De rode draad in mijn vroege herinneringen is een reeks zintuiglijke waarnemingen zonder heldere volgorde: spreeuwen, hun wiskundige figuren vliegend; de geur van duinzand; het gevoel van mos op natte stoeptegels aan mijn blote voeten; de smaak en textuur van zeekraal; het lichtgevende groen van beukenbomen en de manier waarop ik dieren in de tuin zag als wezens die met dezelfde blik de wereld bekeken en vanzelfsprekend óók hier huisden. Ik voelde me niet groter, niet kleiner, maar onderdeel van het grote geheel.

Zwerm spreeuwen
Een zwerm spreeuwen. Foto: Airwolfhound, 2018. CC BY-SA 2.0

Het kost me moeite de juiste woorden te vinden en als ik ze teruglees, irriteren ze me zelfs. Ze schetsen een te geïdealiseerd beeld, doordrenkt van melancholie. Het gevoel dat vooral beklijft, is dat deze woorden maar een fractie weergeven van de ervaringen. Woorden lijken per definitie onrecht te doen aan ervaringen. 

Dit is geen puur persoonlijk gevoel; filosofen zoals Ludwig Wittgenstein hebben taal uitgebreid onderzocht. Hij stelde: "De grenzen van mijn taal vormen de grenzen van mijn wereld." Oftewel, onze conceptuele wereld is altijd beperkt door wat we kunnen uitdrukken.

Mijn vroege zintuiglijke ervaringen illustreren precies deze worsteling: met elk nieuw woord dat ik leerde, leek ik verder af te komen staan van de wereld waaraan ik mijn vroege herinneringen ontleen. Mensen werden mijn wereld, taal mijn middel en vooruitgang mijn doel, net als bij de mensen om mij heen. Hoe kwam deze verwijdering tussen de talige en natuurlijke, zintuiglijke wereld bij ons tot stand?

Met het woord komt de afstand

Masanobu Fukuoka (1913-2008), boer en filosoof, schrijft in Sowing Seeds in the Desert (1996) dat taal sterk beïnvloedt hoe we identiteit en waarheid vormgeven. Fukuoka beschrijft dat menselijke ervaring een concept wordt met tussenkomst van taal. Wanneer een kind bijvoorbeeld de maan ziet en deze benoemt, leert het onderscheid te maken tussen zichzelf ('ik') en de maan ('het'). Dit proces van categorisatie en benoemen, ingebed in de structuur van taal, creëert een scheiding tussen mens en natuurlijke wereld. De oorspronkelijke, harmonieuze verbinding wordt hierdoor koud en afstandelijk. Taal splitst het geheel op, wat volgens Fukuoka niet in delen kan worden begrepen. 

Zo vergeten we onze plaats in de wereld en het simpelweg genieten van de magie van het leven, schrijft ook ecologisch filosoof David Abram in The Spell of the Sensuous (1996). De mensheid is al lange tijd afgesneden van ‘de smaak van de wind, de verhalen van stenen en de sporen van dieren’. Het leven op aarde is niet individualistisch – in tegenstelling tot wat we graag geloven en uitdragen –, stelt hij, maar bestaat als eindeloos verweven ecosystemen die verbonden zijn door aanraking, intimiteit en onderlinge afhankelijkheden. Abram gebruikt het begrip meer-dan-menselijk om te benadrukken dat de wereld niet alleen bestaat uit menselijke wezens, maar ook uit een veelheid aan andere entiteiten.

Ecomimesis: de illusie van directe ervaring

David Abram wijst erop dat taal ons scheidt van de natuur, maar roept ook de vraag op of kunst en literatuur die kloof kunnen dichten. Timothy Morton onderzoekt dit in Ecology without Nature (2007) en introduceert het concept van ecomimesis. Deze stijlfiguur probeert de natuur zintuiglijk en zonder tussenkomst van de waarnemer vast te leggen, om zo een gevoel van onmiddellijke aanwezigheid te creëren. Een treffend voorbeeld is te vinden in J.A. Bakers boek The Peregrine (1967), waarin Baker zo gedetailleerd beschrijft wat hij ziet, dat de lezer bijna zelf door de ogen van de valk lijkt te kijken.

Een ander literair perspectief vinden we in Henry David Thoreau’s Walden (1854). Dit boek probeert de natuur niet te vangen in woorden, maar laat juist ruimte voor stilte en onuitgesproken momenten. Thoreau’s benadering moedigt de lezer aan om zelf de natuur te ervaren, zonder deze te definiëren of te beschrijven.

“ Hoe meer we proberen de natuur in taal te vangen, hoe sterker de kloof tussen taal en wereld zich manifesteert ”

Morton toont echter aan dat ecomimesis altijd beperkt blijft. Hoe verfijnd de beschrijving ook is, de natuur wordt uiteindelijk gefilterd door taal, waardoor de directe ervaring indirect wordt. Morton haalt een voorbeeld aan uit Lawrence Buells The Environmental Imagination (1995): “Het bos van tweede-generatie-dennenbomen die op dit moment van schrijven zwaaien, met hun blauw-geel-groene vijf-naaldige trossen boven stekelige cirkels van verschrompelde lagere takken.” Ondanks de nauwkeurige beschrijving wordt de natuur hier alsnog een constructie van woorden, geen werkelijk beleefde realiteit. Hoe meer we proberen de natuur in taal te vangen, hoe sterker de kloof tussen taal en wereld zich manifesteert.

Dit probleem beperkt zich niet alleen tot de ecologische dimensie die Morton onderzoekt, maar raakt de kern van de filosofie van taal zelf. Filosofen zoals Friedrich Nietzsche, Henri Bergson en Ferdinand De Saussure hebben de beperkingen van taal uitgebreid geanalyseerd, elk vanuit verschillende disciplines. Ze zien taal niet als een perfecte spiegel van de werkelijkheid maar als een constructie die door menselijke interpretatie en conventies wordt gevormd. Zelfs de meest verfijnde vorm van ecomimesis is niet in staat de natuurlijke wereld in woorden te vangen. Paradoxaal genoeg verliezen we zo precies de verbinding die we proberen te herstellen. 

Mysterieuze onbekendheid

Object-Oriented Ontology (OOO), een filosofie en methode ontwikkeld door denkers zoals Graham Harman, Levi Bryant en Timothy Morton, stelt dat we niet alleen de relatie tussen ons eigen denken en de wereld kunnen begrijpen, maar dat objecten een eigen bestaan en waarde hebben. OOO benadrukt dat zelfs materiële objecten, zoals een rots of een pen, een complexiteit bezitten die ons vermogen tot beschrijven te boven gaat. Elk object, hoe alledaags ook, functioneert binnen een netwerk van relaties, maar behoudt tegelijkertijd een eigen essentie die niet volledig door die relaties wordt bepaald. 

Als ik naar mijn zoon kijk terwijl hij tekent, kan ik zijn gevoelens of drijfveren niet volledig doorgronden omdat hij een eigen innerlijk leven heeft – vol emoties en dromen – dat zich onttrekt aan mijn beschrijving. Als ik hem simpelweg een kind noem, reduceer ik hem tot een label dat zijn unieke, onzichtbare eigenschappen geen recht doet. Dit principe geldt ook voor objecten: ze bezitten een intrinsieke waarde die verder reikt dan wat wij kunnen waarnemen of benoemen.

Door de 'wolk van waarneming' te waarderen – de inherente complexiteit van alles om ons heen – scheppen we een rijkere manier van bestaan, een die verdergaat dan wat taal kan vastleggen. Wanneer ik mijn ervaringen probeer op te schrijven, zoals nu, beperk ik die 'wolk van waarneming' en maak ik de ervaring kleiner dan ze in werkelijkheid is. In die zin ondermijn ik zelfs de werkelijkheid die ik probeer te beschrijven. Ik ben meer bezig met maken dan met zijn

OOO biedt een alternatieve benadering: we moeten onze ervaringen beschrijven met het besef dat ze altijd onvolledig blijven en slechts een fragment van de werkelijkheid weergeven. Taal kan ons helpen om ervaringen te contextualiseren en de intrinsieke waarde van objecten en momenten te respecteren. Maar we moeten ook accepteren dat woorden de volledige ervaring nooit kunnen vangen.

Dat staat geschreven

Als je met mensen praat, is taal meer dan woorden alleen: je ziet en hoort de persoon tegenover je en kunt tussen de woorden door luisteren naar subtekst, uitdrukkingen en emoties. Dit is ook waarom gesprekken van waarde meestal niet via sms, WhatsApp of DM worden gevoerd: de beperkingen van schriftelijke communicatie laten vaak de diepere lagen van een gesprek verloren gaan. 

Geschreven taal stelt ons echter in staat om over abstracte ideeën te praten, zoals de toekomst, het verleden en zelfs het leven na de dood. Maar volgens John Gray creëert dit ook spanningen. In Strohonden (2002) stelt hij dat geschreven taal een ‘kunstmatig geheugen’ vormt, waardoor we ervaringen kunnen doorgeven die verder reiken dan één generatie of cultuur. Dit kan leiden tot een verrijking van kennis, maar ook tot een vervreemding van de oorspronkelijke, directe beleving, omdat de focus komt te liggen op een abstracte, vastgelegde versie van de werkelijkheid.

De vroegste vormen van schrift, zoals de pictogrammen uit Sumerië, behielden veel verbinding met de natuurlijke wereld door mensen in relatie daartoe te verbeelden – het pictogram van een os leek bijvoorbeeld op de kop van een os, met duidelijke hoorns, en had een link met de materiële wereld: het verwees zowel naar het dier zelf als naar de associatie met landbouw. Dit werd verbroken met de komst van het fonetische schrift, dat niet langer naar de buitenwereld verwees die we met andere wezens en objecten deelden, maar naar de menselijke mond. De mens werd zo de bron van alle betekenis, meent Gray. 

Het is volgens hem dan ook moeilijk voor te stellen dat een filosofie zoals die van Plato zou kunnen ontstaan in een cultuur met louter beeldende communicatie à la Sumerië. Abstracties zoals het Goede, het Schone en het Ware – de kern van Plato’s vormenleer – zijn vaag en laten veel ruimte voor interpretatie; iets dat de overdracht van complexere en niet-tastbare zaken moeilijker maakt.

Grenzeloze zelfoverschatting

Taal en werkelijkheid zijn door de geschiedenis heen met elkaar verbonden; het is de manier waarop wij kennis delen. Sinds Plato wordt ons denken gedomineerd door het nastreven van rationele idealen boven alles. Denk aan René Descartes' ‘Ik denk, dus ik ben’: het bewijs van iemands bestaan kon volgens hem alleen worden geleverd door logisch denken en alleen wezens met dat vermogen hadden morele waarde. Het lichaam werd geplaatst in binaire oppositie tot de geest; mensen hiërarchisch gedistantieerd van alle andere objecten, dieren en planten. Dit beeld zit diep verweven in onze geschiedenis. In het christendom zijn mensen geschapen door God en bezitten ze een vrije wil; in de humanistische traditie zijn mensen over zichzelf beschikkende wezens en in beide gevallen zijn ze héél anders dan dieren. 

Alleen Arthur Schopenhauer, enfant terrible van de 19e-eeuwse filosofie, vond dit onzin. Volgens hem waren mensen en dieren allemaal onderworpen aan dezelfde stuwende kracht. Daarmee waren wij niet anders, maar juist diep verbonden met de wereld om ons heen. We hoeven zijn opvatting niet als waarheid te zien, maar deze biedt wel een inkijk in de grenzeloze zelfoverschatting die we vandaag nog steeds bezitten en uitdragen. Taal is te beschouwen als één van de instrumenten uit de gereedschapskist van dat mensbeeld – zij legt de focus op ónze werkelijkheid en identiteit, die we actief produceren en met elkaar delen. 

“ Niets drukt onze menselijke arrogantie zo goed uit als het irrationele geloof dat alles maakbaar is ”

We richten ons met taal op onze individuele ervaring, gevoed door de illusie van een vrije wil en keuze; op de werkelijkheid die wij hebben gekozen en die wij van betekenis voorzien. Niets drukt onze menselijke arrogantie zo goed uit als het irrationele geloof dat alles maakbaar is. ‘Als we alles terugbrengen tot meetbare, materiële dingen, zien we alleen maar materie zonder betekenis’, zegt hoogleraar theologie Erik Borgman. ‘De wereld heeft al betekenis zonder onze tussenkomst: de werkelijkheid draagt ons, niet andersom.’ Als je onze taal vergelijkt met een radiozender, is het nodig soms over te schakelen op andere frequenties en ernaar te luisteren.

Wat er al is

Twee decennia na mijn kindertijd ervaar ik eenzelfde soort wolk van waarnemingen in een kantoorruimte met luchtcirculatieplan en ramen die niet open kunnen. Met collega’s vergader ik in termen als KPI’s, stakeholder engagement en challenges. Ik voel mij een neerslachtige Alice in Abstractieland terwijl ik de zoveelste automaatkoffie van de dag drink om het tempo er vooral in te houdenHet totaal; het vervreemdende van de omgeving; het piepen van de toegangsdeur; de geur van de toner van de laserprinter; het geluid van vingers op toetsenborden en mijn mix aan gevoelens in deze corporate wereld laten zich, wederom, lastig vangen in taal. Ik doe pogingen: schrijf een blog; publiceer een artikel; post een tekstje met foto op de socials: het dekt de lading niet. Dan wend ik me weer tot mijn beeldscherm en werk door aan mijn klantvoorstel.

Wanneer we ons te veel richten op het omschrijven van en betekenis toekennen aan onze ervaringen verliezen we het directe ervaren van het moment en de betekenis die in de momenten zelf besloten ligt. Dit wordt treffend geïllustreerd aan het einde van de film Toni Erdmann. De vader praat met zijn dochter over de vergankelijke momenten in het leven en hoe je deze kunt herinneren en begrijpen als waardevol in het heden. Vervolgens zet de dochter de neppe tanden in die haar vader gedurende de hele film gebruikte voor zijn alter ego, Toni Erdmann. Hij haast zich om zijn camera te halen en het moment vast te leggen waarover hij net sprak, maar tevergeefs: zodra hij weggaat, is het moment al voorbij.

Hetzelfde zien we in ons gedrag op sociale media. Als we een video maken van een zonsondergang op vakantie en deze plaatsen met een pakkende tekst erbij, zijn we bezig met de representatie ervan en betekenis creëren in plaats van met de ervaring. Sociale media versterken zo de indirecte beleving. Onderzoek van Fairfield University laat zien dat mensen die foto's maken van kunstwerken zich minder details herinneren dan degenen die enkel observeren. Ecofilosofische kritiek wijst er daarbij op dat deze continue informatiestroom ook onze waarneming van de natuur verstoort en ons ecologische bewustzijn verzwakt; sociale media zorgen voor een voortdurende afleiding, waardoor we de vertraging missen die nodig is om ons bewust te worden van onze plek in het bredere ecosysteem.

Het onbeschrijflijke nu

Bewust waarnemen vraagt de moed om ons los te maken van deze constante stroom informatie en afleiding. De sfeer die rondom dit bewuste waarnemen hangt voelt zweverig; alsof we allemaal aan een rozijn moeten snuffelen zoals bij de bekende oefening in mindfulness. Maar wat als we dit zien als achterstallig onderhoud aan een essentieel deel van ons leven? Als we onszelf toestaan om te vertragen, te luisteren en vanuit die positie intuïtief te begrijpen wat nodig is, omdat de betekenis al in de dingen zelf besloten ligt? 

“ De herwaardering van zintuiglijke waarneming is essentieel voor onze ecologische verantwoordelijkheid ”

"De intuïtieve geest is een heilige gave en de rationele geest een trouwe dienaar. We hebben een samenleving gecreëerd die de dienaar eert en de gave is vergeten", zei Albert Einstein naar verluidt. Door het rationele boven alles te plaatsen en volledig te vertrouwen op taal om onze werkelijkheid te definiëren, raken we gevangen in haar grenzen. De herwaardering van zintuiglijke waarneming is niet alleen essentieel voor onze persoonlijke verbondenheid met de wereld, maar ook voor onze ecologische verantwoordelijkheid. Het stelt ons in staat om hectische en dwingende ritmes het hoofd te bieden en een nieuwe balans te vinden.

Zoals Wittgenstein aangaf stelt taal grenzen aan onze wereld. Zij scheidt ons van de directe rijkdom van de ervaring. Fukuoka en Abram illustreren hoe taal ons vervreemdt van de natuur, terwijl de concepten ecomimesis en OOO tonen hoe woorden de wereld reduceren tot een afgeslankte representatie. Wanneer we ons te veel richten op vastleggen en beschrijven dreigen we de essentie van het moment te verliezen.

In tijden van ecologische crises, waarin kennis snel toeneemt maar ethiek achterblijft, is het van cruciaal belang dat we opnieuw verbinding maken met de natuurlijke wereld. De altijd bezige mens, als een bezetene gericht op vooruitgang, ervaart vertraging als onwennig en onbelangrijk, terwijl vertragen in dit licht bijna een daad van rebellie is. Vooruitgang lijkt geen ruimte te bieden voor verveling, contemplatie of een dolce far niente, maar juist deze rustmomenten blijken de voedingsbodem voor verbinding, creativiteit en empathie.

Door ruimte te creëren waarin intuïtie en directe waarneming kunnen bloeien, ontwikkelen we ons van toeschouwers tot deelnemers. Wanneer we de wereld blijven benaderen als iets dat moet worden verklaard, vastgelegd of beschreven, missen we de essentie van wat er al is. In plaats van enkel woorden en beelden te verzamelen, kunnen we leren om stil te staan bij het onbeschrijflijke en ons open te stellen voor wat buiten de taal ligt. Dit zijn de momenten waarop de essentie van het nu voelbaar wordt – niet alleen vanuit menselijk perspectief, maar als onderdeel van een complex en onderling verbonden ecosysteem.