Tussen nu en 2025 zijn er in de wereld een miljard nieuwe huizen nodig.[1] Tegelijk heeft de bouwsector een enorme impact op het milieu – in Nederland alleen al is de bouw verantwoordelijk voor 50 procent van het grondstoffenverbruik, 40 procent van het totale energieverbruik, 30 procent van het waterverbruik en 35 procent van de CO2-uitstoot.[2] Die twee feiten samen laten maar één conclusie toe: dit is niet houdbaar.

Het verduurzamen van de bouwsector is geen nieuw onderwerp, integendeel. Al ruim twintig à dertig jaar staat het onderwerp ‘duurzame bouw’ in enigerlei vorm op de agenda. Maar wellicht hebben we in die verduurzamingswens een te smalle focus gehad, door ons voornamelijk te richten op het energievraagstuk. Duurzaam bouwen stond jarenlang synoniem aan isoleren, zonnepanelen en, recenter, all-electric.

Letters die het woord 'circulair' vormen

Ik wil alle inspanningen van de afgelopen decennia zeker niet afschrijven als zinloos; we moeten óók aandacht hebben voor het verminderen en verduurzamen van het energieverbruik van de gebouwde omgeving. Maar naarmate al onze gebouwen zuiniger worden, verschuift de milieudruk steeds meer naar de materialen waarmee we bouwen; delving, productie en transport van deze materialen gaat immers óók gepaard met een immense CO2-uitstoot.

Voor deze CO2-uitstoot van materialen en materiaalgebruik lijkt nu nog nauwelijks aandacht te zijn. En dit terwijl onderzoek van de Ellen MacArthur Foundation aantoont dat ruim 45 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot is gekoppeld aan onze producten, gebouwen en de landbouw.[3] Met onze huidige inspanningen op voornamelijk energie- en mobiliteitsvlak gaan we de doelstellingen van het Parijsakkoord niet halen. Daarvoor moeten we ruim zeven keer sneller gaan ‘decarboniseren’, stelt hetzelfde onderzoek. Tijd dus om de aandacht eerlijker te verdelen – over materialen én energie.

Een minder technische aanpak

Sinds 2016 hebben we in Nederland het Rijksbrede Programma Circulaire Economie, waarin de bouwsector is benoemd als een van de vijf ‘prioritaire sectoren’. Ook in het Klimaatakkoord wordt expliciet vermeld dat de bouwopgave zowel klimaatneutraal als circulair zal moeten worden uitgevoerd. Ondanks deze beleidsmatige kaders blijkt het knap lastig om de noodzakelijke versnelling te geven aan de circulaire bouweconomie.

“ De aanvliegroute van de transitie is te technisch ”

Reden daarvoor is vooral dat de aanvliegroute van de transitie te technisch is: we proberen te zoeken naar de ultieme, uniforme meetmethodiek om de circulariteit van een gebouw te bepalen. We doen onderzoek naar hoe we beton meer circulair kunnen krijgen. We proberen het concept van ‘losmaakbaarheid’[4] tussen de oren te krijgen van ontwerpers en aannemers. Maar wie dieper kijkt, ziet dat de faciliterende randvoorwaarden voor circulair bouwen simpelweg ontbreken. Wie nu circulair bouwt doet dat vanuit idealisme – en idealisme is helaas niet een bewezen opschaalbaar concept gebleken (zegt een idealist). Willen we dat circulair bouwen gemeengoed wordt, dan moet het economisch aantrekkelijker worden dan lineair bouwen, maar moeten we ook durven kijken naar onze eigen rol in het systeem. In hoeverre zijn wij zelf debet aan het in stand houden van de huidige economie?

Niet rekenen met lineaire maatstaven

Voor wie ooit een kind heeft zien spelen met een vormenstoof weet dat een rondje doorgaans niet door een vierkant gaatje past. En toch is dat wat we elke dag verwachten van onze bouwsector. Reken het circulaire alternatief maar rond conform de lineaire maatstaven... Dat gaat simpelweg niet.

Economisch gezien is het lastig om circulair bouwen te kunnen verantwoorden binnen onze ‘lineaire’ economische principes. Stel: je hebt een verouderd gebouw dat niet meer voldoet aan de technische of functionele eisen van vandaag de dag. De kans is groot dat je voor sloop/nieuwbouw een lagere totale rekening krijgt voorgeschoteld dan wanneer je besluit te renoveren. Wie denkt ‘circulair’ bezig te zijn door het gebouw niet te slopen maar te demonteren krijgt een flinke rekening, vooral door de hoge arbeidskosten. Al die gebouwonderdelen die niet losmaakbaar zijn moeten immers weer zorgvuldig uit het betreffende gebouw worden gehaald, en dat gaat niet met het traditionele gereedschap van een sloopkogel; daar is arbeid voor nodig. Wie denkt spekkoper te zijn door de ‘geoogste’ bouwcomponenten te verkopen op de tweedehandsmarkt verliest opnieuw moed... want er staat niemand garant voor het functioneren van deze secundaire producten, terwijl het risico natuurlijk wel ingeprijsd moet worden. Vervolgens moet je op de verkoop van het secundaire product opnieuw btw in rekening brengen, waardoor dat stukje bij beetje economisch helemaal niet meer zo aantrekkelijk is vergeleken met het nieuwe, in de fabriek gemaakte, minder duurzame alternatief.

De idealisten onder ons beseffen hoe absurd deze realiteit is – de ‘echte prijs’ van het nieuwe product is immers waarschijnlijk vele malen hoger dan die van het secundaire product. In de huidige economie is echter weinig ruimte voor het doorberekenen van deze echte prijzen. We worden collectief gestuurd door een systeem waarin het gaat om financiële waarde en zo kort mogelijke terugverdientijden, natuurlijk het liefst tegen zo laag mogelijke kosten. De meeste opdrachtgevers zetten ook deze bril op bij het aanbesteden van projecten, evenals de meeste gemeenten bij gronduitgiften. Het resultaat? De aanbieder met respectievelijk de laagste prijs of het hoogste grondbod wint. Zo worden de circulaire oplossingen naar de marge geduwd.

“ Het moet economisch logisch worden om circulair te bouwen ”

Binnen de huidige economische randvoorwaarden blijven we collectief een beetje experimenteren en aanrommelen als het gaat om circulair bouwen. Natuurlijk worden er prachtige circulaire gebouwen neergezet, maar in bijna alle gevallen betaalt óf de opdrachtgever óf de opdrachtnemer de extra kosten die circulariteit met zich meebrengt. Willen we de transitie versnellen, wat noodzakelijk is om onze klimaat- en circulaire doelen te halen, dan moet het economisch logisch worden om circulair te bouwen. Dat kan door de juiste financiële prikkels te geven die circulair bouwen stimuleren, of door waarde een centrale plek te geven in vastgoedwaarderingen. Beide begrippen zal ik toelichten.

Passende belastingprikkels

Belastingen zijn essentieel in de transitie naar een circulaire economie, want die kunnen ons gedrag sturen. Het fiscaal stimuleren van de fossiele industrie moeten we daarin gaan omzetten naar het fiscaal stimuleren van de circulaire economie. Hiervoor zijn drie zaken nodig:

1.    De belastingen op arbeid moeten omlaag

Circulair ontwerpen, bouwen en demonteren zijn arbeidsintensieve processen. Willen we bouwen met hergebruikt materiaal, dan is vakmanschap nodig om tot een gedegen ontwerp te komen en om het project te realiseren. Maar arbeid als component van circulair ontwerpen wordt in de huidige economie ontmoedigd door hoge belastingtarieven.

Dat circulair bouwen arbeidsintensief is, wordt regelmatig ter discussie gesteld. Innovatie-gelovigen stellen dat we juist toe moeten werken naar een geïndustrialiseerde bouwsector waarbij gebouwonderdelen fabrieksmatig worden geprefabriceerd, uiteraard met 100 procent recycled content of met recyclebare materialen. Er zou dus juist minder arbeid nodig zijn, niet meer.

Er zijn echter twee belangrijke tekortkomingen bij deze argumentatielijn: allereerst vergt recycling en virgin materiaalgebruik juist weer méér energie dan hoogwaardig hergebruik van gebouwonderdelen. Waar mogelijk moeten we dus wel degelijk kiezen voor hoogwaardige vormen van hergebruik. Ten tweede zien we met de enorme bevolkingsgroei juist een behoefte aan arbeidsplekken ontstaan – of een redelijk alternatief om mensen te voorzien in hun levensstandaard.

2.    De belastingen op materialen moeten omhoog

“Externaliteiten moeten beprijsd worden”, leerde ik in mijn eerste economielessen. Maar milieuschade (vaak berekend in CO2-equivalenten) is nog steeds vooral een theoretisch fenomeen. In de reële bouweconomie worden dergelijke kosten nauwelijks doorberekend.

Het Europese emissiehandelssysteem (ETS) zou in theorie deze rol moeten vervullen, maar is in feite een te zwakke structuur om alle externaliteiten daadwerkelijk door te berekenen. Het ETS verplicht een aantal grote bedrijven binnen de Europese Unie om hun CO2-uitstoot te meten en vervolgens voor elke ton CO2 een emissierecht af te dragen aan de overheid. Tot nu toe hebben veel van de bedrijven binnen het ETS gratis rechten ontvangen van diezelfde overheid. De gedachte daarbij was om in de loop van de tijd het aantal beschikbare rechten te doen krimpen, waardoor een marktmechanisme van vraag en aanbod zou ontstaan en de prijzen zouden stijgen door schaarste van emissierechten. De realiteit is echter dat veel bedrijven nu nog kunnen genieten van de enorme overschotten aan gratis rechten uit de begindagen van het ETS. Ook worden er vragen gesteld bij de hoogte van de prijs van een ton CO2 in het ETS en of deze wel afdoende is om innovatie uit te lokken die kan zorgen voor een afdoende verdere reductie van CO2-uitstoot in de toekomst. Tot slot is de louter Europese scope van het ETS ook een minpunt.[5]

Willen we toewerken naar effectieve belastingen op materialen, dan is het van belang dat er een reële prijs wordt berekend voor de milieuschade die veroorzaakt wordt, en dat deze prijzen ook mondiaal worden doorberekend (hoe lastig het ook is om zo’n systeem op poten te krijgen). Slagen we hier niet in, dan blijft het traditionele product economisch aantrekkelijker dan het duurzame alternatief.

3.    De dubbele btw op secundaire producten moet    verdwijnen

Een bekend fenomeen in de circulaire wereld is dat op een product waarvoor in de eerste gebruikscyclus al btw in rekening is gebracht, opnieuw btw gerekend moet worden wanneer het product van eigenaar verandert bij een tweede gebruikscyclus. Dit geldt niet zozeer voor consumententransacties zoals op Marktplaats, maar wel wanneer een bedrijf zoals Buurman secundaire materialen aan een consument verkoopt, of wanneer een sloopbedrijf zoals Van Liempd materialen oogst en aan een ander bedrijf verkoopt. Door de dubbele btw kan het secundaire product lastig concurreren met het lineaire alternatief.

“ De circulaire economie mag niet alleen zijn weggelegd voor de idealistische elite ”

Er zijn felle tegenstanders van met name het tweede punt over het doorberekenen van ‘echte’ prijzen. De vraag is immers of we bij het verhogen van alle prijzen met de milieukosten nog wel een sociaal verantwoorde economie hebben. Wat voor een effect heeft dit op mensen met een beperkte beurs? Juist om deze reden is het van belang dat bovenstaande maatregelen in samenhang met elkaar worden uitgevoerd – dus niet alleen het doorberekenen van externaliteiten. Wanneer alle drie de fiscale maatregelen worden doorgevoerd is er immers meer ruimte voor arbeid in de economie, waardoor lonen ook kunnen stijgen. Deze hogere loonkosten bieden vervolgens de ruimte om te investeren in ofwel secundaire producten (zonder btw) ofwel duurzame producten met een lagere echte prijs. Op deze manier bereiken we dat de circulaire economie niet alleen is weggelegd voor de idealistische elite, maar ook aantrekkelijk wordt voor de gemiddelde consument. En dan kunnen we gaan opschalen!

Om de juiste belastingprikkels te geven hebben we echter veel meer visie en sturing nodig vanuit de overheid. Waar Den Haag inmiddels wel gewend is aan het onderwerp van CO2-beprijzing, wordt de boot nog erg afgehouden als het gaat om lagere belastingen op arbeid of het afschaffen van de dubbele btw. Het negeren van deze belangrijke onderwerpen is onverstandig en belemmert de transitie.

Herwaarderen van het begrip ‘waarde’

In de economie is het begrip ‘waarde’ altijd leidend. Hoewel we in de circulaire economie altijd spreken over waarde en waardebehoud blijkt waarde in de circulaire bouweconomie een misleidende term. In de bestaande taxatiemodellen is er betrekkelijk weinig ruimte om gebruikte bouwmaterialen te waarderen. De waarde die wordt toegekend is met name boekhoudkundig, maar verhoudt zich niet of nauwelijks tot de materiële wereld. ‘Locatie, locatie, locatie’ is nog altijd een van de meest bepalende factoren als het gaat om de waarde van vastgoed.

“ Materialen moeten medebepalend worden voor de waarde van een gebouw ”

Gelukkig heeft een aantal partijen in de vastgoedsector nu de handen ineengeslagen om juist wél een waarde toe te kennen aan materialen, met name wanneer deze materialen vrijkomen uit gebouwen.[6] De volgende stap zou zijn om de materialen ook te waarderen wanneer zij een gebouw in gaan, waardoor ze medebepalend worden voor de waarde van het gebouw. In een ideale wereld zou je nog verder kunnen gaan door in taxatiemodellen niet alleen de materiaalwaarde mee te nemen, maar ook de ecologische waarde die een gebouw ‘creëert’ (bijvoorbeeld dankzij groene daken en gevels die bijdragen aan biodiversiteit) of juist vernietigt (bijvoorbeeld bij het asfalteren van buitenruimte waardoor afwatering lastiger wordt).

Het toekennen van waarde kent meerdere actoren die in beweging moeten komen, waaronder financiers. Wat we nu zien – zowel binnen de bouw als daarbuiten – is dat investeringsbeslissingen vaak genomen worden op basis van past performance. Als het gaat om de circulaire economie gaat het per definitie over innovatie – en voor innovatie geldt dat er geen ‘in het verleden behaalde prestaties’ zijn. Daarnaast is het noodzaak dat niet alleen de risico’s van circulair bouwen in kaart worden gebracht, maar ook de kansen. Stel je voor dat we de beschikbaarheid van grondstoffen ook mee zouden nemen in investeringsbeslissingen.[7] Hoe zouden we dan bijvoorbeeld omgaan met het toepassen van aluminium gevels? Het piekjaar voor aluminiumwinning is naar verwachting 2060. Dit betekent dat na 2060 de primaire aluminiumvoorraad die economisch nog goed te winnen is op zal gaan raken.[8] Zou een financier daarop vooruitlopend al strengere voorwaarden verbinden aan het toepassen van aluminium gevels ten opzichte van houten gevels – een hernieuwbare grondstof (mits uiteraard verantwoord verkregen)? Zo ja, dan gaan gebouwen er ineens heel anders uitzien.

Voorbij het angstdenken

We houden collectief de huidige bouweconomie in stand. Een erg zwart-wit beeld: opdrachtgevers zijn bang dat opdrachtnemers hen een oor aannaaien, en opdrachtnemers verwijten opdrachtgevers dat ze te weinig voortbouwen op de expertise van marktpartijen. Het gevolg is dat opdrachtgevers hun bouwprojecten tot in detail laten ontwerpen en vervolgens veelal op prijs aanbesteden. Inmiddels zijn de adviseurskosten immens gestegen. De reactie bij de markt? Goedkoop aanbieden, omdat je daarop wordt afgerekend. Vervolgens kijken opdrachtnemers waar de foutjes zitten in het ontwerp, om daarna – bij voorkeur na gunning – meerwerkprocedures op te zetten. Vaak met een eigen jurist in de arm.

We sturen op efficiëntie, maar zijn uiteindelijk veel geld kwijt aan adviseurs en juristen. En die houden in veel gevallen hun eigen functie in stand (zegt een adviseur!). Kortom, het angstdenken staat centraal in de bouw en we komen maar lastig uit deze modus. Wat als we al deze proceskosten zouden investeren in circulaire innovaties? Zou circulair bouwen dan wél lonen?

Wie circulair wil bouwen moet leunen op de expertise die aanwezig is in de markt, het liefst met de ‘poten in de klei’ – want dat is waar de innovatie plaatsvindt. Alleen geldt ook hier, net als bij financiers, dat het risicodenken centraal staat. ‘Wat als’ wordt met name in negatieve zin ingevuld, maar zelden in de vorm van kansen.

Daarom moeten we een ander proces ontwerpen voor bouwprojecten. Een proces waarin we niet bang zijn om te falen, maar juist beloond worden voor het vertrouwen op elkaars expertise. Waar we risico’s niet over de schutting gooien, maar juist gezamenlijk kijken naar welke risico’s eventueel kunnen optreden en welke partij de beste kennis heeft om het betreffende risico te beheersen. Op zo’n manier ontstaat een meer volledige risicoanalyse en ruimte voor innovaties. Door gezamenlijk te kijken naar kansen en risico’s kunnen we tot mooie oplossingen komen waar we vanuit het eigen perspectief niet aan hadden gedacht.

“ Waar vertrouwen ruimte krijgt, ontstaan synergie en innovatie ”

Ik moet dan denken aan het ontwerpproces van het welbekende dak van het kantoor van netbeheerder Liander in Duiven. In de aanbesteding is duidelijk gestuurd op samenwerking tussen onder anderen architect, aannemer en installateur. Juist door deze samenwerking is niet alleen een esthetisch, maar ook zeer functioneel dak ontstaan. De architect opperde een overkapping van de bestaande gebouwen om zodoende kostenefficiënt ruimte te creëren, de installateur stelde een golvend dak voor om de natuurlijke luchtcirculatie te bevorderen waardoor minder installaties nodig waren, en het team zocht naar een manier om het golvende dak zo materiaalefficiënt mogelijk te realiseren. Daardoor kwamen ze uiteindelijk bij een achtbaanbouwer uit en konden ze ruim 30 procent staal besparen. Een prachtig voorbeeld van hoe samenwerking leidt tot innovatie. Zo zie je dat juist waar vertrouwen ruimte krijgt, synergie en innovatie ontstaan. Uit deze voedingsbodem komen de mooiste circulaire projecten voort.

Groter is niet beter

Bij elke huizentransactie in het dorp waar ik woon, zie ik allereerst een container verschijnen op straat, waar doorgaans minimaal de badkamer en de keuken in belanden. Vervolgens zie ik een week later een aannemersbusje op de stoep staan voor een aanbouw. Wellicht is het menselijk, maar wij zijn niet goed in consuminderen. Elke stap die we nemen moet leiden tot méér vierkante meters, méér tuin en méér comfort. Maar in hoeverre past dit ‘meer’-denken in de circulaire economie? Kortom: wat is onze eigen rol in het nastreven van een circulaire (bouw)economie?

Mij word regelmatig gevraagd of Nederland koploper is in de circulaire economie. Die vraag vind ik lastig te beantwoorden. Hoewel ik er trots op ben dat Nederland een gezonde voedingsbodem blijkt te hebben voor circulair ondernemerschap, kun je een land dat gemiddeld 3,1 aardes[9] nodig heeft om te voorzien in haar zogenaamde ‘behoeften’ moeilijk circulair noemen. De inspanningen lijken wat dat betreft meer aandacht te krijgen dan het resultaat.

“ Is het mogelijk om te blijven groeien op een eindige planeet? ”

Een van de grote problemen is dat wij leven in een bubbel die nog steeds gelooft in ‘groene groei’. Maar in hoeverre is het mogelijk om te blijven groeien op een planeet die eindig is? En in hoeverre kunnen wij het onszelf veroorloven om in ons eigen leven letterlijk groei na te streven, bijvoorbeeld in woonoppervlak?

Een mooi voorbeeld van hoe het anders kan is Japan. In Tokyo heeft de gemiddelde persoon een woonoppervlakte van 19,1 vierkante meter. Voor een Nederlander is het gemiddelde woonoppervlak ruim 65 vierkante meter![10] Er wordt in Japan veel meer dan in Nederland gebruik gemaakt van multifunctionele ruimtes – zo is een kamer overdag een zitkamer, ’s avonds een eetkamer en voor de nacht komen achter de kasten de futons tevoorschijn om de kamer om te toveren tot een slaapkamer.

Hoewel er vaak lacherig wordt gedaan over tiny houses en het delen van ruimtes, zouden deze ontwikkelingen juist omarmd moeten worden in het kader van de transitie naar de circulaire economie. Dit zijn voorbeelden van hoe we collectief kunnen consuminderen in onze woonruimte en letterlijk kunnen leven op kleinere voet.

Circulair: allesbehalve technisch?

In het streven naar een circulaire bouweconomie gaat veel aandacht uit naar de technische aspecten van de transitie. Maar gaan we op deze manier de nodige versnelling realiseren in ons denken? Gaan we met sturen op techniek ervoor zorgen dat circulair bouwen gemeengoed wordt? Waarschijnlijk niet. Wie met experts in circulair bouwen praat, ziet al snel dat ze op idealisme varen en af en toe vermoeid raken van het tegen de stroom in zwemmen. Want wie circulair bouwt moet concessies doen, en vaak op economisch vlak.

Technisch is circulair bouwen geen uitdaging, we moeten er simpelweg voor zorgen dat de technische mogelijkheden ook economisch aantrekkelijk worden. Om dit voor elkaar te krijgen hebben we een sterke en visionaire overheid nodig die de regels zo durft aan te passen dat circulair ondernemen loont. De angst voor het verliezen van de oude economie moet plaatsmaken voor het vertrouwen dat we als Nederland wel degelijk circulaire koploper kunnen worden. En we moeten in de spiegel durven kijken, als professional en als persoon. Hoe lang willen we zelf nog blijven hangen in de bubbel van groene groei?

Dit artikel staat in de bundel Circulair samenleven in 2050 – Op zoek naar brede welvaart in een circulaire economie.

Voetnoten

Reacties