Als kind stelde ik ooit de retorische vraag aan mijn moeder of het waar is dat ‘alles wat we gebruiken en verbruiken van de natuur komt’. Terugblikkend moet ik een agro-ecologe avant la lettre geweest zijn. Ik speelde en hielp graag op een van de (conventionele maar nog kleinschalige) boerderijen in onze straat. Ik kom uit een kook- en moestuinfamilie waar goed eten, liefst zelf gekweekt, er met de paplepel werd ingegoten. Bovendien koesterde ik een bijna mystieke verering voor de natuur.
Ik moet toen al gevoeld hebben dat de drie sferen landbouw, eten en natuur niet altijd vanzelfsprekend samengaan. Ik ervoer dat op de boerderij niet noodzakelijk goed wordt gegeten: industrieel wittebrood zonder korst, gedoopt in de allergoedkoopste robusta koffie. Dat daar bepaald niet zachtzinnig werd omgegaan met natuur, bovendien zonder opgave van reden: zwaluwjongen uit de stalnesten halen en voor de hond gooien; schitterende hoogstamboomgaarden uit de weg van de tractor ruimen, stikstofmeststoffen strooien tot in de beek, akkerranden kapot spuiten.
Maar ons ‘beter’ eten thuis was ook niet noodzakelijk op een natuurvriendelijke wijze tot stand gekomen. En in onze natuurvriendelijke moestuin mislukten soms oogsten door invasies van mensonvriendelijke natuurwezens... Waarom was het zo en niet anders?
Kennis van huis en akker
Wat ik toen niet vroeg, maar wat me wel al bezighield, is hoe het komt dat de meesten van ons niet (meer) gewoon van de natuur kunnen plukken zoals andere dieren dat doen. Hoe komt het dat we ons vooral voeden met ‘vreemde’ planten en dieren die, overgelaten aan zichzelf, niet kunnen overleven? En hoe ver kunnen we gaan om stukken natuur kapot te maken – te ‘ontginnen’ – om plaats te maken voor die vreemde planten? Hoe komt het dat er steeds meer mensen op de aardbol zijn, terwijl we niet overal zomaar nieuwe akkers kunnen maken? Die kindervragen draaiden steeds weer om het driehoeksverband natuur, eten en landbouw, en ze blijven maar oplaaien.
Heel kort gedefinieerd is agro-ecologie de ecologie van voedselsystemen (Francis et al., 2003). Dit is uitdrukkelijk ruimer dan de ecologie van landbouwsystemen. Landbouw is slechts een schakel in het totale voedselsysteem van de mens. ‘Agro’ in agro-ecologie komt van het Latijnse ‘ager’ ofwel akker, land dat gewonnen is van bos of weide of iets daartussenin, dat min of meer ontdaan is van zijn spontane plantengroei om door de mens gedomesticeerde planten te telen, letterlijk het land te (ver)bouwen. De akker is de schakel tussen enerzijds de omringende ecosystemen, die mogelijk maken dat de mens überhaupt aan landbouw doet, en anderzijds wat de mens doet met de oogst (de verwerking en verdeling).
De opgave van landbouw is de bestendiging van de akker in tijd en ruimte: het op peil houden van zijn (bodem)vruchtbaarheid en hem beschermen tegen de invasie van onkruiden, ziekten en plagen. Dit onderdeel van de agro-ecologie zou je de agronomie kunnen noemen, de klassieke landbouwkunde. Maar er is meer aan de hand met die akker, en dat inzicht komt van zowel de ecologie, of letterlijk ‘kennis van het huis’, als de economie, of letterlijk ‘huishoudkunde’.
Lekkende kringlopen
Akkers functioneren binnen grotere mozaïeken van ecosystemen, kortweg landschappen, die hen – en ons dus ook – een rits diensten verlenen. In Europa heeft de landbouwende mens de overgrote meerderheid van de landschappen ontbost en gekneed tot wat ze nu zijn.
Maar akkers nemen maar een klein deel van de ruimte in. Historisch gezien is de agro-ecologie in de eerste plaats gegroeid uit de studie van de verbanden tussen de componenten binnen één akker (bodem, plantjes en beestjes) en tussen die éne akker en de rest van het landschap. En voor de meeste agro-ecologen houdt het verhaal hier op. Dit is agro-ecologie in de enge betekenis van het woord.
Maar er zijn meer vragen: wat gebeurt er na de oogst met alle verschillende biomassa’s (food, feed, fuel and fibre) die van die akker komen? Hoeveel energie wordt er verbruikt bij de verwerking en de verdeling ervan? Hoeveel verliezen zijn er in de voedselketen? In welke mate profiteert de producent (boer) van de prijs die de consument voor zijn voedsel betaalt?
Hoeveel boeren zijn er nodig om het voedsel van een stad te produceren, of omgekeerd, wat is het verband tussen ons dierlijk en plantaardig voedsel, de hoeveelheid land waarop we beslag leggen en het aantal boeren dat we daarvoor nodig hebben? En vooral, hoe zorgen we ervoor dat er boeren blijven bestaan om de samenleving van voedsel te voorzien?
Met die grondvraagstukken komen we onvermijdelijk terecht in de menswetenschappen, die ons samenleven analyseren. Een klassieke ecologische vraag in verband met alle voedingsstoffen uit de oogst, is bijvoorbeeld: in welke mate is een bepaald voedselsysteem in staat kringlopen te sluiten? Dat kan becijferd worden en dan wordt er gewoonlijk vastgesteld dat er kleinere of grotere lekken zijn, afhankelijk van het bestudeerde voedselsysteem.
De vraag naar het waarom van lekkende kringlopen schreeuwt om methoden en concepten uit de menswetenschappen. De zoektocht naar minder lekkende systemen is dat ook, juist vanwege de grote afhankelijkheid van menselijke activiteiten voor wat op de akker gebeurt. Dat dit geen zuiver landbouwtechnische kwestie is, staat centraal in de agro-ecologie in de ruime betekenis van het woord. Daarop richt ik mij hier.
De combinatie van becijfering met de vraag naar het waarom van die cijfers, vraagt om een combinatie van vooral natuurwetenschappen – die van nature de mens graag uitsluiten, omdat het dan plots ingewikkeld wordt – met wetenschappen die het menselijk gedrag en de menselijke samenlevingen bestuderen.
Less is more
Er is nogal eens sprake van begripsverwarring. Zo wordt agro-ecologie te dikwijls gezien als een nieuw landbouwsysteem. Dat is onjuist. Agro-ecologie is geen landbouwsysteem zoals zwerflandbouw, pastoralisme, natte-rijstteelt of gemengde landbouw dat zijn. Maar alle landbouwsystemen kunnen bestudeerd worden door agro-ecologen, op zoek naar oplossingen voor het voedselvraagstuk.