4 mins

Zeven morele uitdagingen: werkloosheid

De komende weken komt De Helling met een reeks morele uitdagingen in economische crisistijd. Basis voor deze reeks is een toespraak die Theo Salemink op 30 januari 2014 gehouden heeft tijdens de conferentie ‘Weg uit de crisis!?’, een tweejaarlijkse bijeenkomst van kerken, humanisten en vakbeweging op het hoofdkantoor van het FNV in Amsterdam. De derde morele uitdaging: werkloosheid.

Het gaat niet alleen om rijkdom en armoede, om inkomen en vermogen. Het gaat ook om het hebben van werk. In de nieuwe crisis sinds 2008 staat arbeid onder grote druk. In Nederland is 8,5 procent van de beroepsbevolking werkloos. In sommige Zuid-Europese landen staat het cijfer rond de 25 procent en voor jongeren rond de vijftig procent. De officiële cijfers laten bovendien een aantal werklozen buiten het zicht. Een aantal voorbeelden: mensen die na langdurig zoeken het maar opgegeven hebben en zich ook niet meer laten inschrijven. Of mensen die graag een fulltime baan zouden willen, maar die niet kunnen verwerven en ongewild in deeltijd werken. Gezinnen die hun leven ingericht hadden op tweeverdieners, maar waar een van de partners werkloos wordt. Mensen die veel overwerkten en daarmee financieel rondkwamen, maar nu geen overwerk meer hebben. Mensen die als zzp’ers met een minimaal inkomen rond proberen te komen. Mensen die ver onder hun niveau een baan accepteren en daardoor veel arbeidsvreugde inleveren. Mensen die na bezuinigingen en inkrimping extra hard moeten werken om het werk van ontslagen collega’s op te vangen.

Het is ook nog mogelijk te wijzen op de toenemende flexibilisering van de arbeid, waardoor de zekerheid die uit vaste contracten voortvloeit minder wordt. De angst en onrust van mensen nemen toe. Er gaan ook steeds meer stemmen op om de duur van de werkloosheiduitkering te verkorten en de rechten van de werkenden te verminderen. Daardoor is niet alleen de werkloosheid de facto veel hoger dan de officiële cijfers van 8,5 procent doen vermoeden, maar ook de condities voor de werkenden en werklozen zijn verslechterd. Daarnaast is de psychologische schade voor langdurig werklozen groter geworden. Dan spreken we nog niet over de jonge mensen die voor het eerst een baan zoeken, geen baan vinden, geen werkervaring opdoen, langer thuis moeten wonen, psychische problemen krijgen. Met andere woorden: zij dreigen een ‘verloren generatie’ te worden.

Het oude ideaal van volledige werkgelegenheid, geboren uit de Grote Crisis van de jaren dertig, is van de politieke agenda verdwenen. De huidige politiek zegt dat het begrotingstekort niet boven de drie procent mag komen, een magisch grens voor bezuinigingen. De FNV zegt bij monde van bestuurslid Leo Hartveld in een interview met Hub Crijns, directeur van DISK, dat een dergelijke harde grens van drie procent ook zou moeten gelden voor werkloosheid. Meer dan drie procent werkloosheid in Nederland is onaanvaardbaar. De commissie-Melkert van de PvdA stelde in een recent rapport de grens op vijf procent. Als we deze harde grens serieus nemen en beseffen dat er een langere periode van stagnatie aankomt, dan bestaat er maar één oplossing: herverdelen van betaalde arbeid. Als er in crisistijd minder betaalde arbeid beschikbaar is, kunnen we het geringer aantal banen delen door allemaal minder te werken. In plaats van 40 uur 32 uur werken bijvoorbeeld. Arbeidstijdverkorting heette dat in de kleine crisis van begin jaren tachtig. Dat was toen een hot item, zeker in de vakbeweging. Dat zou nu weer op de agenda moeten komen. Het deeltijd werk wordt laagdrempeliger door het invoeren van een basisinkomen voor iedereen. Als recht, niet als gunst. Ook zo’n oud agendapunt. Met zo’n basisinkomen kunnen mensen gemakkelijker besluiten om het beperkte werk eerlijker te delen.

Maar ook hier dringt zich de morele vraag op. Waarom zouden we eigenlijk de beschikbare arbeid moeten herverdelen, waarom is werkloosheid een ramp, waarom is volledige werkgelegenheid wenselijk? Waarom is het niet: eigen schuld, dikke bult? En ook: waarom zouden werknemers zeggenschap moeten hebben op arbeid en arbeidsomstandigheden? Waarom hebben arbeidsgehandicapten die minder productief zijn recht op werk? Waarom zouden we een eerlijke verdeling tussen jong en oud, tussen Noord en Zuid, tussen allochtoon en autochtoon willen of moeten nastreven? En hoe weten we dat?

Reactie toevoegen