Nederland en Europa hebben momenteel een groei-afhankelijke economie. Groei zit verankerd in de structuur van de economie en in onze eigen verwachtingspatronen, maar ook in de wijze waarop de overheidsfinanciën worden beheerd. Zo is de norm voor onze staatsschuld gebaseerd op een reële economische groei van drie procent bij een verbod op monetaire financiering. Deze groei-afhankelijkheid is overigens niet voorbehouden aan neoliberale of kapitalistische economieën; ook socialistische landen uit de vorige eeuw waren gericht op het voortdurend uitbreiden van economische activiteit. 

Dit zou geen probleem zijn als economische groei geen significante negatieve gevolgen had. Helaas leven we ver buiten onze planetaire grenzen (Richardson et al.2023). Deze overschrijdingen worden vooral veroorzaakt door economische activiteit. Planetaire grenzen gaan niet alleen over klimaatverandering, maar over alle processen die leven mogelijk maken door een stabiele leefomgeving te creëren. Hier horen dus ook bijvoorbeeld de hoeveelheid beschikbaar zoet water en biodiversiteit bij. De gevolgen van het overschrijden van planetaire grenzen zijn op termijn zeer waarschijnlijk desastreus, daarom moeten we er dringend wat aan doen. 

Om op een internationaal rechtvaardige manier klimaatverandering te beperken, moet Nederland in 2040 negentig tot ruim honderd procent minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990 (Van Vuuren et al., 2024). Zonder aanpassing van consumptiepatronen is een dergelijke forse reductie niet of nauwelijks haalbaar. Ook de vraag naar grondstoffen en veranderingen in landgebruik dragen bij aan de overschrijding van planetaire grenzen; beide zijn sterk gelinkt aan productie en consumptie. Om weer in balans met de aarde te gaan leven zouden we de totale consumptie stevig moeten verlagen. We moeten accepteren dat de economische activiteit in dat geval afneemt. 

senior met ijsje
Foto: Sima Dimitric CC BY 2.0

Tegelijkertijd zitten we midden in een periode van vergrijzing. Er komen veel meer ouderen die een oudedagsvoorziening nodig hebben, terwijl we minder werkenden hebben. De standaardoplossing van economen voor dit vraagstuk is het stimuleren van economische groei. Zo kunnen we de stijgende kosten die gepaard gaan met vergrijzing betalen zonder dat de belastingdruk stijgt. De redenering luidt dus dat de economie moet groeien als we onze verzorgingsstaat willen handhaven. 

Als we de komende 15 jaar moeten krimpen om tot een duurzame economie te komen en tegelijkertijd moeten groeien om de verzorgingsstaat op peil te houden, dan wordt het wel heel lastig om traditioneel groen met traditioneel rood te combineren. Gelukkig hoeven we niet te groeien om publieke voorzieningen op peil te houden. De groene en rode doelen zijn tegelijk te bereiken, mits we wat realistischer gaan kijken: zowel naar wat we nodig hebben voor een hoogwaardige verzorgingsstaat als naar de belastingdruk die we acceptabel vinden.

Tekort aan mensen en huisvesting

Voor we het over geld gaan hebben, even een stap terug. Wat zijn nou eigenlijk de knelpunten voor de verzorgingsstaat? Het gaat niet (alleen) om een tekort aan financiering, maar voornamelijk om een tekort aan werknemers en huisvesting. De schaarste aan werknemers is waar de schoen voor de verzorgingsstaat het meest wringt de komende decennia (WRR, 2021). In discussies over het betalen van publieke diensten klinkt het regelmatig alsof de overheid betaalt voor de in te kopen diensten, maar verder een beperkte invloed op het systeem heeft – een beetje zoals een klant in een supermarkt weinig aan het aanbod kan veranderen. 

De overheid en de welvaartsstaat zijn echter heel anders met elkaar verbonden. De kosten voor bijvoorbeeld verzorging van ouderen zijn met name zorgpersoneel en huisvesting. Op beide terreinen is de overheid geen normale marktdeelnemer, maar in allerlei rollen aanwezig, van regelgever tot vergunningverlener en inkoper. De overheid kan deze rollen beter benutten om tot maatschappelijk wenselijke uitkomsten te komen.

Directe prijsprikkels in de zorg helpen. De zorg voor werknemers aantrekkelijker maken kan bijvoorbeeld door personeel in deze sectoren weer een lagere inkomstenbelasting te laten betalen dan die in andere sectoren, zoals eerder ook het geval was. Het invoeren van een vet- en suikertaks zou kunnen helpen om gezonde levensstijlen te stimuleren en zo uiteindelijk de zorgvraag binnen de perken te houden. Hoewel zorgpersoneel goed betaald moet worden is exorbitant niet nodig: het in loondienst nemen van specialisten draagt bij aan verlaging van de zorgkosten. 

Wat betreft geschikte huisvesting zou het mes aan twee kanten snijden als er meer comfortabele aanleunwoningen gebouwd zouden worden. Zo kan zorg efficiënter geleverd worden dan bij thuiszorg, en wordt doorstroming op de rest van de woningmarkt op gang geholpen. De overheid hoeft dit soort woningen niet uit eigen zak te gaan betalen; met onze pensioenfondsen hebben we namelijk gigantische nationale spaarpotten die bedoeld zijn voor een hoogwaardige oudedagsvoorziening. 

Via wetgeving zouden we van pensioenfondsen een substantiële bijdrage kunnen vragen aan de reëel benodigde infrastructuur voor een functionerende welvaartsstaat. Dit is vermoedelijk nuttiger voor een goede oudedagsvoorziening dan een hogere pensioenuitkering die gepaard gaat met lange wachtlijsten voor ouderenzorg. Kortom, als de overheid ervoor wil zorgen dat de verzorgingsstaat overeind blijft, zijn er meer beleidsopties dan alleen extra geld uitgeven.

“ We hebben een groter deel van de beroepsbevolking nodig in de ouderenzorg ”

Het valt te betwijfelen of bovenstaande maatregelen volstaan om voor voldoende personeel te zorgen. Naar schatting komen we gegeven de huidige ontwikkeling van de economie in 2031 zo’n 135.000 arbeidskrachten in de zorg tekort. Niet zo gek, want tussen nu en 2050 gaan we van drie personen van werkzame leeftijd per 65-plusser naar twee personen van werkzame leeftijd per 65-plusser (CBS, 2019). Als we de verzorgingsstaat zoals we deze kennen draaiende willen houden hebben we dus een groter deel van de beroepsbevolking nodig in de ouderenzorg. Hier kan de overheid nauwelijks iets aan veranderen; ook marktwerking lost dit probleem niet op. 

De ouderenzorg is namelijk een sector waar de arbeidsproductiviteit maar zeer beperkt is gestegen in de afgelopen decennia; een dokter of verpleger kan nou eenmaal niet op twee plekken tegelijk zijn. Dit simpele feit zorgt er trouwens ook voor dat de kosten van het op peil houden van de welvaartsstaat zelfs zonder vergrijzing stijgen. 

Economen kennen dit fenomeen als de ziekte van Baumol. In sommige sectoren wordt – door (technologische) innovatie – steeds meer geproduceerd per werknemer, waardoor de lonen omhoog kunnen. Dit trekt mensen op termijn weg uit andere sectoren, zoals in dit geval de zorg, tenzij in deze sectoren de lonen ook stijgen. Door deze dynamiek gaat op termijn een groter deel van de mensen werken in de sectoren waar ongeveer evenveel mensen per ‘product’ nodig blijven, zoals de zorg, en stijgen dus ook de overheidsuitgaven aan deze sectoren als deel van de economie. En gezien de vergrijzing zal de zorg als deel van de economie nog harder groeien dan anders.

Belasten van luxe

Om op termijn meer mensen in de zorg te laten werken, moeten enkele andere bedrijven of bedrijfstakken de productie in Nederland afbouwen. Beleid richten op het selectief afbouwen van economische activiteit zou dus logisch zijn, waarbij planetaire grenzen leidend zouden moeten zijn. Het verschuiven van de belastinggrondslag van arbeid en consumptie in het algemeen naar energieverbruik en materiaalverbruik is vanuit dit perspectief wenselijk. Zo’n fiscale vergroening zal leiden tot een (veel) hogere belasting voor organisaties die veel energie en materiaal verbruiken, en lagere belasting voor organisaties (waaronder de zorg) waar het energie- en materiaalverbruik lager ligt. 

Ecologisch belastende luxeconsumptie gericht zwaarder belasten past ook bij deze denkrichting. Zo zouden auto’s zwaarder belast kunnen worden, zeker bijzonder zware auto’s, en misschien specifiek de auto’s die in verstedelijkte gebieden staan geregistreerd, waar het ov voor de meeste reizen een prima alternatief biedt. Te denken valt ook aan het zwaar belasten van tweede huizen, die materiaal en ruimte verbruiken zonder in basisbehoeften te voorzien. De belasting op luxe mag zó hoog zijn dat deze vormen van consumptie de komende jaren sterk afnemen – dat is namelijk precies wat we nodig hebben voor een duurzaamheidstransitie. 

Tot die tijd kunnen de inkomsten dan wat financiële ruimte bieden aan de verzorgingsstaat. De prijsprikkels kunnen worden aangevuld met maatregelen gericht op het bereiken van een wenselijke verdeling van schaarse goederen. Zo zou naast het progressief belasten van vliegreizen ook het aantal vluchten per persoon kunnen worden genormeerd; in extreme gevallen, zoals privévliegtuigen, is verbieden waarschijnlijk de beste aanpak.

Een ingrijpende fiscale vergroening zal voor een aantal minder uitmuntende bedrijven in ecologisch belastende industrieën het begin van het toch al onvermijdelijke einde betekenen. Bij hogere productiekosten moeten de prijzen omhoog, en dan zijn niet alle bedrijven meer competitief. Zo zullen de vleesverwerkende industrie en de glastuinbouw waarschijnlijk fors gaan krimpen. 

De belastingafdrachten in de periode van afbouw kunnen bijdragen aan het betalen van de welvaartsstaat. Het stevig belasten van ecologische schade zal nog lange tijd noodzakelijk zijn om binnen planetaire grenzen te komen en te blijven, en daarmee dus inkomsten opleveren voor de overheid. Zo maken we in feite van ecologische nood een sociale deugd.

Kwaliteit van leven

Deze benadering wijkt af van het traditionele groeigerichte denken over belastingen. Volgens de conventionele economische theorie moet belasten voorzichtig, want – het woord belasten zegt het al een beetje – als de private sector te veel moet afdragen aan de fiscus zullen bedrijfseigenaren ontmoedigd worden hun best te doen in de zoektocht naar winst, en loont het voor werknemers niet langer om zich zo hard mogelijk in te zetten. 

Als we ondernemen te sterk ontmoedigen zouden ondernemers verdwijnen, en daarmee economische groei. In klassiek economisch denken over belastingen moet er dus een balans worden gezocht tussen aan de ene kant de wens tot bijvoorbeeld herverdeling en hoogwaardige publieke voorzieningen en aan de andere kant efficiëntie, ofwel zorgen dat we met z’n allen zoveel mogelijk produceren. Het is de tweede helft van deze balans – het niet willen ontmoedigen van arbeid dan wel wegjagen van bedrijven – die ertoe leidt dat we de belastingdruk niet (veel) willen laten toenemen.

“ We moeten selectiever worden in de economische activiteit die we ontplooien ”

Deze klassieke benadering is niet meer valide nu we simpelweg te veel energie en materiaal verbruiken. De huidige ecologische uitbuiting betekent dat we, om op lange termijn welvarend te blijven, selectiever moeten worden in de economische activiteit die we ontplooien. Het is dus voor het collectief geen ramp als enkele ondernemers de tent moeten sluiten, als we maar zorgen dat we het niet voor een heel groot deel van de bedrijven onaantrekkelijk maken om in Nederland actief te zijn. 

De verzorgingsstaat op peil houden, het kán dus zonder verdere economische groei. Gegeven de vergrijzende bevolking betekent dat wel dat er minder ruimte is voor consumptie uit andere bedrijfstakken. Dit is een reëel verlies in koopkracht en zal niet pijnloos zijn. Het is echter een verlies dat we sowieso moeten doormaken, want we leven nu eenmaal op te grote voet, ecologisch gezien. 

We zouden er goed aan doen om onder ogen te zien dat we te maken hebben met reële schaarste op het gebied van menskracht en ecologische ruimte. Aan ons de taak om een maatschappij te bouwen die een hoge levenskwaliteit mogelijk maakt met een lager gemiddeld verbruik van energie en materiaal.

Daarvoor moet de overheid haar rol als marktmeester durven pakken. Door belastingen te verschuiven naar ecologisch belastende productie en consumptie kunnen we duurzaamheidstransities en -innovatie versnellen. Met een voldoende hoge belastingdruk op deze factoren en aanvullend beleid kunnen we op termijn het energie- en materiaalverbruik verminderen. 

Om schaarse middelen eerlijk te verdelen, hoort ongelijkheid verminderen bij een dergelijke transitie. Op termijn kunnen we zo ook genieten van meer vrije tijd. En om positief te eindigen: recent onderzoek suggereert dat het zelfs wereldwijd mogelijk is om een goede kwaliteit van leven binnen planetaire grenzen te organiseren (Schlesier et al.2024). 

Bronnen

  • CBS (2019). De invloed van de toename van het aantal gewerkte uren op de productiviteit - Demografische ontwikkelingen.
  • Richardson, K. et al. (2023). Earth beyond six of nine planetary boundaries. Science advances9(37).
  • Schlesier, H., Schäfer, M., & Desing, H. (2024). Measuring the Doughnut: A good life for all is possible within planetary boundaries. Journal of Cleaner Production448.
  • Stegeman, H. (2023). Maak de economie minder afhankelijk van groei. ESB.
  • Van Vuuren et al. (2024). Wat zijn rechtvaardige en haalbare klimaatdoelen voor Nederland?
  • WRR (2021). Kiezen voor houdbaarheid. Mensen, middelen en maatschappelijk draagvlak.