4 minuten

Parallelle Arbeidsmarkt doet recht aan economische werkelijkheid

Reactie op Basisbaan en P-markt: sympathiek maar ontoereikend

In tijdschrift de Helling reageert bijzonder hoogleraar Menno Fenger op het concept van de Parallelle Arbeidsmarkt (P-markt): een voorstel om werk te bieden aan mensen die door beperkingen of omstandigheden, of door gebrek aan beschikbare banen, niet of nauwelijks toegang hebben tot een reguliere baan. In plaats van een uitkering ontvangen mensen op de P-markt een salaris ter hoogte van maximaal het minimuminkomen. Fenger zet enkele kanttekeningen bij het concept die mijns inziens niet helemaal recht doen aan het model.

Het eerste bezwaar dat hij opwerpt betreft de doorstroming naar de reguliere arbeidsmarkt. Daarop zou het perspectief ontbreken omdat - volgens hem - daarvoor de persoonlijke oorzaak van de werkloosheid van het individu weggenomen dient te worden. Ik neem voor het gemak aan dat hij daarmee in de persoon gelegen kenmerken bedoelt (competenties, opleiding en dergelijke) en situationele zoals mogelijke schulden, mantelzorgtaken enzovoorts. Elke professional actief in de arbeidsintegratie weet dat dit belangrijk is en ook wij hebben in ons model aandacht voor groei en ondersteuning. Wellicht hebben we dat te weinig uit de verf laten komen. Onze opvatting is dat we in principe drie groepen willen bedienen: zij die op grond van productiviteitsbeperkingen nimmer terecht kunnen op de reguliere markt; zij die tijdelijk een ‘schuiladres’ nodig hebben om hun vaardigheden op peil te houden en zij die (nog) niet geschikt zijn voor een plek op de reguliere markt. Deze laatste twee groepen zien wij juist als ‘in transitie’ en dus op termijn doorstromen. Zijn verwijzing naar het verleden waarin dat nooit lukte zou ik willen pareren met de beleggingsdisclaimer: in verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.

Verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven

Fengers tweede bezwaar houdt verband met het eerste. We zouden alleen het verkrijgen van werk prioriteren en geen aandacht hebben voor ‘skills first’ en ‘life first’. Los van het gegeven dat uit divers onderzoek blijkt dat werk juist een katalysator is voor de ontplooiing van vaardigheden, een betere gezondheid(sbeleving) en toegenomen geluk, knoopt hij er en passant aan vast dat we hiermee de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven ontkennen door hen de verantwoordelijkheid in deze te ontnemen. Dat is nu juist het punt dat we proberen te maken. In de ideale wereld is er een totaal absorptievermogen bij bedrijven ongeacht iemands talenten, productieniveau, kwaliteiten enzovoorts. Helaas opereert het bedrijfsleven in een competitieve wereld waarin de kost voor de baat uitgaat en er nu eenmaal beperkingen zijn in de (sociale) elasticiteit van bedrijven. Het is juist dit denken dat vakbonden aan het verleden gegijzeld houdt en waarom de participatiewet en al diens voorgangers nauwelijks effect sorteerden. Wij pleiten er niet voor om de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven los te laten in deze, maar om deze een andere invulling te geven. Bedrijven zouden moeten kijken naar wat mensen wél kunnen, niet wat zij niet kunnen. Toegegeven: dat is een ander normatief kader maar een die volgens ons recht doet aan de economische werkelijkheid.

Intrinsieke motivatie

Terecht merkt Fenger op dat in ons model een deel vrijwilligerswerk wordt omgezet in betaald werk. Hij wijst er in zijn derde bezwaar op dat intrinsieke motivatie dan wellicht plaats gaat maken voor extrinsieke (nu er betaald gaat worden) waardoor de kwaliteit van dat werk onder druk kan komen staan en de logica van de solidariteit plaatsmaakt voor die van de transactie. Empirisch bewijs daarvoor draag hij niet aan, maar het zou kunnen en dus vereist het waakzaamheid. Evengoed zouden wij echter kunnen betogen dat dat juist nu er op diverse plaatsen een tekort aan vrijwilligers is, dit wellicht een interessante poging is om te zorgen dat er genoeg menskracht voor zinvol werk beschikbaar is. Bovendien onderschat Fenger o.i. de behoefte van mensen aan zinvol werk (zie David Graeber: Bullshit Jobs).    

Terecht gaat hij ten slotte in op het feit dat er adequate beloning en begeleiding geboden moet worden en dat de solidariteit verder dient te gaan dan louter de financiële. Daar zijn wij het mee eens. Dat werkgevers vandaag de dag aangesproken worden op hun belastingmoraal en hun klimaatverantwoordelijkheden is zeer wenselijk. Daar mag (moet) van ons ook diversiteit en inclusiviteit in één adem bij genoemd worden. Maar uiteindelijk geloven wij dat dit maatschappelijk leed alleen opgelost kan worden in gezamenlijkheid (van de publieke en private sector) door recht te doen aan ieders positie en bijdrage. Of dat dan past binnen het GroenLinks-perspectief, zal ons eerlijk gezegd worst wezen.        

Jos Verhoeven is algemeen directeur van Start Foundation en samen met Prof. Dr. Ton Wilthagen bedenker van de Parallelle Arbeidsmarkt.

Gerelateerde artikelen