4 mins

Zeven morele uitdagingen: solidariteit

De komende weken komt De Helling met een reeks morele uitdagingen in economische crisistijd. Basis voor deze reeks is een toespraak die Theo Salemink op 30 januari 2014 gehouden heeft tijdens de conferentie ‘Weg uit de crisis!?’, een tweejaarlijkse bijeenkomst van kerken, humanisten en vakbeweging op het hoofdkantoor van het FNV in Amsterdam. De vijfde morele uitdaging: solidariteit.

Argumenten zijn contextueel. Ik bedoel niet de verschillen in cultuur of tijd – dat ook – maar ik bedoel dat het verschil maakt of je slachtoffer bent van de crisis of niet. Immers, als acht procent werkloos is, dan is 92 procent dat niet. Als acht procent arm is, dan is 92 procent dat niet. Als er 350.000 mensen in de bijstand zitten, dan zitten heel veel mensen niet in de bijstand. Eenzelfde redenering geldt voor arbeidsgehandicapten of voor mensen die afhankelijk zijn van zorg. Het is logisch dat slachtoffers hopen op betere tijden, maar waarom zou de grote meerderheid solidair zijn? Waarom zouden ze snijden in eigen vlees en een deel van het eigen inkomen en vermogen afstaan aan anderen? Zeker als het geen familie of bekenden zijn, maar mensen ver weg, anoniem en ‘vreemd’? Of mensen in een ander werelddeel die we alleen digitaal of mediaal kennen?

Ging het vroeger over klassenstrijd tussen kapitaal en arbeid, tussen een rijke elite en een brede laag van arbeiders met beperkte rijkdom, anno nu is daar een nieuwe dimensie bij gekomen. De strijd om de middenklassers. Hoe verhouden de oude idealen van gelijkheid, nivelleren, herverdelen, verheffen en emancipatie zich tot het ontstaan van een brede middenklasse, die in het neoliberale tijdperk redelijk welvarend geworden is en die het geld op moet brengen voor een ingrijpende herverdeling van de rijkdom ten gunste van de armen. Denk aan de oproer in welvarend Nederland, gestuurd door het dagblad de Telegraaf, toen het kabinet Rutte II op basis van het regeerakkoord in 2012 de zorgpremies inkomensafhankelijk wilde maken. De PvdA had het voorrecht dit dossier zelf te mogen invullen. Voor mensen met een laag inkomen zou het voorstel betekenen dat zij veel minder kwijt waren aan premies. Wie 35.000 euro per jaar verdiende, betaalde een paar tientjes meer. Voor mensen met een inkomen van 50.000 euro per jaar scheelde het al ruim 1000 euro. Daar boven nog meer, al werd het een en ander toch ook weer via de belastingen gedeeltelijk gecompenseerd. Het waren niet enkel de superrijken die hier getroffen werden, het waren ook de middeninkomens die fors zouden moeten bijdragen aan een herverdeling van de lasten ten gunste van wat vroeger ‘de armen’ heette. VVD en PvdA hadden buiten de waard gerekend. Een massale golf van verzet kwam op bij de achterban van de VVD, in mindere mate ook bij de middenklasse-achterban van de PvdA. De voorzitter van de PvdA, Hans Spekman, mag dan zeggen dat nivelleren een feest is, nog een doorwerking van een oude, egalitaire droom van de socialisten, de middenklassers in Nederland waren not amused.

Nivelleren doet pijn voor groepen die in de afgelopen decennia juist een zekere rijkdom verworven hebben. De politieke achterban van met name de  VVD en de Telgraaf wil of kan deze solidariteit met de lagere inkomens niet opbrengen, terwijl de politici in de PvdA politieke zorgen hebben over het voorbestaan van het kabinet en over de economische kwetsbaarheid van de  overheidsfinanciën in crisistijd. Populistische geluiden gaan rond: het kabinet pakt de ‘hardwerkende Nederlanders’ met een middeninkomen te hard aan. De VVD-raadsfractie in Schijndel schreef op 31 oktober 2012 aan de VVD-Tweede Kamerfractie dat het een grote vergissing is, ze noemden het zelfs een blunder: “Door dit besluit zullen miljoenen gezinnen hard geraakt worden in hun inkomen, waarbij met name de middeninkomens de dupe zijn. Hardwerkende Nederlanders die vaak met zijn tweeën kostwinner zijn om zo een redelijk goed inkomen te vergaren” […] De niet-werkende Nederlander gaat in deze plannen vooruit terwijl de ruggengraat van Nederland, de werkende burger, zwaar, te zwaar wordt aangepakt.” De Telegraaf kopte op 1 november 2012: ‘Marx’ Rutte: Kampioen nivelleren. Dat doet pijn. Rutte te vergelijken met Marx. In de aanloop naar de verkiezingen had Rutte nog zo gehamerd op het gevaar van de socialisten. In het hoofdredactioneel commentaar van de Telegraaf: “Hier worden gewone, hardwerkende Nederlanders keihard gepakt. Alle zekerheden vallen voor hen weg. Rutte pleegt ronduit kiezersbedrog.” En ook: “Een klap in het gezicht van hardwerkend Nederland”. De mailboxen van de VVD-kamerleden ontploften. De druk was te groot, het regeerakkoord werd bijgesteld: de PvdA was bang voor nieuwe verkiezingen, de VVD was bang haar achterban aan Wilders te verliezen.

De grenzen van solidariteit zijn bereikt. Dat roept ook nieuwe vragen op. Moeten de middenklassen vooral moreel uitgedaagd moeten worden in plaats van ‘gekoesterd’. Maar met welke argumenten? Beroep op solidariteit met de minsten, een sterk christelijk motief? Of moeten we wijzen op een welbegrepen eigen belang? Te grote maatschappelijke ongelijkheid heeft immers een prijs. Een prijs van groeiende tegenstellingen, maatschappelijke spanningen, toenemend populisme. Dat zal ook de middenklassers raken.  Beter iets van eigen welvaart inleveren dan maatschappelijke onrust riskeren. Of moeten we juist middenklassers ontzien, omdat een te sterke inbreuk op hun redelijke welvaart, zeker in crisistijd, juist deze middenklassers gevoelig kan maken voor populistische of conservatieve oplossingen. Wat betekent solidariteit en welke argumenten overtuigen?