4 mins

Zeven morele uitdagingen: armoede

De komende weken komt De Helling met een reeks morele uitdagingen in economische crisistijd. Basis voor deze reeks is een toespraak die Theo Salemink op 30 januari 2014 gehouden heeft tijdens de conferentie ‘Weg uit de crisis!?’, een tweejaarlijkse bijeenkomst van kerken, humanisten en vakbeweging op het hoofdkantoor van het FNV in Amsterdam. De eerste morele uitdaging: armoede.

Met de kennis van later is alles duidelijk. Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw vond een revolutie plaats, die we pas achteraf herkenden als revolutie. Een neo-liberale revolutie, die een nieuw tijdperk inleidde. Daniel Stedman Jones spreekt in 2012 in zijn boek Masters of the Universe over het neo-liberalisme niet enkel als een nieuwe theorie of ideologie, maar ook als een nieuwe politieke beweging. En deze nieuwe politieke beweging beloofde een nieuw tijdperk van mondiale groei en rijkdom, een gouden tijdperk dat via het wonderlijke mechanisme van de vrije markt ook de armoede zou doen verdwijnen. Totdat in 2008 Lehman Brothers failliet ging en er een wereldwijde crisis aanbrak. Sindsdien leven we in crisis en die gaat voorlopig nog niet over, al hoop ik dat ik ongelijk heb. En in een crisis worden alle oude zekerheden vloeibaar, ook die over eerlijk delen, solidariteit, verzorgingsstaat, werkeloosheid en duurzaamheid. Ik zal stil staan bij zeven morele uitdagingen in de crisis. De eerste uitdaging betreft armoede.

Marcel van Dam legde al in zijn boek Niemandsland in 2009, kort na het begin van de nieuwe crisis, een onrustbarende these op tafel. In Nederland heeft de politiek, met steun van de sociaaldemocraten, in de voorafgaande decennia, begeesterd door een neoliberale ‘utopie’, meegewerkt aan de afbraak van de verzorgingsstaat en is de economische positie van de 'armen' er juist in die tijd van booming business op achteruit gegaan. Men zou verwachten dat in een tijd van explosieve groei van de nationale rijkdom ook het aandeel van de armoede zou afnemen. Quod non. Het laatste hoofdstuk van zijn boek is dan ook cynisch getiteld ‘De onrendabelen’. De markteconomie is een welvaartsmachine gebleken, maar niet voor de ‘onrendabelen’, voor een groeiende groep mensen die door gezondheid, opleiding of psychische gesteldheid niet in staat zijn om mee te komen in de dynamiek van de wereldmarkt.

Om hoeveel mensen gaat het dan, als we spreken over ‘armen’? Recente publicaties van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), over de periode sinds 1985, laten de omvang en conjunctuur van armoede zien. In 1985 lag de armoede, begrepen als ‘niet veel maar toereikend’ (sociaal minimum), iets boven de 8%. Tot 1990 daalde de armoede naar iets onder de 6%, om daarna weer te stijgen naar het niveau van 1985, iets boven de 8 %. Inderdaad het kabinet-Lubbers III. Daarna daalde de armoede weer en bereikte deze het niveau van 5,5%. Maar de economische crisis vanaf 2008 buigt de trend om en laat het percentage weer stijgen tot een historische hoogte van rond de 8% in 2012/2013. Dat betreft het aantal van ruim 1,2 miljoen mensen in Nederland. Een enorm aantal, meer dan een miljoen. Zeker als je je realiseert dat ook de groep enigszins die boven deze armoedegrens leeft beslist een ‘karig bestaan’ heeft. Binnen deze grote groep Nederlanders zijn de effecten bovendien asymmetrisch verdeeld. Onder alleenstaande moeders met kinderen bedraagt het percentage 24%, daarna gevolgd door mensen met afkomstig uit gebieden als Marokko, Turkije, de nieuwe EU-lidstaten, de Antillen en Aruba. Hier schommelt het percentage tussen 17% en 22%. Met name de hoge armoede onder allochtonen, verbonden met een groeiend racisme in Nederland, zoals de ombudsman Alex Brenninkmeijer in oktober 2013 meldde, maakt het voor deze groep Nederlanders tot een bitter lot in crisistijd. 

Dit is een tantaluskwelling. Het moderne kapitalisme is technisch in staat honger en armoede uit de wereld te bannen, maar het gebeurt niet. De mensheid beschikte nog nooit over zoveel middelen om ieder mens boven de  armoedegrens in leven te houden. Dat is het grote succes van het kapitalisme met haar enorme productiviteit. In de westerse landen is het zelfs mogelijk om ieder mens op een redelijk niveau van welvaart te laten leven. Waarom verdwijnen armoede en honger dan niet? Waarom blijft er een ongelijke verdeling van rijk en arm, ook in de welvarende landen? Is dat enkel een technisch probleem van verdeling en management? Is het een politieke onwil van landen en groepen? Is het een morele onwil om van eigen welvaart een deel af te staan? Dat laatste roept een andere vraag op. Waarom zouden we eigenlijk armoede onaanvaardbaar vinden? Waar halen we onze morele verontrusting vandaan? Waarom geloven we niet in de mantra dat we de armen altijd bij ons zullen hebben of in de mantra dat de vrije markt de armoede uiteindelijk zal uitbannen?

Reactie toevoegen