12 minuten

Ruk naar links

Heeft corona het neoliberalisme ten val gebracht?

Verkiezingsprogramma’s van links tot rechts laten een opvallende ruk naar links zien. Beleven we werkelijk het einde van het neoliberalisme, ook nog eens onder het leiderschap van een historisch dominante VVD? Heeft een virus het neoliberalisme ten val gebracht?

“Er was een ruk naar rechts en er was een ruk naar links, maar omdat Nederland een paternalistisch verziekte gemeenschap is, betekende dit in de praktijk uitsluitend een ruk naar rechts”, schreef Harry Mulisch midden jaren zestig.

Wie vandaag de dag het politieke landschap aanschouwt, ziet een vergelijkbaar paradoxaal beeld. Het gaat de linkse partijen zacht gezegd niet voor de wind. Links in Nederland moet het al geruime tijd doen met historisch lage verkiezingsuitslagen. In de recentste peilingen komt het linkse blok (PvdA, GroenLinks, SP, PvdD) niet verder dan een schamele 30 procent van de stemmen. Vooralsnog wordt er dan ook een flinke ruk naar rechts verwacht.

Tegelijkertijd echter zien we in de verkiezingsprogramma’s een opvallende ruk naar links optreden. Bijna alle middenpartijen omarmen nu maatregelen die ooit voorbehouden waren aan de linkervleugel, zoals het verhogen van het minimumloon, het zwaarder belasten van de hoogste inkomens en vermogens, het uitbreiden van de sociale zekerheid en het aanpakken van marktwerking in de zorg.

Sterker nog, centrumrechtse politici als Hugo de Jonge verkondigen zelfs dat het neoliberalisme ten einde is: “De liberale agenda van grenzeloze vrijheid, van globalisering en doorgeschoten marktdenken heeft geleid tot een samenleving waar het recht van de sterkste te veel ruimte heeft gekregen”, zo liet De Jonge afgelopen najaar weten.

Niet veel later stelde premier Mark Rutte zelfs goedkeurend vast dat ons land ‘in de kern diep socialistisch’ is. Het is een raar schouwspel, zeker voor de linkse critici die al langer te hoop lopen tegen het neoliberalisme.

Net op het moment dat de electorale steun voor links zich op een historisch dieptepunt bevindt, blijkt de overwinning nabij. De verandering van het politieke klimaat lijkt zo geheel los te staan van de politieke krachtsverhoudingen. Beleven we werkelijk het einde van het neoliberalisme, ook nog eens onder het leiderschap van een historisch dominante VVD? Heeft een virus het neoliberalisme ten val gebracht?

Van bezuinigen naar besteden

Het klinkt onwerkelijk, maar er is wel degelijk sprake van een omslag, en dat geldt niet alleen voor Nederland. Ook internationaal wordt er inmiddels gesproken over het einde van het neoliberale tijdperk. En het zijn niet enkel de usual suspects zoals de progressieve econoom Joseph Stiglitz die dat poneren, maar ook stemmen uit onverdachte hoek.

Neem de directeur van het World Economic Forum, Klaus Schwab. In een geruchtmakend interview met de Duitse krant Die Zeit stelde hij dat het neoliberalisme achterhaald was. Door de coronacrisis heeft het kapitalisme een grote reset nodig, zo stelde Schwab.

Meer concreet draait het in deze discussie om een neoliberale beleidsconsensus die in de jaren tachtig onder Reagan en Thatcher ingang vond. Voorheen was de opvatting dat de overheid in tijden van crisis meer moest uitgeven, om zo het wegvallen van marktactiviteit te compenseren. Door middel van grootschalige publieke investeringen kon economisch herstel in gang worden gezet. Dat was het gedachtegoed van Keynes, dat internationaal toonaangevend was in de naoorlogse periode.

In de jaren tachtig echter, stelden politici en economen dat de overheid niet de oplossing maar het probleem was. De lastendruk was te hoog, de bureaucratie te log en de arbeidsmarkt te rigide. Een nieuwe visie op de overheid deed zijn intrede. De rol van de staat was niet die van een planner of investeerder. Dat kon beter aan marktpartijen worden overgelaten. De overheid moest de markt ook niet indammen en corrigeren. Nee, de overheid moest functioneren als een ‘marktmeester’, door marktwerking actief te faciliteren.

Dezelfde marktgerichte beleidsreceptuur werd na de financiële crisis van 2008 over de wereld uitgerold. Of het nu het IMF was, de begrotingstsaar van de EU of de economen op het ministerie van Financiën, iedereen was het erover eens: er moesten harde bezuinigingen komen om de overheidsschulden terug te dringen.

In Nederland namen alle middenpartijen deze adviezen over, zelfs de partijen die verkozen waren met de belofte de economie ‘niet kapot te bezuinigen’. Onder de noemer ‘structurele hervormingen’ werd besloten tot een nieuwe ronde bezuinigen, dereguleren en flexibiliseren. 

De praktische onwerkbaarheid van de oude neoliberale consensus dwingt beleidsmakers wereldwijd tot bijsturenMet de coronacrisis echter, is de diagnose opvallend anders. Op de jaarlijkse bijeenkomsten van het IMF en de Wereldbank van afgelopen oktober, waar traditiegetrouw de crème de la crème van de economische beleidswereld bij elkaar komt, was niet bezuinigen maar besteden het devies.

Het IMF adviseert regeringen om op grote schaal geld te lenen en uit te geven. Dat is ook gebeurd: volgens ruwe schattingen hebben overheden dit jaar al 12 procent van het mondiale BBP in de economie gepompt, een veelvoud van wat er in 2008 aan herstelbeleid is uitgegeven. (Een belangrijke uitzondering vormen armere landen die niet zelf de kapitaalmarkt op kunnen. Daar is het IMF als vanouds bezig om bezuinigingsprogramma’s door te voeren, zelfs in coronatijd).

Deze omslag komt niet uit het niets. De linkse econoom John Kenneth Galbraith stelde eens dat gevestigde ideeën niet zozeer het onderspit delven door de opkomst van nieuwe ideeën. Het is eerder ‘de overweldigende stormloop van omstandigheden’ waar ze niet tegen opgewassen zijn. Dat lijkt ook hier op te gaan. Het gaat niet om een grootse ideologische omslag; het is eerder de praktische onwerkbaarheid van de oude neoliberale consensus die beleidsmakers wereldwijd tot bijsturen dwingt.

Allereerst was de neoliberale beleidsconsensus sterk gericht op monetair beleid (centrale banken) en niet op het begrotingsbeleid (overheid). De keynesiaanse aanpak van het opvoeren van de overheidsuitgaven in crisistijd was zoals gezegd passé. In plaats daarvan kregen centrale bankiers een cruciale rol toebedeeld: zij moesten ervoor zorgen dat het geld bleef rollen als het economisch wat minder ging.

Het huidige probleem voor beleidsmakers echter, is dat het monetair beleid op dit moment al heel ruim is: de rentes zijn al negatief en de centrale bankbalansen enorm gegroeid. De Europese Centrale Bank dringt er al tijden op aan dat overheden bijspringen en de uitgaven opvoeren. De coronacrisis kwam zo op een moment dat het oude beleidsinstrumentarium op zijn grenzen was gestuit.

Investeringsfondsen

Daarbij hebben de lage rentes een nieuwe werkelijkheid gecreëerd waarin het economisch logischer is om te lenen dan om te bezuinigen. Overheden die nu bezuinigen, zijn feitelijk een dief van hun eigen portemonnee. In de jaren tachtig lagen de reële rentes rond de 5 procent. Toen was geld lenen voor overheden een stuk minder aantrekkelijk. Nu wegen de voordelen van een lagere overheidsschuld simpelweg niet op tegen de pijn van bezuinigingen. Vandaar dat overheden nu allerlei investeringsfondsen opzetten, om nieuwe projecten te financieren.

Zo is in Nederland het Nationaal Groeifonds (of Wopke-Wiebesfonds) opgezet om allerlei grote projecten te financieren, en wil de VVD ook een bouwfonds opzetten. Dit gebeurt niet omdat de marktgerichte economen op de ministeries ineens bekeerd zijn tot het keynesianisme. Het is de stormloop van omstandigheden die zich hier doet gelden.

Tot slot hebben beleidsmakers zich nog eens stevig achter de oren gekrabd over het bezuinigingsbeleid van de afgelopen jaren. Niet alleen is de conclusie dat dit in veel gevallen contraproductief is gebleken. Denk aan het bezuinigingsbeleid van Dijsselbloem en de trojka in Griekenland, dat inmiddels door alle experts als een vergissing wordt gezien (behalve door de Nederlandse pers).

De constatering is ook dat het verhalen van de crisis op de burger een golf van politieke instabiliteit teweeg heeft gebracht. Alhoewel Trump en de Brexit niet enkel op het conto geschreven kunnen worden van het crisisbeleid, heeft dit zeker een rol gespeeld. De angst is dat landen wel eens onregeerbaar zouden kunnen worden. Met die gedachte in het achterhoofd is er een bredere consensus aan het ontstaan dat er enige sociale zekerheid teruggebracht moet worden in het systeem, in de ogen van rechtse partijen bovenal voor de middengroepen - traditioneel gezien de belangrijkste pijler onder de politieke stabiliteit.

Ook omdat de koopkracht van de middengroepen uiteindelijk het herstel zal moeten dragen. Daarbij zullen ook binnen Europa de zuidelijke landen geholpen moeten worden, anders valt de vraag weg voor export uit noordelijke landen. Vandaar het gemeenschappelijk gefinancierde EU-Recovery Fund.

Hoeveel van de huidige crisispolitiek tijdelijke improvisatie is en hoeveel beklijft, is zeer lastig te voorspellen. Er is een goede kans dat als de coronacrisis eenmaal bedwongen is, we weer grotendeels terugkeren naar de situatie van weleer. Een deel van het huidige beleid is enkel mogelijk omdat Brussel de regels voor staatssteun en het Stabiliteits- en Groeipact tijdelijk heeft opgeschort.

Maar er is ook een kans dat pragmatische veranderingen beklijven en zich uiteindelijk zullen vertalen in een bredere omslag. Maar zonder verandering in de politieke krachtsverhoudingen, zal dit naar alle waarschijnlijkheid eerder een accentverschuiving zijn binnen het aloude neoliberale model dan een geheel nieuw paradigma.

Pragmatische verandering

Wat we op dit moment zien, is een pragmatische verandering op het gebied van crisisbestrijding, niet een bijstelling van een algeheel economisch model waarin marktwerking en de belangen van het bedrijfsleven bovenaan staan.

Sterker nog, het idee is dat landen die het zich kunnen veroorloven nu veel geld in de economie te pompen, straks concurrerender uit de crisis komen dan landen die dat niet kunnen. Zo is het traditioneel zuinige Duitsland op dit moment zeer scheutig met de publieke uitgaven. De verwachting is dan ook dat we na de crisis een grotere mondiale ongelijkheid zullen zien. Omdat armere landen zich dergelijke ruimhartigheid minder kunnen veroorloven, en omdat de vaccins daar in een veel later stadium gekocht en verspreid zullen worden.

Voor het populaire idee dat de coronacrisis een terugkeer van de solidariteit betekent, valt voorlopig nog weinig te zeggen. Althans, niet buiten de eigen (en wellicht Europese) landsgrenzen.

De staat is terug, maar voor wie?

Deze omslag in het economisch denken is in de Nederlandse partijprogramma’s duidelijk terug te zien. Veruit het belangrijkste ijkpunt is natuurlijk het programma van de VVD. Als we even uitgaan van de bestaande verhoudingen, is de kans groot dat dit het kader wordt waarbinnen andere coalitiepartijen hun voorstellen mogen doen. Op een aantal punten zien we inderdaad belangrijke veranderingen optreden in de partijpositie.

Zelfs de klassieke ondernemerspartij stelt nu dat ‘de overheid de rafelranden van het kapitalisme actief bij (zal) moeten schaven’ en pleit voor een ‘sterke, actieve overheid’.

De VVD was altijd een sterk voorstander van het inperken van de verzorgingsstaat, zodat enkel de laagste inkomens daarop een beroep konden doen. Nu wil de VVD juist een uitbreiding van de sociale zekerheid. Niet zozeer omdat de partij zich opeens bekommert om de zwakkeren in de samenleving. Nee, de wens is eerder dat de middengroepen ook profijt hebben van de overheid.

Het is natuurlijk geen geheim dat de coronacrisis hard heeft huisgehouden onder het kernelectoraat van de VVD: de (kleine) ondernemer. De VVD pleit daarom voor een beter vangnet, ook voor zzp’ers. Zij wil middeninkomens meer zekerheid bieden door het Deense flexicurity-model in Nederland te introduceren, waardoor werklozen zich snel kunnen laten omscholen. Tevens wil de partij meer zekerheid op de arbeidsmarkt dankzij een hoger minimumloon en het bevorderen van vaste contracten. 

Dat de VVD een grotere rol van de overheid wil in het economisch proces is een belangrijke trendbreukHet is een opvallende trendbreuk met het arbeidsmarktbeleid sinds de jaren tachtig en negentig, toen de partij zich hard maakte voor flexibilisering en afschaffing van het minimumloon.

Een andere belangrijke trendbreuk is dat de VVD een grotere rol van de overheid wil in het economisch proces. De terugtredende overheid moet plaatsmaken voor een ‘ondernemende staat’.

Aan de ene kant gaat het om publieke investeringen die het herstel versterken. De partij kiest er nu voor om uit de schulden te groeien, als alternatief voor bezuinigen. Bij de VVD lijkt die groeistrategie bovenal om het ontlasten en bevorderen van het bedrijfsleven te gaan. De overheid gaat ook investeren in bedrijven, al is dat nog mondjesmaat.

Aan de andere kant is er een nieuwe rol van de staat in het bestrijden van monopolies van Big Tech en het optreden tegen oneerlijke concurrentie en geopolitieke bedreigingen (China). De VVD wil zelfs internationale afspraken over een minimum aan belastingen dat multinationals betalen in het land waar ze gevestigd zijn.

Tot slot wordt klimaatbeleid genoemd, maar dit lijkt weinig prioriteit te hebben. Bij de VVD vallen daar nieuwe kerncentrales onder, terwijl de economische groei en onze levensstijl er niet onder mogen lijden - want ‘klimaatbeleid is geen ideologie’.

De publieke sector, tot slot, komt er wat bekaaid vanaf. Behalve in de zorg, waar de VVD de marktwerking wat wil terugdringen en enige reservecapaciteit wil opbouwen, gaat de VVD nauwelijks investeren in de publieke voorzieningen. Het onderwijs moet vooral excellent zijn en aansluiten op de wensen van het bedrijfsleven. De oplossing voor de wooncrisis is het verder liberaliseren van de woningmarkt en het bijbouwen van meer koopwoningen met een bouwfonds.

We zien het vertrouwde rechtse profiel ook terugkomen bij de culturele thema’s: immigratie en veiligheid. Hier slaat de partij een opvallend harde rechts-populistische toon aan, om zo de PVV de wind uit de zeilen te nemen.

Het programma geeft zo een gemengd beeld. Al met al is het overdreven om te zeggen dat de VVD ‘een ruk naar links’ maakt, zoals De Telegraaf op boze toon constateerde. Op sommige terreinen zien we een stap naar links, op andere niet. Daarbij hoeft een grotere rol voor de staat niet per se links te zijn, zoals de pers geneigd is te denken, zeker niet als die sterke staat vooral het bedrijfsleven faciliteert door middel van investeringen en belastingenvoordelen.

Het pleidooi van de VVD (en D66) voor een sterke overheid die als een ‘marktmeester’ fungeert en de concurrentie aanjaagt, is op zich geen breuk met het neoliberalisme, maar eerder een vrij klassieke vorm daarvan.

Opvallende paradox

De echte ruk naar links zien we vooral bij de linkse partijen. De PvdA heeft voor het eerst sinds 1989 weer een echt links partijprogramma. De financiële paragraaf van het vorige partijprogramma benadrukte nog het belang van een begrotingsevenwicht en een behoudend begrotingsbeleid. Nu tapt de partij duidelijk uit een ander vaatje.

Zij wil onder meer het eigen risico in de zorg afschaffen, het minimumloon en de uitkeringen verhogen, basisbanen (de nieuwe Melkertbanen) creëren voor werklozen, de tegenprestatie in de bijstand afschaffen, een minister van Wonen aanstellen die honderdduizend woningen per jaar bouwt, en de verhuurderheffing afschaffen.

Ook laat het programma van GroenLinks, dat hier genoegzaam bekend mag worden verondersteld, een stevige ruk naar links zien; het had makkelijk door een Bernie Sanders of een Alexandria Ocasio-Cortez geschreven kunnen worden. Zo bepleit de partij de afschaffing van de marktwerking in de zorg, een huurplafond in de private huursector en het bijbouwen van vierhonderdduizend sociale huurwoningen.

Natuurlijk zijn dit partijprogramma’s van relatief kleine oppositiepartijen, en zullen we zelfs bij regeringsdeelname maar een klein deel daarvan gerealiseerd zien.

Samenvattend zien we een opvallende paradox: een inhoudelijke draai naar links in een verrechtsend politiek landschap. Het klimaat lijkt vriendelijker geworden voor linkse ideeën, maar niet voor linkse partijen. Het is makkelijk om daar moedeloos van te worden. Maar laten we niet vergeten dat linkse partijen een stuk rechtsere politiek voorstonden toen ze nog groter waren.

Zo was Lodewijk Asscher in de jaren na de financiële crisis vernietigend over een keynesiaanse crisispolitiek. Hij vergeleek het met ‘een vader met grote schulden, verslaafd aan gokken, die zijn kinderen geruststelt door ze te beloven de volgende zomer op vakantie te gaan.’

Nu staat links er niet florissant voor. Maar dat dit soort uitspraken inmiddels zelfs te gortig zijn voor de VVD, mag toch vooruitgang heten.


Dit artikel staat in het lentenummer van tijdschrift de Helling. Altijd de nieuwste artikelen lezen? Sluit een abonnement af.

Gerelateerde artikelen