Het valt te betwijfelen of bovenstaande maatregelen volstaan om voor voldoende personeel te zorgen. Naar schatting komen we gegeven de huidige ontwikkeling van de economie in 2031 zo’n 135.000 arbeidskrachten in de zorg tekort. Niet zo gek, want tussen nu en 2050 gaan we van drie personen van werkzame leeftijd per 65-plusser naar twee personen van werkzame leeftijd per 65-plusser (CBS, 2019). Als we de verzorgingsstaat zoals we deze kennen draaiende willen houden hebben we dus een groter deel van de beroepsbevolking nodig in de ouderenzorg. Hier kan de overheid nauwelijks iets aan veranderen; ook marktwerking lost dit probleem niet op.
De ouderenzorg is namelijk een sector waar de arbeidsproductiviteit maar zeer beperkt is gestegen in de afgelopen decennia; een dokter of verpleger kan nou eenmaal niet op twee plekken tegelijk zijn. Dit simpele feit zorgt er trouwens ook voor dat de kosten van het op peil houden van de welvaartsstaat zelfs zonder vergrijzing stijgen.
Economen kennen dit fenomeen als de ziekte van Baumol. In sommige sectoren wordt – door (technologische) innovatie – steeds meer geproduceerd per werknemer, waardoor de lonen omhoog kunnen. Dit trekt mensen op termijn weg uit andere sectoren, zoals in dit geval de zorg, tenzij in deze sectoren de lonen ook stijgen. Door deze dynamiek gaat op termijn een groter deel van de mensen werken in de sectoren waar ongeveer evenveel mensen per ‘product’ nodig blijven, zoals de zorg, en stijgen dus ook de overheidsuitgaven aan deze sectoren als deel van de economie. En gezien de vergrijzing zal de zorg als deel van de economie nog harder groeien dan anders.
Belasten van luxe
Om op termijn meer mensen in de zorg te laten werken, moeten enkele andere bedrijven of bedrijfstakken de productie in Nederland afbouwen. Beleid richten op het selectief afbouwen van economische activiteit zou dus logisch zijn, waarbij planetaire grenzen leidend zouden moeten zijn. Het verschuiven van de belastinggrondslag van arbeid en consumptie in het algemeen naar energieverbruik en materiaalverbruik is vanuit dit perspectief wenselijk. Zo’n fiscale vergroening zal leiden tot een (veel) hogere belasting voor organisaties die veel energie en materiaal verbruiken, en lagere belasting voor organisaties (waaronder de zorg) waar het energie- en materiaalverbruik lager ligt.
Ecologisch belastende luxeconsumptie gericht zwaarder belasten past ook bij deze denkrichting. Zo zouden auto’s zwaarder belast kunnen worden, zeker bijzonder zware auto’s, en misschien specifiek de auto’s die in verstedelijkte gebieden staan geregistreerd, waar het ov voor de meeste reizen een prima alternatief biedt. Te denken valt ook aan het zwaar belasten van tweede huizen, die materiaal en ruimte verbruiken zonder in basisbehoeften te voorzien. De belasting op luxe mag zó hoog zijn dat deze vormen van consumptie de komende jaren sterk afnemen – dat is namelijk precies wat we nodig hebben voor een duurzaamheidstransitie.
Tot die tijd kunnen de inkomsten dan wat financiële ruimte bieden aan de verzorgingsstaat. De prijsprikkels kunnen worden aangevuld met maatregelen gericht op het bereiken van een wenselijke verdeling van schaarse goederen. Zo zou naast het progressief belasten van vliegreizen ook het aantal vluchten per persoon kunnen worden genormeerd; in extreme gevallen, zoals privévliegtuigen, is verbieden waarschijnlijk de beste aanpak.
Een ingrijpende fiscale vergroening zal voor een aantal minder uitmuntende bedrijven in ecologisch belastende industrieën het begin van het toch al onvermijdelijke einde betekenen. Bij hogere productiekosten moeten de prijzen omhoog, en dan zijn niet alle bedrijven meer competitief. Zo zullen de vleesverwerkende industrie en de glastuinbouw waarschijnlijk fors gaan krimpen.
De belastingafdrachten in de periode van afbouw kunnen bijdragen aan het betalen van de welvaartsstaat. Het stevig belasten van ecologische schade zal nog lange tijd noodzakelijk zijn om binnen planetaire grenzen te komen en te blijven, en daarmee dus inkomsten opleveren voor de overheid. Zo maken we in feite van ecologische nood een sociale deugd.
Kwaliteit van leven
Deze benadering wijkt af van het traditionele groeigerichte denken over belastingen. Volgens de conventionele economische theorie moet belasten voorzichtig, want – het woord belasten zegt het al een beetje – als de private sector te veel moet afdragen aan de fiscus zullen bedrijfseigenaren ontmoedigd worden hun best te doen in de zoektocht naar winst, en loont het voor werknemers niet langer om zich zo hard mogelijk in te zetten.
Als we ondernemen te sterk ontmoedigen zouden ondernemers verdwijnen, en daarmee economische groei. In klassiek economisch denken over belastingen moet er dus een balans worden gezocht tussen aan de ene kant de wens tot bijvoorbeeld herverdeling en hoogwaardige publieke voorzieningen en aan de andere kant efficiëntie, ofwel zorgen dat we met z’n allen zoveel mogelijk produceren. Het is de tweede helft van deze balans – het niet willen ontmoedigen van arbeid dan wel wegjagen van bedrijven – die ertoe leidt dat we de belastingdruk niet (veel) willen laten toenemen.