8 minuten

Eerlijk klimaatbeleid in het Nederlandse Klimaatakkoord?

Groene politieke partijen groeien, milieubewegingen en -activisten weten een steeds groter publiek te bereiken en het aantal mensen dat klimaatverandering als een belangrijk probleem ziet stijgt gestaag. Natuurlijk is dit een geweldige ontwikkeling: de grootschalige actie die zo hard nodig is om klimaatverandering tegen te kunnen gaan, lijkt steeds meer van de grond te komen. Maar hoe nuttig ook, maatregelen tegen klimaatverandering zijn niet per definitie rechtvaardig. Dat geldt ook voor het Nederlands Klimaatakkoord.

Naast alle schade die de opwarming van de aarde toebrengt aan de planeet, hebben steeds meer mensen te lijden onder de gevolgen hiervan. Daarbij zijn het doorgaans de armste mensen die het zwaarst worden getroffen door klimaatverandering. Klimaatverandering maakt de reeds bestaande ongelijkheid in de wereld dan ook alleen maar groter. De invloed van klimaatverandering op ongelijkheid is grofweg in te delen in directe en indirecte gevolgen. Directe gevolgen van klimaatverandering zijn bijvoorbeeld extreme weersomstandigheden zoals hoge temperaturen, overstromingen, hittegolven, bosbranden en droogtes. Mensen in ontwikkelingslanden ondervinden meer gevolgen van deze weersomstandigheden dan inwoners van rijke landen. Dit is ten eerste omdat zij door de al bestaande ongelijkheid in meer risicovolle gebieden wonen. Daarnaast wonen zij vaak in huizen van slechtere kwaliteit, die bij extreme weersomstandigheden meer schade oplopen. Ten derde hebben armere bevolkingsgroepen vaak minder mogelijkheden om economisch te herstellen van de opgelopen schade, omdat zij bijvoorbeeld niet tegen deze schade verzekerd zijn.

Sociale ongelijkheid

Maar ook maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan, kunnen – indirect en onbedoeld – de sociale ongelijkheid binnen een land vergroten. Kijkend naar Nederland, zien we namelijk dat de impact van klimaatbeleid per huishouden verschilt. Deze impact is voor een groot deel afhankelijk van het inkomensniveau. Klimaatbeleid kan resulteren in procedurele ongelijkheid en distributieve ongelijkheid. Procedurele ongelijkheid betekent dat de ene groep meer invloed heeft op de besluitvorming rond klimaatbeleid dan de andere groep. Denk aan inspraakmogelijkheden voor burgers: het zijn vaak de mondige, hoger opgeleide burgers die inspraakavonden bezoeken en zich verdiepen in inspraakprocedures. Hun belangen zullen daardoor eerder weerspiegeld zijn in klimaatbeleid. De belangen van lager opgeleide burgers die minder direct met klimaatverandering bezig zijn, zullen doorgaans juist minder zijn vertegenwoordigd. Van distributieve ongelijkheid is sprake wanneer de lasten van klimaatbeleid ongelijk over de samenleving worden verdeeld. Een voorbeeld hiervan is een vlakke verhoging van de belasting op aardgas: dit komt voor mensen met een lager inkomen relatief een stuk harder aan dan voor mensen met een hoger inkomen.

Duurdere benzine

In de praktijk houdt klimaatbeleid vaak onvoldoende rekening met deze directe en indirecte effecten op ongelijkheid. Klimaatmaatregelen zoals hogere belastingen op benzine raken bijvoorbeeld juist mensen die zich geen zuinigere auto kunnen veroorloven, en subsidies voor groene alternatieven zoals zonnepanelen komen vaak terecht bij mensen die toch al meer geld te besteden hebben. Zij kunnen zich namelijk met behulp van een dergelijke subsidie een duurzame aankoop veroorloven, terwijl mensen met een lager besteedbaar inkomen zelfs met die subsidie het benodigde bedrag niet bij elkaar krijgen - waardoor zij de subsidie mislopen. Dit soort maatregelen zijn dus regressief: ze vergroten ongelijkheid in de samenleving, in tegenstelling tot progressieve maatregelen die deze zouden kunnen verkleinen. Ook in Nederland en andere westerse landen worden veel van dergelijke regressieve maatregelen ingevoerd. Dat is één van de redenen dat klimaatbeleid vaak zoveel weerstand oproept. De Franse gele hesjes-beweging protesteert niet per se tegen klimaatmaatregelen op zich, maar vooral tegen de ongelijke effecten van die maatregelen. Klimaatsceptische partijen groeien niet alleen omdat mensen klimaatverandering niet serieus nemen, maar ook omdat ze bang zijn voor de effecten van klimaatbeleid op hun portemonnee.

Het is dus noodzakelijk dat klimaatbeleid de ongelijkheid niet verder vergroot, en waar mogelijk ongelijkheid zelfs verkleint. Niet alleen om het draagvlak voor klimaatbeleid te behouden, maar juist ook als doel op zich. De laatste jaren zien we gelukkig steeds meer (voorstellen voor) klimaatbeleid dat wel rekening houdt met ongelijkheid in de samenleving. Een voorbeeld zijn de verschillende varianten op de Green New Deal [zie de Helling nr 1, 2020, red.].

Ongelijkheid in Nederlands Klimaatakkoord

Tot nu toe ondervinden we in Nederland nog relatief weinig gevolgen van klimaatverandering vergeleken met veel andere landen. Toch hebben we ook hier al te maken met hogere temperaturen, meer hittegolven en zwaardere regenbuien en stormen. In de toekomst zijn meer overstromingen te verwachten als gevolg van hevige regenbuien en zeespiegelstijging. Nederland als rijk en georganiseerd land is hier echter goed op voorbereid en volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kunnen we ons relatief gemakkelijk tegen deze directe gevolgen van klimaatverandering beschermen, door bijvoorbeeld de dijken op te hogen. Indirect zullen we echter wel degelijk hinder ondervinden van klimaatverandering, en ligt ook in Nederland toenemende ongelijkheid op de loer. Want hoewel het Nederlandse Klimaatakkoord als doel heeft dat alle Nederlanders kunnen deelnemen aan de uitvoering ervan, bevat ook dit akkoord zowel procedurele als distributieve ongelijkheden.

Nauwelijks invloed

De procedurele ongelijkheid in het Klimaatakkoord zit hem in het feit dat burgers nauwelijks invloed hebben gehad op de totstandkoming van het akkoord. Meer dan honderd partijen, afkomstig uit onder andere de energie, industrie- en landbouwsector, hebben meegewerkt aan het Klimaatakkoord. Burgers mochten echter alleen hun ideeën doorgeven via een webformulier of konden deelnemen aan bijeenkomsten. Bij dergelijke inspraakprocessen hebben lager opgeleiden vaak een politieke achterstand. Burgers die al actief bezig zijn met klimaatverandering zullen eerder van zich laten horen, en hebben daardoor in de praktijk meer invloed op het klimaatbeleid. Daarnaast is aangetoond dat een niet-representatieve groep - zoals bijvoorbeeld de partijen die aan het klimaatakkoord mochten meewerken - standpunten van mensen die niet in die groep zijn vertegenwoordigd niet altijd goed mee weten te nemen in haar beslissingen.

Gebouwgebonden financiering

Naast procedurele ongelijkheid bevat het Klimaatakkoord ook voorbeelden van distributieve ongelijkheid. Een voorbeeld hiervan ligt bij de eis dat in 2050 95 procent van alle huizen aardgasvrij moet zijn. De overheid wil het verduurzamen van huizen financieren door middel van de zogenaamde gebouwgebonden financiering. Volgens onderzoeksbureau Ecorys zal 15 procent van de huiseigenaren, oftewel 420.000 eigenaren, echter niet in staat zijn om hun huizen te verduurzamen, zelfs niet met behulp van de gebouwgebonden financieringen of bestaande subsidies. Daarnaast wonen mensen met lage inkomens vaak in slecht geïsoleerde huizen, waarvan het gasvrij maken zo’n €15.000 duurder is dan bij een gemiddeld geïsoleerd huis. Een bijkomend probleem is dat in het Klimaatakkoord staat dat de gasprijs de komende jaren verhoogd zal worden om verduurzaming te stimuleren. Dit benadeelt de huiseigenaren die niet de middelen hebben om van het gas af te gaan: zij moeten maandelijks meer gaan betalen voor hun gas. Doordat juist deze huiseigenaren met beperkte middelen vaak ook minder betrokken zijn bij inspraak over klimaatmaatregelen, wordt dit probleem verder versterkt.

Inkomensafhankelijk

Hoe kunnen dit soort ongelijkheden worden tegengegaan? Idealiter heeft klimaatbeleid als uitgangspunt dat het ongelijkheid niet vergroot - en waar mogelijk zelfs verkleint. Hoe er in de praktijk rekening gehouden kan worden met deze eis, verschilt per maatregel. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat financiële steunmaatregelen voor duurzame aankopen in bepaalde mate inkomensafhankelijk worden. Door mensen met een lager inkomen een groter bedrag aan subsidie toe te kennen voor het verduurzamen van hun huis, komt een duurzaam huis voor meer mensen binnen bereik. Bij maatregelen die op een lening zijn gebaseerd, kan maatwerk worden gehanteerd. Hierbij wordt voor iedere aanvraag naar draagkracht van de aanvrager bepaald welk bedrag van de lening maandelijks dient te worden afgelost. De overheid staat garant voor een eventueel restbedrag, waardoor burgers die de lening niet volledig kunnen afbetalen niet in de problemen komen. De Stichting stimuleringsfonds volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SvN) maakt al gebruik van dergelijke maatwerkleningen voor het verduurzamen van woningen.

Ondersteuning

Minstens net zo belangrijk is echter een verbetering van de manier waarop huiseigenaren ondersteund worden bij de gastransitie. Dit begint bij een meer actieve informatievoorziening. Maar het betekent ook dat er in wijken waar werkzaamheden voor de gastransitie ingrijpend zijn andere voordelen aan die transitie verbonden kunnen worden: denk bijvoorbeeld aan andere verbeteringen aan infrastructuur of groenvoorziening, die bij deze werkzaamheden meteen worden meegenomen. Cruciaal is daarnaast dat er voor huiseigenaren die daar behoefte aan hebben, persoonlijke begeleiding beschikbaar is bij de gastransitie. Dergelijke ‘energiecoaches’ zijn juist voor huiseigenaren met een lager inkomen vaak interessant: ze kunnen de zorgen van deze huiseigenaren wegnemen door bijvoorbeeld te adviseren over de beschikbare financieringsopties. Daarnaast blijkt uit de ervaring met energiecoaches dat huiseigenaren zo ook uit zichzelf meer aan energiebesparing gaan doen. Wanneer het opleiden van dergelijke coaches gecombineerd wordt met (vrijwillige) omscholing van arbeiders die door de gastransitie hun werk kunnen kwijtraken, wordt deze transitie op meerdere fronten een stuk eerlijker.

Steekproef

Om procedurele ongelijkheid tegen te gaan ten slotte, is het van belang dat burgers mee kunnen beslissen over het klimaatbeleid dat hen ook aangaat. In plaats van inspraakmogelijkheden over beleid dat al gemaakt is, kunnen burgers bijvoorbeeld via een representatieve steekproef al in een vroeger stadium worden betrokken bij het opstellen van klimaatbeleid. Op die manier kunnen alle groepen gehoord worden. Dit zou moeten samengaan met evenwichtige en heldere informatie over de gevolgen van klimaatbeleid, en mogelijkheden voor overleg tussen burgers in de steekproef zodat zij goed geïnformeerd een bijdrage kunnen leveren.

Om te voorkomen dat klimaatbeleid ongelijkheden in de samenleving vergroot, én om voldoende draagvlak voor klimaatbeleid te creëren, is het essentieel dat de maatschappelijke gevolgen van dat beleid worden meegewogen. Wanneer we niets doen tegen klimaatverandering zijn we uiteindelijk allemaal slechter af. Maar wanneer we klimaatverandering wél aanpakken is het cruciaal dat dit op een eerlijke manier gebeurt.

Gerelateerde artikelen