10 minuten

Moeten de feiten wel worden gered?

Dossier Red de feiten

Het beroep op feiten is in de praktijk vaak een slinkse manier om anderen te intimideren en het zwijgen op te leggen. Voor het herstel van onderling vertrouwen in politiek en samenleving hebben we dan ook niet meer feiten nodig, maar juist meer bereidheid om te erkennen dat de ander ook (voor een deel) gelijk kan hebben. Democratie is immers niet het organiseren van waarheid, maar van twijfel.

De corona-optimist: “Deze pandemie is een reality check zonder weerga! Wie kan de ernst ervan ontkennen? Corona maakt ons allemaal tot realisten. Eindelijk hebben we wat meer vertrouwen in de wetenschap, deskundigen, feiten en cijfers. So much for post-truth en de feitenvrije politiek!”

De corona-realist: “Oh werkelijk? En al die mensen dan die ‘vals alarm!’ roepen, die geloven dat corona niet erger is dan de gewone griep, dat Rutte liegt, het RIVM pseudowetenschap bedrijft en dat de overheid de pandemie misbruikt om ons een dictatuur in te rommelen? En al die autoritaire leiders die de feiten ontkennen, hun medische adviseurs ontslaan en geloven in bleekwater, bidprentjes of wodka? Waarom tieren de complottheorieën (QAnon, 5G, anti-vaxxers, Viruswaarheid) weliger dan ooit?”

Vat vol paradoxen                                                                  

Is Covid-19 een feit? Dat lijkt een idiote vraag, maar als we even nadenken blijkt de coronacrisis een vat vol paradoxen te zijn. Het valt inderdaad moeilijk te ontkennen (hoewel sommigen dat blijven doen) dat we worden geconfronteerd met iets groots en gevaarlijks.

Met een term van de Franse filosoof Bruno Latour: het virus is een machtige actor, die ons nare dingen aandoet. Als we het gevaar bagatelliseren en weigeren te luisteren naar medische experts, haalt het virus ons in en gaan we eraan dood. De cijfers over massasterfte, de waarschuwingen over overbelasting van de IC’s, de beelden van koelwagens voor de ziekenhuizen in New York en van massagraven in de rode aarde van São Paulo: wie vindt die bewijzen niet overtuigend?

Als de regering-Johnson niet zo lang had geaarzeld met de lockdown, had zij de helft (20.000!) van het huidige aantal coronadoden kunnen voorkomen, aldus de Britse epidemioloog Ferguson. Overal blijkt het virus opnieuw op te laaien als de regels te snel worden versoepeld en laksheid intreedt. De moeite die ontkenners doen om de doden- en besmettingscijfers te bagatelliseren, zegt al genoeg: blijkbaar dringen deze feiten zich zo heftig op dat ze uit alle macht moeten worden onderdrukt. In dit opzicht heeft het virus een dwingende realiteit.  

Niettemin blijven de contouren ervan onscherp, is nog steeds onduidelijk waar het vandaan komt, is het tasten naar effectieve remedies, en steggelen we over de sociale en economische gevolgen. Daarin verschilt Covid-19 niet wezenlijk van abstractere fenomenen als de klimaatopwarming (die wèl steeds scherpere contouren krijgt) of de komende economische crisis.

Existentiële risico’s als deze moeten nog steeds (wetenschappelijk) worden gerepresenteerd, zij ontkomen niet aan interpretatie en constructie. Tegelijkertijd blijkt dat de wetenschap niet met één mond spreekt, zoals de debatten over mondkapjes, aerosolen, hydrochloroquine, schoolsluitingen en de afweging tussen gezondheidsschade en economische schade uitvoerig laten zien.

Landen voeren sterk uiteenlopende corona-strategieën, ofschoon ze zich stuk voor stuk beroepen op hun medisch-wetenschappelijke teams. Dat gaat van vroege en strenge quarantaines (Nieuw-Zeeland, Zuid-Korea) via ‘intelligente’ lockdowns (Nederland) en experimenten met herd immunity (Zweden) tot en met struisvogelpolitiek, verlate reacties en zwalkend beleid (VS, VK, Brazilië, Rusland, Iran).

Vandaar de paradox: de corona-pandemie is een gegeven dat zich keihard opdringt (zoals een orkaan of een kernramp) maar dat niettemin verschillend kan en moet worden geïnterpreteerd. Het is een feit, maar ook een onzeker feit. Covid-19 ‘spreekt niet voor zich’. Het virus heeft net als andere feiten en actoren woordvoerders nodig die zeggen wat het wil en wat het doet.

Onzekerheid troef of dwingende waarheid?

Hier openbaart zich meteen een belangrijke asymmetrie tussen de houding van de mainstream wetenschap en democratische politiek en die van de populistische ontkenners. Terwijl de eersten erkennen dat ook inzake corona onzekerheid troef is en controverse onontkoombaar, claimen de laatsten een enkelvoudige, absolute, dwingende waarheid.

Premier Rutte waarschuwt dat ‘de cijfers er niet om liegen’, maar benadrukt ook dat zijn regering ‘met 50 procent kennis 100 procent van de beslissingen moet nemen’. Realisme stoelt hier niet op zekerheid maar juist op een besef van onzekerheid. Democratische leiders lijken het voordeel van de twijfel en het debat te waarderen, en worden daarin gesterkt door de wanprestaties van arrogante leiders, die niet luisteren naar hun medische experts (of die ‘alternatieve’ experts benoemen die hun ‘alternatieve’ feiten onderschrijven).

Een sprekend voorbeeld van dit mentaliteitsverschil levert de recente uitspraak van de voorzieningenrechter ten nadele van de actiegroep Viruswaarheid (eerder Viruswaanzin – de naamsverandering zelf spreekt al boekdelen). Terwijl zij pretendeert te weten wat de enig juiste aanpak is, siert het de staat, aldus de rechter, ‘dat hij erkent niet 100 procent zeker te weten of de gekozen aanpak achteraf de beste zal blijken.

Als je geen spoor van twijfel kent, heb je geen behoefte aan tegenwerpingen of democratisch debat

De staat stelt simpelweg keuzes te maken op basis van gedegen deskundige voorlichting, daarbij rekening houdend met alle (ook economische) belangen en met diverse onderzoeken rondom het virus’. Viruswaarheid meent daarentegen de waarheid in pacht te hebben, net als collega-populisten als Wilders (“De waarheid ligt niet in het midden maar aan onze kant, wen er maar aan”) en Baudet (“Mijn meningen zijn feiten”).

We stuiten hier op een van de meest basale scheidslijnen tussen (groepen) mensen, die even belangrijk is als religieuze, sociaaleconomische, politieke, etnische of nationale (en deze dwars doorsnijdt): die tussen absolutisten en pluralisten.

Democratie is de organisatie van onzekerheid, van matiging en checks and balances, niet van het gelijk van de ‘stem van het volk’ of (wat op hetzelfde neerkomt) dat van de autoritaire volkstribuun. Als je geen spoor van twijfel kent, heb je geen behoefte aan tegenwerpingen of democratisch debat. Het gaat om het gevoel, en ‘gevoelens liegen niet’. Mut zur Wahrheit is een bekende slogan van het rechtspopulistische Alternative für Deutschland. “Truth Matters”, zeggen de Flat-Earthers en alle andere complotdenkers.

Leven we in het tijdperk van de post-waarheid? Was het maar waar! De Waarheden met een hoofdletter vliegen ons om de oren. Truthiness -de expressie van gevoelens en meningen als harde feiten- is alomtegenwoordig. Wie het hardst schreeuwt, krijgt gelijk. Vaak zijn het niet meer dan losse beweringen (‘Hoax!’, ‘Rigged!’, ‘Fake News!’) die worden ‘waargemaakt’ door de maximale herhaling ervan via de nieuwe media. Dit nonchalante absolutisme wordt vaak verpakt in valse ironie, hondenfluitjes en een pose van vermoorde onschuld.                     

Feitenvrij absolutisme

Moeten de feiten worden gered van dit ‘feitenvrije’ absolutisme? Voordat we terugvallen in deze klassieke verlichtingsreflex, moeten we eerst vaststellen dat alle strijdende partijen zich op ‘de feiten’ menen te kunnen beroepen. Verwijten van ‘leugens’ en ‘nepnieuws’ gaan over en weer, van Trump richting mainstream media en vice versa, en van Viruswaarheid richting het RIVM en omgekeerd.

Fakten statt Fakes’ is het motto van een speciaal nummer van het AfD-blad Compact over de coronacrisis: “Warum sagen Sie nicht die Wahrheit, Frau Merkel?” Gegeven die jijbak-logica is het iets te gemakkelijk om de bekende formule van de Amerikaanse senator Daniël Moynihan maar weer eens te herhalen dat ‘iedereen recht heeft op zijn mening, maar niet op zijn feiten’.  

Het is daarom prikkelend om nog eens te kijken naar de geboortescène van de ‘alternatieve feiten’: de beruchte verdediging door Trumps voormalige spindoctor KellyAnne Conway van de uitspraken van perschef Sean Spicer over de aantallen aanwezigen bij Trumps inaugurele rede. Volgens Spicer was dit “the largest audience to ever witness an inauguration – period – both in person and around the globe”. Maar volgens vele commentatoren ‘spraken de feiten dit tegen’, zoals bewezen geacht door luchtopnamen van de National Mall en Washingtonse openbaar vervoersstatistieken.

De dag erop interviewde CNN Conway, die zich onsterfelijk maakte door te beweren dat de president en zijn perschef ‘alternatieve feiten’ hadden gehanteerd.

Verwijten van ‘leugens’ en ‘nepnieuws’ gaan over en weer, van Viruswaarheid richting het RIVM en vice versa

De interviewer en vele anderen sabelden deze vervolgens verontwaardigd neer als evidente leugens en onwaarheden. Conway sprak later van ‘alternatieve informatie’ en meende dat dergelijke publieksaantallen onmogelijk met zekerheid kunnen worden vastgesteld.

In een radio-interview van februari 2018 stelde zij dat professionele fact-checkers doorgaans politieke liberals zijn die selectief te werk gaan, terwijl “Americans are their own fact-checkers. People know, they have their own facts and figures, in terms of meaning which facts and figures are important to them”. Dus volgens haar hebben ‘de mensen’ wel degelijk recht op hun eigen feiten.

Het is wederom verleidelijk om hier een tegenstelling te zien tussen (onze) goede, feitengeladen en (hun) slechte, feitenvrije politiek. Maar het gaat hier eerder om een tegengestelde opvatting over wat feiten zijn en wat zij doen. Het belangrijkste in Spicers bewering is niet zozeer de inhoud ervan (we kennen Trumps kinderachtige wil om in alles de grootste, beste etc. te zijn), maar het stopwoordje ‘period’: een letterlijke discussiestopper. Conways ‘alternatieve feiten’ moesten dienen als bouwstenen van een verhaal waaraan niet kon en mocht worden getwijfeld.

Maar komt de knee-jerk reactie van de CNN-interviewer daar niet dicht bij in de buurt? Heeft het traditionele beroep op de objectieve feiten (die ‘voor zich spreken’) ook niet veel weg van een discussiestopper?

Misschien is het vloeken in de kerk (dat doe ik overigens graag), maar is het mogelijk om ‘alternatieve feiten’ serieuzer te nemen, meer ruimte laten voor het bestaan ervan? Want eigenlijk staan zij voor alternatieve waarheden, voor werelden die niet langer in contact staan met de onze. Zij staan voor het afkalven van onderling vertrouwen en van een basis van gemeenschappelijkheid; voor het (versoberende, misschien tragische) besef van de diepte van de kloven waardoor mensen worden gescheiden, die niet eenvoudig met rationele middelen te overbruggen zijn.     

Volumeknop

Dat betekent dat we beter ons best moeten doen om andersdenkenden van ons gelijk te overtuigen, zonder ons te beroepen op dooddoeners zoals ‘de feiten spreken voor zich’. Nee: wij spreken voor onszelf! ‘Het is een feit dat…’ is vaak niet meer dan een epistemologisch schouderklopje, een verheffing van stem, een draai aan de volumeknop.

De rede, de wetenschap of de feiten dwingen niet; het zijn altijd mensen die andere mensen dwingen. ‘Harde’ gegevens worden altijd ‘gegeven’ door mensen die er meteen een hard verhaal bij vertellen. Het beroep op de feiten is daardoor vaak een slinkse manier om anderen te intimideren en het zwijgen op te leggen. En laat dat nou precies zijn wat populisten met hun ‘alternatieve feiten’ beogen te doen.

Feiten zijn eerder ‘korte verhaaltjes’, die passen in grotere verhalen, die op hun beurt altijd normatief en politiek geladen zijn. Het zijn geen ‘dingen’ die een betoog in beton gieten, maar een ander soort argumenten. Ze spreken nooit voor zich, maar hebben altijd woordvoerders nodig die tevens belanghebbenden zijn. Dat betekent dat waarheid en macht, wetenschap en politiek, feiten en waarden veel nauwer verwant zijn dan vaak wordt gedacht.

Is dat erg? Welnee, er is wel degelijk leven na de waarheid.

In de strijd tegen het nieuwe absolutisme is de postmoderne waarheidskritiek relevanter dan ooit. In plaats van te klagen over de post-truth society, kunnen we beter een eigen democratisch-pluralistische versie van post-truth formuleren en verdedigen. We kunnen op vele manieren naar de werkelijkheid kijken, en moeten daarom zoveel mogelijk verschillende perspectieven verzamelen en met elkaar in verbinding brengen. Zoals Nietzsche schreef: “’...hoe meer affecten we over een zaak aan het woord laten, hoe meer ogen, verschillende ogen, we voor dezelfde zaak weten te gebruiken, des te vollediger zal ons “begrip” van deze zaak, onze “objectiviteit” zijn’”.

Voor de absolutisten is echter Eénoog Koning. Tegenover hun ‘alternatieve feiten’ moeten wij de onze beter bewapenen, politieke kracht bijzetten, want ze spreken niet voor zich. In plaats van ons te laten dragen door de waarheid (met een grote of kleine letter), moeten we feller opkomen voor onze waarden: eerlijkheid, pluralisme, generositeit, bereidheid tot zelfkritiek.

Als we erkennen dat de waarheid altijd precair is en nooit absoluut, wordt waarachtigheid van cruciale betekenis voor de onderlinge communicatie en het vertrouwen in elkaar. Waarachtigheid gaat zowel over nauwkeurigheid (denk aan de coronacijfers!) als over eerlijkheid (dat je meent wat je zegt). Het veronderstelt een besef van onzekerheid: de bereidheid om te erkennen dat de ander ook (voor een deel) gelijk kan hebben. Dat is niet alleen een deugd van individuele burgers, maar ook een deugd die moet worden verankerd in het democratische systeem. Want democratie is niet de organisatie van de waarheid, maar eerder de organisatie van de twijfel.

Literatuur

  • Gescinska, A. (2020) Kinderen van Apate. Over leugens en waarachtigheid. Amsterdam: Stichting Maand van de Filosofie
  • Nietzsche, F. (2000). De genealogie van de moraal. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers [1887].
  • Pels, D. Feiten zijn niet heilig. Wetenschappelijk Bureau GroenLinks, 26 maart 2012.
  • Pels, D. Is er leven na de waarheid? De Groene Amsterdammer, 5 december 2019
  • Williams, B. (2002). Truth and Truthfulness. An essay in Genealogy. Princeton: Princeton University Press

 

Dit essay staat in het herfstnummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen