11 minuten

De burger aan de macht

Naar een brede democratische agenda

De standpunten van GroenLinks over democratie en zeggenschap van burgers zijn zwak en beperkt, en bieden niet meer dan een bedeesd antwoord op de ruwe uitdagingen van het rechts-populisme. GroenLinks moet de komende decennia het ideaal van radicale democratisering opnieuw uitvinden.

Democratie zit GroenLinks in de genen. Maar wél in de vorm van links populisme (‘power to the people’). De vier linkse partijtjes die in de jaren 1989-1990 fuseerden tot GroenLinks deelden de eis van ‘radicale democratisering’. Zo streefde de PSP naar een ‘socialistische volksdemocratie’ waarin arbeiders- en burgerraden via direct zelfbestuur van onderop de ‘kapitalistische parlementaire schijndemocratie’ zouden vervangen.

In iets rustigere bewoordingen bepleitte ook de PPR een dergelijke ‘fundamentele’ democratisering van maatschappij en politiek, inclusief gekozen gezagsdragers en referenda, en sympathiseerde zij met buitenparlementaire actie en verzet.

De CPN stelde zich defensiever op, vanwege de blijvende verdenking van stalinisme.

De EVP ten slotte stond het minst kritisch tegenover het bestaande parlementaire stelsel. Maar ook zij bepleitte een direct-democratische verdieping ervan via het correctief referendum en het volksinitiatief - het recht van burgers om over een eigen voorstel een bindend referendum te houden - zoals al in 1985 voorgesteld door de staatscommissie-Biesheuvel.

De eerste beginselverklaringen en verkiezingsprogramma’s van GroenLinks namen het streven naar radicale democratisering over, gekoppeld aan – zoals de programma’s beschreven - een ‘drastische’ sociaaleconomische herverdeling. De opstellers hanteerden een brede opvatting van politiek, waarin GroenLinks eerder een politieke beweging was dan een kiesvereniging, en buitenparlementaire actie even belangrijk als parlementaire of partijpolitiek.

Wel was in het eerste decennium van de partij sprake van een toenemende matiging of ‘parlementarisering’, waarbij de ‘volksdemocratische’ impulsen van sommige voorloperpartijen plaatsmaakten voor het idioom van burgerschap en participatieve democratie. Daarnaast werd directe democratie principiëler opgevat als een aanvulling op (in plaats van een vervanging van) het parlementair-vertegenwoordigende stelsel.

Met deze intentie bepleitte het rapport Duurzame democratie. GroenLinks en politieke vernieuwing van de commissie-Duyvendak uit 1993 behalve het referendum en het volksinitiatief ook een verzwaring van de voorkeurstem, zodat burgers de door de partijen opgestelde kieslijsten konden veranderen en zo een meer directe invloed kregen op de keuze van hun politieke vertegenwoordigers.

Hetzelfde voorstel keerde terug in de verkiezingsprogramma’s van 1994 en 1998, met als doel dat burgers ‘de kans krijgen om hun volksvertegenwoordigers persoonlijk te kiezen’.

Kanteljaar 2002

Maar dan komt het kanteljaar 2002, met de opkomst van en de moord op Pim Fortuyn en het aantreden van het kabinet Balkenende-I met de verweesde LPF. Vanaf dat ogenblik wordt progressief (groen) links opgejaagd door de ‘geest van Pim’. De radicale democratiseringsagenda, inclusief de ‘letterlijke’ opvatting van democratie (‘alle macht aan het volk’), directe persoonsverkiezingen en referenda, wordt gekaapt door populistisch rechts en stort links in zelfconfrontatie, verwarring en onmacht.

Want wat betekent democratisering eigenlijk nog als personendemocratie bij populistisch rechts ontaardt in mediaspektakel, celebritypolitiek en autoritair leiderschap? Wat als referenda-uitslagen ineens worden uitgelegd als de ‘stem van het volk’ die altijd gelijk heeft en een ‘tirannie van de meerderheid’ legitimeert? Wat als we zelf door rechtspopulisten worden uitgescholden voor ‘elite’ en als onderdeel worden gezien van een regenteske ‘karteldemocratie’ waarin de gevestigde partijen onder één hoedje spelen?

Het gevolg van dit kanteljaar is een terugtrekkende beweging bij alle progressieve partijen, die defensief tegen het bestaande representatief-parlementaire stelsel aan schurken, zeker na de onverwachte ‘successen’ van referenda, zoals die over de Europese Grondwet (2005), het minarettenverbod in Zwitserland (2009), het Oekraïne-verdrag (2016) en de Brexit (2016).

Zo zet D66 zijn ‘kroonjuwelen’ zoals de gekozen burgemeester eerst op de plank en later in de ijskast, en vergeet de partij het pleidooi van Hans van Mierlo voor de personalisering van de politiek en diens scepsis over de politieke partij als machtsinstituut. Ook GroenLinks schrapt stilzwijgend voorstellen (waaronder de voorkeurstem) die een meer directe persoonlijke band tussen kiezer en gekozene willen bewerkstelligen.

Het correctief referendum en het volksinitiatief lijden minder aan dit personalistisch ‘risico’ en blijven voorlopig gehandhaafd.

Stem des volks

In 2005 dient GroenLinks zelfs samen met de PvdA en D66 twee initiatiefwetten in die het raadgevend en het correctief referendum moeten regelen. Daarbij nemen de partijen scherp afstand van de populistische opvatting die het referendum viert als antiparlementaire ‘stem des volks’.

Het wordt nadrukkelijk verdedigd als een aanvulling op het parlementair-representatieve stelsel en als een nieuw democratisch communicatiemiddel dat de professionele politiek niet vervangt, maar kan zorgen voor een intensievere wisselwerking tussen politici en hun kiezers.

Er bestaat een intrigerend contrast tussen het GroenLinks-verkiezingsprogramma Overvloed en onbehagen uit 2002, geschreven vlak vóór de Fortuyn-doorbraak, en het pamflet Agenda voor een democratische cultuur, dat later in hetzelfde jaar door het wetenschappelijk bureau van de partij werd uitgebracht als een eerste antwoord op de fortuynistische uitdaging.

Het populisme werd neergezet als een uit de hand gelopen vorm van consumentensoevereiniteit (‘u vraagt, wij draaien’)

Terwijl het eerste stuk nog een brede ‘Agenda voor radicale democratisering’ bevatte, focuste het tweede vrijwel exclusief op het ideaal van deliberatieve burgerparticipatie, en zwijgt het over andere vormen van directe democratie. Het populisme werd neergezet als een uit de hand gelopen vorm van marktdenken en consumentensoevereiniteit (‘u vraagt, wij draaien’).

Maar, zo onderstreepten de auteurs, de democratie is geen kwestie van ‘zelfbediening van burgers’. Politici moeten niet alleen luisteren naar de (boze) burger, maar hun wensen en belangen ook publiekelijk afwegen, via confrontatie, deliberatie en dialoog.

Deze zogeheten civic turn verplaatste de aandacht van de politieke naar de sociale democratie, en dus van ‘klassieke’ kwesties van staatkundige vernieuwing naar de participatieve zeggenschap van burgers in buurten, bedrijven, scholen, zorginstellingen.

Veelzeggend is dat die aandacht voor maatschappelijke democratisering geheel ontbreekt in de programma’s van de rechts-populistische partijen, die burgerschap blijven opvatten in eng-politieke en selectief-nationalistische zin. Maar dit betekent ook dat de progressieve partijen steeds behoudender worden als het gaat om de mogelijke renovatie van het parlementaire stelsel.

Nadat in 2005 tijdens de ‘Paascrisis’ de poging van D66-minister Thom de Graaf om de burgemeestersbenoeming directer te maken in de Eerste Kamer werd getorpedeerd (met hulp van de PvdA en GroenLinks), belandden ook de hervormingsadviezen van de Nationale Conventie (2005) en het Burgerforum Kiesstelsel (2006) in de diepe Haagse la. In 2007 droeg uiteindelijk PvdA-minister Guusje ter Horst de direct gekozen burgemeester ten grave – terwijl zij daar in haar tijd als eerste burger van Nijmegen nog een voorstander van was.

In het GroenLinks-verkiezingsprogramma van 2010 lag vervolgens alle nadruk op afslanking van het openbaar bestuur en het vergroten van actief burgerschap. Voor het eerst sinds de oprichting ontbrak daarin het referendum, terwijl het wél prominent prijkte in de programma’s van Wilders’ PVV en Verdonks Trots op Nederland. Ook het spandoekwoord ‘radicale democratisering’ ontbrak, maar stond wél vooraan in het PVV-programma: ‘Alleen een radicale democratisering kan de dominantie van de elites breken.’

Persoonlijke noot: op het verkiezingscongres verdedigde ik als lid van de programmacommissie het referendum tegen een anti-referendummotie van Dwars, maar verloor ik dit pleidooi met drie stemmen verschil. Aangezien de Tweede Kamerfractie bij monde van Femke Halsema nog steeds beide referendumvoorstellen verdedigde, besloot het bestuur de fractie daarin te blijven steunen, maar ook om een ‘breed debat’ te voeren over de plaats van het referendum in het vertegenwoordigende stelsel, en meer in het algemeen over de inrichting van de democratie.

Weg referendum

Dat debat is er nooit gekomen. Wél herhaalde zich hetzelfde tafereel in 2017 bij de vaststelling van het verkiezingsprogramma Tijd voor verandering. Het conceptprogramma bevatte opnieuw het correctief referendum, alsmede een verlaging van de drempel voor het inmiddels door de Staten-Generaal aangenomen raadgevend referendum.

Maar een succesvol amendement van Van Hooijdonk e.a. verving de betreffende passage door de tekst: ‘GroenLinks is voorstander van nieuwe vormen van deliberatieve democratie… Deze benadering doet meer recht aan de complexiteit van maatschappelijke vraagstukken dan de ja-nee-vraag in referenda. Er wordt een procedure ontwikkeld om deliberatieve democratie in te zetten en deze komt in plaats van de referendumwet.’

De ‘uitruil’ tussen referendum en participatieve democratie werd daarmee definitief beklonken.

In de nasleep hiervan trekt ook GroenLinks de handen af van het eigen voorstel voor een correctief referendum. Als ultieme nederlaag schaft D66-minister Ollongren vlak na haar aantreden in 2018 ook het raadgevend referendum af, onder hoongelach van GeenStijl en de rechts-populistische partijen.

Intussen moet het kabinet-Rutte III, dat nul ambitie toont op het gebied van democratisering, wél reageren op het rapport Lage drempels, hoge dijken van de staatscommissie-Remkes uit december 2018. Pikant genoeg adviseert deze commissie om het eerder door het Burgerforum Kiesstelsel in 2006(!) uitgewerkte voorstel in te voeren, waarbij de persoons- of voorkeurstem meer gewicht krijgt dan nu het geval is.

Dit idee wordt in principe overgenomen, maar het voorstel voor een direct gekozen formateur wordt meteen afgeschoten (‘past niet in het systeem’) en over het bindend correctief referendum wil het kabinet ‘langer nadenken’ (= ijskast = afstel?). In het spoor van de staatscommissie dient vervolgens de SP (bij monde van Tweede Kamerlid Ronald van Raak) opnieuw een initiatiefvoorstel in voor het correctief referendum, dat inmiddels positief is beoordeeld door de Raad van State.

Offensieve koers

Wat kan GroenLinks leren als het kijkt in deze historische spiegel? Ik denk dat we ons ideaal van radicale democratisering opnieuw moeten uitvinden. De huidige standpunten over democratie, stemrecht en openbaar bestuur zijn uitgesproken zwak en beperkt, en bieden niet meer dan een bedeesd antwoord op de ruwe maar terechte uitdagingen van het rechtspopulisme.

We moeten een meer offensieve koers durven varen en een bredere democratische agenda bepleiten, die zich niet alleen richt op burgerparticipatie, maar ook andere direct-democratische instrumenten zoals het referendum serieus neemt. Hoe ziet zo’n agenda er in grote lijnen uit?

  1. We beginnen met een klassieker: de republiek. De PSP wilde de monarchie nog afschaffen. GroenLinks bepleit tot 2002 nog een door de Staten-Generaal gekozen staatshoofd, maar verwatert die eis geleidelijk tot het huidige standpunt dat Nederland ‘op termijn een republiek moet worden’. Waarom niet: ‘Bij de volgende troonswisseling een referendum over de monarchie en ondertussen de financiën van het koningshuis steviger aanpakken’?
     
  2. Een tweede klassieker: uitbreiding van het kiesrecht. Ten eerste, volgens de Greta Thunberg-norm: verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd naar 16 jaar (zoals nu al bepleit, maar dit kan krachtiger en urgenter) en uitbreiding van het stemrecht van migranten en EU-burgers met een verblijfsvergunning (idem).

    Daarnaast is een betere representatie nodig van dieren, planten, rivieren, zeeën en andere wateren, bergen en landschappen, kortom, van de natuur. Ook het hiermee overlappende idee van de Franse filosoof Bruno Latour voor een ‘parlement van de dingen’, verdient de volle aandacht. De (transparanter gekozen) Eerste Kamer kan hiervoor worden ingericht, die als een werkelijke chambre de réflexion gaat functioneren: als woordvoerder van de langere termijn, van toekomstige generaties, van de belangen van niet-menselijke wezens en van de natuur.  
     
  3. Burgerparticipatie en referenda zijn geen conflicterende alternatieven, maar vullen elkaar aan en compenseren elkaars zwakheden. De deliberatieve democratie heeft elitaire trekjes, omdat het ‘ons soort mensen’ voorrang geeft: de gemakkelijke praters, de mensen met tijd, kennis van zaken en zelfvertrouwen (de ‘participatietijgers’). Stemmen en kiezen zijn simpelere, minder tijd en kennis kostende instrumenten, en dus toegankelijker voor minder hoog opgeleide en minder geëngageerde burgers .

    Gebonden aan duidelijke voorwaarden die populistisch misbruik en extreme polarisering tegengaan, zorgen raadgevende en correctieve referenda en het volksinitiatief voor een intensivering van de checks and balances van de representatieve democratie. Vaker stemmen veronderstelt ook dat de stemprocedure zelf wordt vergemakkelijkt, bijvoorbeeld via (experimenten met) elektronisch stemmen en andere vormen van e-democracy.
     
  4. Nog een klassieker voor GroenLinks: een democratisering van de economie die politieke democratie koppelt aan maatschappelijke democratie en beide in dienst stelt van de strijd tegen sociaaleconomische ongelijkheid en voor herstel van de publieke sector.

    Nieuwe inspiratie hiervoor leveren het municipalisme en de commons-beweging, die nieuwe vormen van publieke eigendom en zeggenschap voorstaan in cruciale sectoren als de zorg, de huisvesting, de water- en energievoorziening, de afvalverwerking en de digitale communicatie.  
     
  5. Geen koudwatervrees voor personalisering van de politiek. De nieuwe directheid van politieke communicatie via de media heeft niet alleen populistische nadelen, maar biedt ook democratische kansen. Burgers kunnen daardoor een meer ‘affectief’ vertrouwen stellen in zichtbare leidersfiguren, hun politieke ideeën en hun politieke stijl.

    Personendemocratie (in de vorm van directe verkiezingen van gezagsdragers zoals de burgemeester, de formateur en/of de premier) zorgt voor meer onafhankelijke politici, meer politiek dualisme en een grotere herkenbaarheid bij kiezers die geen geduld hebben voor uitgewerkte partijprogramma’s. Een verzwaring van de voorkeurstem (zoals al bepleit door het Burgerforum Kiesstelsel en opnieuw door de commissie-Remkes) kan Kamerkandidaten voorzien van een meer persoonlijk mandaat.

    Ook het voorstel voor een gekozen formateur past in deze denkrichting, net als experimenten met directe burgemeestersverkiezingen in de grote steden.
     
  6. Urgent in het tijdperk waarin ‘de leugen regeert’: versterking en democratisering van de publieke omroep en de onafhankelijke journalistiek, politieke regulering van sociale mediagiganten als Twitter, Facebook, Google en YouTube, en intensivering van de ‘mediawijsheid’ en democratische burgerschapsvorming in het onderwijs en andere maatschappelijke instellingen.
     
  7. Ten slotte: door de populistische uitdaging weten we beter wat democratie niet is: de stem van het soevereine volk, vertaald naar het alleenrecht en het gelijk van de meerderheid, zoals belichaamd door een autoritaire leider. We kunnen met meer overtuiging en trots verdedigen wat democratie wél is: een systeem van pluralisme en matiging waarin de macht van de meerderheid wordt ingeperkt door constitutionele rechten voor minderheden en universele mensenrechten.

    Aangezien minderheden ook hun eigen minderheden kunnen onderdrukken, komen we ten slotte uit bij bescherming van de minderheid van één als bottom line van de democratische rechtsstaat. De klokkenluider is daarvan het meest sprekende symbool.

    Maar daar hoort ook een relaxtere houding bij tegenover buitenparlementaire actie en burgerlijke ongehoorzaamheid (zoals dat van Extinction Rebellion): sentimenten die het radicale GroenLinks van de jaren negentig gunstig onderscheiden van de nogal brave partij van nu.  

Het slothoofdstuk van Het volk bestaat niet (2011) van Dick Pels bevat een uitvoeriger argumentatie voor democratische vernieuwingen. Het volk bestaat niet is gratis te downloaden via www.dickpels.nl.
 

Dit artikel staat in het lentenummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen