Vrijzinnig paternalisme

Naar een groen en links beschavingsproject

Dit boek zoekt naar een nieuwe balans tussen individuele vrijheid en sociale verantwoordelijkheid. Het probeert een tussenweg te vinden tussen ouderwetse vormen van paternalistische bemoeizucht en het ideaal van individuele autonomie. 

Het is een klassiek liberaal uitgangspunt dat mensen zelf het beste weten wat goed voor hen is – als anderen dat beter denken te weten valt al gauw het verwijt van betweterij en betutteling. Maar alle idealen ontwikkelen een donkere zelfkant zodra ze worden verabsoluteerd, en het vrijheidsideaal vormt daar helaas geen uitzondering op: het kan doorslaan in egoïsme, narcisme, grotemondigheid en hufterigheid. Dat betekent echter niet dat we afscheid moeten nemen van het individualisme, maar dat het aan grenzen moet worden gebonden. Het moet worden getemperd en beschaafd, zodat het zijn asociale neigingen verliest.

De rationele burger en kieskeurige consument waar tot nu toe steeds vanuit is gegaan, blijkt niet of in onvoldoende mate te bestaan. De meeste mensen ‘kiezen’ gedachteloos uit sleur, angst of luiheid, willen het één maar doen het ander en lijken besluiteloos en wilszwak. Velen geven aan dat het aanbod aan keuzes te groot is, waardoor ze helemaal geen beslissingen meer kunnen nemen. Ze vragen om meer sturing en beperking van hun zogenaamde vrijheid. In plaats van te veronderstellen dát individuen vrij en soeverein zijn, kunnen we ons daarom beter afvragen in welke mate dat het geval is, en hoe hun autonomie zoveel mogelijk kan worden bevorderd. In het maken van onze keuzes zijn we altijd verbonden met en afhankelijk van anderen. Maar hoe kunnen overheid, professionals en burgers zich weer op een democratische wijze met elkaar gaan bemoeien? Welke technieken van overtuiging, sturing en verleiding kan de overheid inzetten om burgers aan te zetten tot gewenst, bijvoorbeeld milieubewust en solidair gedrag?

Voor GroenLinks is dit een interessante uitdaging, omdat de spanning tussen vrijzinnigheid en paternalisme in deze partij altijd voelbaar is geweest. GroenLinks is vanouds een emancipatiepartij die opkomt voor de autonome rechten van minderheden en pleit voor de eigen ontwikkeling van individuen. In de afgelopen jaren is de partij een meer sociaal-vrijzinnige koers gaan varen. Ze is zich duidelijker gaan afzetten tegen het moralistische ‘geheven vingertje’ en het klassieke collectivisme van de ‘bevoogdende staatsarrangementen’. Tegelijkertijd verwijzen zowel het groen als het rood in het logo nog altijd naar een sterke focus op collectieve belangen. Het is evident dat een duurzame, diverse en ontspannen samenleving, waarin alle mensen gelijke kansen krijgen op een goed en gelukkig leven, niet naderbij kan worden gebracht zonder overheidsbemoeienis en een sterker verantwoordelijkheidsgevoel van burgers voor elkaar en voor de samenleving.

Dat wil zeggen dat het emancipatie-ideaal zoals dat binnen GroenLinks (en andere progressieve partijen) leeft nadere uitwerking verdient. Emancipatie leidt niet vanzelf tot goed gedrag. Als het wordt gelijkgesteld aan de maximale ontplooiing van de individuele keuzevrijheid, ontwijkt men de vraag waartoe die ontplooiing eigenlijk dient. Als het er om gaat mensen alle kansen te geven het beste uit zichzelf te halen, is het van cruciaal belang om de normatieve definitie van dat ‘beste’ (van het goede leven) niet zonder meer aan de individuen zelf over te laten. Het vergt een normatieve visie op de contouren van een beschaafde, tolerante en vrijzinnige samenleving, die de individuele vrijheid koestert maar deze tegelijkertijd matigt en begrenst. Vrijzinnig paternalisme is een houding van ‘beter weten’ zonder arrogante betweterij. Pas als bescheidenheid postvat aan zowel de kant van het individu als van de overheid, als goedbedoelde bemoeienis niet meteen wordt weggezet als ondraaglijke betutteling, kan er een vruchtbare dialoog ontstaan over de inhoud van het goede leven en een vrije maatschappij.

Een veelbesproken voorstel tot het sturen van burgers is dat van Sunstein en Thaler, die het begrip ‘libertair paternalisme’ hebben gemunt. Volgens hen kunnen de keuzemogelijkheden van mensen zodanig worden (her)ingericht dat hun betere ik het wint van hun slechtere ik, zonder dat die keuzes op een bevoogdende manier aan hen worden opgedrongen. De ‘keuze-architectuur’ van de sociale en materiële omgeving kan zodanig worden beïnvloed dat mensen een duwtje (nudge) in de goede richting krijgen. Denk hierbij aan het verplaatsen van gezond voedsel in de kantine naar ooghoogte. Of het veranderen van een default, zoals in het geval van het donor-codicil dat in plaats van ‘nee, tenzij’ als ‘ja, tenzij’ wordt geformuleerd. Burgers worden op deze manier in de gewenste richting gestuurd zonder dat zij al te zeer in hun keuzevrijheid worden beknot: zij kunnen nog steeds de ‘verkeerde’ keuzes maken.

Nudging via wijziging van de keuze-architectuur is daarmee een interessante toevoeging aan het spectrum van beïnvloedingsmogelijkheden, maar het kan niet de enige oplossing zijn. Met duwtjes in de goede richting wordt bijvoorbeeld het klimaatprobleem niet opgelost: hier zijn zwaardere, meer dwingende middelen van marktregulering en overheidsinterventie nodig. Daarnaast lijkt het ‘libertair paternalisme’ onvoldoende recht te doen aan de autonomie van mensen. Het gaat er immers van uit dat menselijke voorkeuren onveranderlijk zijn en dat mensen niet kunnen leren, via de weg van de rationele overtuigingskracht en het democratische debat, om betere beslissingen te nemen. In dit opzicht is het nog te paternalistisch en te weinig libertair.

In dit boek nemen we daarom verschillende maatschappelijke ontwikkelingen en sectoren onder de loep, en per keer onderzoeken we wat de juiste verhouding is tussen de verantwoordelijkheid van de overheid, die van professionals en de eigen verantwoordelijkheid van burgers. We zijn daarbij geïnteresseerd in het gehele spectrum van gedragsprikkels tussen zachte voorlichting (bijvoorbeeld via Postbus 51-campagnes) en democratische discussie tot en met de harde dwang van overheidsregulering en wetgeving. Wat hier allemaal tussenin zit aan technieken van moreel appeleren, uitdagen, verleiden, voorbeeldgedrag, professionele coaching, etiquettes en gedragscodes, inspelen op eerzucht, framing, duwtjes geven, feedback door slimme apparatuur en financiële prikkels is wellicht interessanter dan de uitersten van vrije keuze en overheidsdwang. Het is belangrijk om de discussie over deze middelen van gedragsbeïnvloeding te heropenen, zonder te worden belast door antipaternalistische reflexen of angst voor betutteling. Kortom: het is tijd voor de heruitvinding van een vrijzinnig paternalisme.

Jaar: 

2011

Pagina's: 

285

Prijs: 

10 euro

ISBN: 

978-90-35137-02-8