niet alle verschillen in conclusies verklaart. We zouden dan ook zeer benieuwd zijn wat de analyse van Jacques Wallage zou zijn als hij wel de conclusie van de Rob-bundel had geschreven.

Reactie toevoegen