10 minuten

Geen arbeidsmigratie van buiten de EU

Opinie arbeidsmigratie: Alfred Kleinknecht

Wetenschappelijk Bureau GroenLinks publiceerde recent (30-10-2020) het onderzoek ‘Migratie die werkt: naar een rechtvaardig en menswaardig arbeidsmigratiebeleid’. Het rapport bevat een gedegen analyse van misstanden in de omgang met arbeidsmigranten. Ik ben het van harte eens met de voorgestelde maatregelen om het lot van migranten te verbeteren. Maar ik heb problemen met de in het rapport voorgestelde “selectieve verruiming” van arbeidsimmigratie voor laag betaalde “derdelanders” (van buiten de EU). Daarmee geeft het rapport (onbedoeld) toe aan de lobby van werkgevers aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Deze zombie-bedrijven moeten het hebben van uitbuiting via minimumlonen, gedwongen winkelnering (werkgevers als huisjesmelkers) of flexibele inhuur via malafide bureaus. Dit soort toestanden functioneert bij de gratie van een ruim aanbod aan werkwilligen.

De beste manier om hier iets aan te doen, is te zorgen voor een krappe arbeids¬markt. Hierdoor verbetert de machtspositie van de werknemers. Sinds de late jaren zeventig was sprake van een structureel vrij hoge werkloosheid. Menig werkgever kon zeggen: voor jou tien anderen. Het gevolg was een groeiend aantal mensen met desolate arbeidsvoorwaarden. Maar het tij is nu aan het keren door twee factoren die voor krapte op de arbeidsmarkt zorgen: de vergrijzing en de zeer trage groei van de arbeidsproductiviteit.

Over de vergrijzing is al veel geschreven, maar de trage productiviteitsgroei is minder bekend. Ondanks enthousiaste TEDx-verhalen over artificiële intelligentie en robots boeken de rijke OESO-landen in de afgelopen 15 jaar de laagste productiviteitsgroei sinds de Tweede Wereldoorlog.1 Nu moet u weten dat een economie maar op twee manieren kan groeien: door méér uren te werken of door productievere uren te werken. Omdat de productiviteitsgroei het laat afweten, moeten we het sinds 2005 hebben van veel meer inzet van arbeidsuren om de economische groei te kunnen bekostigen. Het resultaat is een geleidelijk verkrappende arbeidsmarkt.

Als werkgevers klagen over een krappe arbeidsmarkt en onvervulbare vacatures, dan betekent dit domweg: het industriële reserveleger is zodanig klein geworden dat mensen weer iets te kiezen hebben. Met andere woorden: er zijn te weinig mensen over die zodanig desperaat zijn dat ze het aangeboden werk tegen deze beloning en arbeidsvoorwaarden willen doen. Werkgevers zouden graag het industriële reserveleger weer willen vergroten door migranten binnen te halen. Dat moeten we als GroenLinks niet willen.

Wij moeten ons sterk maken voor een centrale leerstelling van de neoklassieke micro-economie: krapte is een signaal van een te lage prijs (in dit geval: te lage lonen en slechte arbeidsvoorwaarden). En de krapte moet worden opgelost door dáár iets aan te doen. Als bijvoorbeeld de 2.500 (!) distributiecentra in ons land betere arbeidsvoorwaarden zouden aanbieden, zoals betaling conform Cao en met door een vakbond uit onderhandelde arbeidsvoorwaarden, dan zouden ook Nederlanders dit werk willen doen. Nu draaien dergelijke bedrijven veelal op Oost-Europeanen die dit werk alleen doen omdat de arbeidsvoorwaarden in hun thuisland nóg beroerder zijn.

Hier doemt overigens een principiële vraag op: willen wij als rijk land dat rijk wil blijven, mensen werk laten verrichten dat zo weinig waarde schept dat er echt geen betere arbeidsvoorwaarden betaald kunnen worden? Moeten we zombie-bedrijven die dit soort werk aanbieden wel voor Nederland willen behouden? Wij hebben deze vraag in ons verkiezingsprogramma beantwoordt met de eis van een hoger minimumloon. Daarmee zeggen wij impliciet: werkgevers die het hogere minimumloon niet kunnen betalen, moeten we in dit land niet hebben. Verhoging van het minimumloon is niet alleen uit sociaal oogpunt gewenst. Het is ook goede structuurpolitiek: het zorgt ervoor dat technologisch sterkere bedrijven de zwakkeren kunnen wegconcurreren. Zo krijgen we een vitalere economie.

Onderhandelingsmacht

Arbeidsmigratie is in dit perspectief dubbel verkeerd. Ten eerste voor de lager opgeleiden in Nederland, omdat arbeidsmigratie vooral hun krapte en dus hun onderhandelingsmacht vermindert. Dit helpt demagogen met anti-buitenlanders-retoriek; het helpt ook malafide werkgevers om de misstanden overeind te houden die het WB-rapport aan de kaak stelt. Ten tweede is arbeidsmigratie schadelijk voor het land van herkomst. Het zijn immers vooral de iets beter opgeleiden die (kunnen) migreren. Dat zijn nou juist de mensen die de arme landen zelf hard nodig hebben. Zij kunnen ook de basis vormen van sociale bewegingen die corrupte regimes bestrijden. Overigens is de huidige kennismigranten regeling, waarbij migranten van buiten de EU met een hoger salaris wel worden toegelaten, een vorm van moderne koloniale uitbuiting: de opleidingskosten van deze mensen komen ten laste van armere landen, terwijl de baten in rijke landen neerslaan. Dat migranten geld naar huis sturen is dan een schrale troost.

Het lijkt erop dat men op rechts de theorie van het industriële reserveleger van Karl Marx beter bestudeerd heeft dan op links. Neoliberale economen pleiten allang niet meer voor volledige werkgelegenheid, maar voor een zeker niveau van ‘natuurlijke’ werkloosheid. Zo zou een land als Duitsland ruim 6 procent ‘natuurlijk’ werklozen moeten hebben. Minder is gevaarlijk omdat anders de vakbonden uit het defensief komen en weer iets durven te eisen. De percentages ‘natuurlijk’ werklozen die nodig zijn om de werkende klasse afdoende te disciplineren, zijn overigens op basis van historische gegevens haarfijn berekend.2

Initiatief

Op het moment van schrijven, verliezen nog veel mensen hun werk vanwege de Covid-19-crisis. Als dat straks voorbij is, heeft links de kans om het initiatief te herpakken. De vergrijzing, samen met de zeer trage productiviteitsgroei, zorgt dan voor een groeiende krapte op de arbeidsmarkt. Daar komt bij dat, zoals het rapport laat zien, de arbeidsmigratie uit Oost-Europa geleidelijk aan minder wordt. Zoals Karl Marx al observeerde (en zoals neoliberale economen vrezen), schept krapte een materiele basis om tegenspel aan de werkgevers te kunnen bieden en arbeidsomstandigheden ingrijpend te verbeteren.

Om misverstanden voor te zijn: we zijn als GroenLinks terecht voor open grenzen en migratie binnen de EU. Maar nu de migratie uit Oost-Europa minder wordt, moeten we ons niet inspannen voor verruiming van het arbeidsaanbod door migratie van buiten de EU. Want daarmee laten we ons (onbedoeld) voor de kar van de werkgevers spannen, en dan ook nog voor de kar van zombie-bedrijven aan de onderkant van de markt. Dus, hou de EU-buitengrenzen dicht! Alleen nog mensen binnenlaten als dat om humanitaire redenen geboden is – zoals bij slachtoffers van oorlog en dictatuur. Daar bovenop moeten we géén andere kanalen van arbeidsmigratie openen. En verder maar hopen dat de krapte op de arbeidsmarkt nog lang moge duren ̶ althans zo lang als de in het rapport beschreven misstanden nog bestaan. Hoe langer de krapte duurt, hoe groter de kans op een linkse lente!

 

Reactie Sarah Hardus: Fatsoenlijk werk en rechtvaardige arbeidsmigratie kunnen ook samengaan

In bovenstaand artikel reageert Alfred Kleinknecht op ons rapport ‘Migratie die werkt’. Over veel zaken – zoals de noodzaak om misstanden omtrent arbeidsmigratie aan te pakken en te zorgen voor fatsoenlijke minimumarbeidsvoorwaarden - zijn we het eens. Over één belangrijk punt verschillen we echter van mening. Waar wij denken dat een fatsoenlijke arbeidsmarkt samen kan gaan met een selectieve verruiming van de mogelijkheden voor arbeidsmigratie, is een krappe arbeidsmarkt volgens Kleinknecht een voorwaarde om fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden af te kunnen dwingen. Omdat arbeidsmigratie zorgt voor een groter arbeidsaanbod – en dus een ruimere arbeidsmarkt – is Kleinknecht van mening dat Nederland geen arbeidsmigranten van buiten de EU moet toelaten.

Deze redenering gaat mijns inziens niet op. Een krappe arbeidsmarkt gaat niet per definitie gepaard met een verbetering van arbeidsvoorwaarden. Pre-corona kende Nederland een historisch lage werkloosheid (in januari 2020 was het werkloosheidspercentage 3 procent). Maar zelfs binnen deze krappe arbeidsmarkt was er sprake van slechte arbeidsvoorwaarden, schijnconstructies en uitbuiting. Deze problemen moeten niet worden aangepakt door (nog meer) krapte te creëren, maar door wettelijke minimumarbeidsvoorwaarden te verbeteren, mogelijkheden voor flexibele arbeid in te perken, strenger te controleren op schijnconstructies en regels beter te handhaven.

Kleinknecht suggereert dat zolang werkgevers mensen kunnen vinden die bereid zijn om voor slechte arbeidsvoorwaarden te werken, onze aanbevelingen niet zullen worden gerealiseerd. Deze visie is te pessimistisch. Hoewel er nog een lange weg is te gaan, zijn er de afgelopen jaren wel degelijk dingen veranderd. Zo werd in 2015 de Wet aanpak schijnconstructies aangenomen. Deze wet zorgde onder andere voor ketenaansprakelijkheid (waarbij niet alleen de directe werkgever maar ook andere partijen in de keten aansprakelijk zijn voor uitbuiting) en een verbod op inhoudingen op het wettelijk minimumloon. Hiernaast is er – dankzij de vakbonden – inmiddels breed politiek draagvlak voor een verhoging van het minimumloon. En ook voor andere aanbevelingen uit ons rapport lijkt er momentum. Op 16 december debatteert de Tweede Kamer over de aanbevelingen van het ‘Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten’. Een groot aantal partijen heeft zich reeds uitgesproken voor een vergunningenstelsel voor uitzendbureaus en een verbod op de dubbelrol van werkgever en huisbaas.

Ons voorstel voor een ‘selectieve verruiming’ voor derdelanders

Kleinknecht spreekt zich duidelijk uit tégen ons voorstel voor een selectieve verruiming van de toegang voor arbeidsmigranten van buiten de EU (derdelanders). Hij besteed echter weinig aandacht aan onze precieze aanbevelingen. Dit is jammer omdat ons voorstel zijn zorgen juist ondervangt.

Wat stellen wij precies voor? In ons rapport adviseren wij om de arbeidsmarkttoets – waarbij wordt gekeken of voor een vacature in heel Nederland en de EU geen geschikte kandidaat aanwezig is – te laten vervallen voor beroepen op een zogenaamde ‘tekortberoepenlijst’. Wanneer in Nederland – binnen een fatsoenlijke arbeidsmarkt! – vacatures open blijven staan, moet het voor werkgevers makkelijker worden om personeel van buiten de EU te halen.

Uiteraard zijn wij geen voorstander van een versoepeling voor beroepsgroepen waar tekorten het gevolg zijn van onfatsoenlijke arbeidsvoorwaarden in plaats van een daadwerkelijk tekort aan personeel. Om ervoor te zorgen dat alleen beroepen waar sprake is van fatsoenlijk werk in aanmerking komen voor een versoepeling van toelatingsvoorwaarden, spelen de vakbonden in ons voorstel een centrale rol bij het opstellen van de lijst met tekortberoepen.

Kleinknecht zet vraagtekens bij de wenselijkheid van werk dat weinig waarde toevoegt (en waarvoor nu vaak arbeidsmigranten worden aangetrokken). De vraag over wat voor economie wij in Nederland willen is een belangrijke, maar volgens ons moet deze vraag vooral in de context van discussies over ons economisch en vestigingsbeleid worden behandeld. Er zijn verschillende sectoren die van groot belang zijn voor een GroenLinkse economie – denk aan de duurzame energiesector – waarvan we nu al weten dat hiervoor in Nederland simpelweg te weinig arbeidskrachten zijn. Arbeidsmigranten zullen daarom nodig blijven.

Arbeidsmigratie en herkomstlanden

Kleinknecht stelt hiernaast dat arbeidsmigratie onwenselijk is omdat het vertrek van mensen schadelijk zou zijn voor het land van herkomst. Zoals we in het rapport bespreken, hoeft dit niet het geval te zijn. Arbeidsmigratie kan – in de vorm geldovermakingen en toegenomen menselijk kapitaal – een positieve bijdrage leveren aan ontwikkeling in het land van herkomst. De precieze invloed van arbeidsmigratie is afhankelijk van het beleid in het land van aankomst en de specifieke kenmerken van de arbeidsmigrant en het land van herkomst.

Wij pleiten in ons rapport voor Global Skills Partnerships. Hierbij investeert Nederland binnen migratiepartnerschappen in opleidingen in het land van herkomst. Ook benadrukken wij dat bedrijven zich te allen tijde moeten houden aan de WHO gedragscode voor ethische werving van zorgpersoneel en de ILO principes en richtlijnen voor eerlijke werving. Dit betekent onder andere dat bedrijven geen zorgpersoneel werven in landen met een tekort aan zorgwerkers. Tegelijkertijd is het belangrijk om te benadrukken dat mensen vrij moeten zijn om op eigen initiatief op zoek te gaan naar een beter leven.

Ten slotte lijkt Kleinknecht te suggereren dat arbeidsmigranten hun land van herkomst definitief verlaten. Uit onderzoek van het CBS blijkt echter dat in Nederland van de kennismigranten van buiten de EU na vijf jaar 70 procent weer is vertrokken.

Zelfde zorgen, andere oplossing

Kortom: we delen dezelfde zorgen maar komen met een andere oplossing. Net als Kleinknecht willen wij een fatsoenlijke arbeidsmarkt. Volgens ons ligt de oplossing alleen niet in het sluiten van de grenzen voor arbeidsmigranten van buiten de EU. Hiermee geven wij niet toe aan de lobby van werkgevers aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Wij pleiten juist voor aanscherping van regels die uitbuiting en ongelijke concurrentie mogelijk maken: betere minimumarbeidsvoorwaarden, een aanscherping van de regels voor flexibele arbeid en detachering, controle op schijnconstructies en strenge handhaving. Hiermee kunnen we een fatsoenlijke arbeidsmarkt én meer mogelijkheden voor gereguleerde, rechtvaardige arbeidsmigratie creëren.

Voetnoten 

1 Zie Alfred Kleinknecht (2020): ‘The (negative) impact of supply-side labour market reforms on productivity. An overview of the evidence’, Cambridge Journal of Economics, Vol. 44(2): 445-464.

2 Zie voor een kritische uiteenzetting: Servaas Storm & Ro Naastepad (2012), Macroeconomics beyond the NAIRU, Cambridge: Harvard University Press.

Gerelateerde artikelen