Ze gingen over een Indiase prins, een Afrikaans stamhoofd, een prinses met donker haar en een getinte huid. Een tweede prinses liet niet met zich sollen en nam wraak op de prins die haar slechts had gebruikt om zijn betovering te verbreken. Als kind werd ik er vaak uit voorgelezen. Anders dan bijvoorbeeld de sprookjes Hans en Grietje, Sneeuwwitje en Assepoester was er voor mij veel herkenning in de kleurrijke personages en de namen.

Het boek leenden we halverwege de jaren tachtig uit aan een familielid en zagen we daarna nooit meer terug. Twee jaar geleden besloot ik het boek opnieuw te zoeken om het voor te lezen aan mijn eigen kinderen en hen kennis laten maken met sprookjes die mij als kind wisten te bekoren. Via een online winkel vond ik eindelijk een exemplaar. Met spanning en vol hoge verwachting sloeg ik het boek open. 

Slangenbezweerder. Jongen met slang. Rechts zit iemand een fluit te bespelen. Wat mannen en jongens kijken toe.
Jean-Léon Jérôme, Le charmeur de serpent, 1879

Ook deze keer verwonderde ik mij over het boek. Het viel mij op dat de sprookjes niet zo anders waren dan die Europese sprookjes van toenhoewel er destijds een wereld van verschil leek te zijn vanwege de niet-Europese personages. De verhalen stonden vol met negatieve raciale stereotyperingen. Uiterlijke kenmerken, het gebruik van het n-woord, zwart associëren met lelijk en kwaad en licht en wit als symbool voor goedheid. 

Pas sinds een jaar of tien is er een daadwerkelijke verandering in de samenleving merkbaar, een toegenomen maatschappelijk bewustzijn van sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid. Met name rond thema's als racisme, gender en discriminatie, inclusief de inzet om hier actief iets aan te doen. 

De beweging Black Lives Matter heeft in het bijzonder het bewustzijn en acties hierover in een versnelling gebracht, waardoor er een teneur heerst bij een deel van de Nederlandse bevolking dat veel niet meer gezegd mag worden en dat we met ons allen ‘te woke’ zijn geworden. Maar juist die ‘wokeness’ hebben we nodig.

Discoursen en normbeelden

Het gevoel dat mensen hebben bij het ‘niet alles meer mogen zeggen’ komt voort uit de aanname dat taal neutraal is, een vaste betekenis heeft en niet per se geladen is met sociale of culturele waarden. Deze aanname volgt uit de gedachte dat taal enkel een communicatiemiddel is dat objectieve informatie overdraagt, zonder waardeoordelen. Maar taal is een middel om bestaande discoursen over te dragen en deze breder de samenleving in te verspreiden. 

Met discours wordt verwezen naar een reeks van uitspraken, teksten, gesprekken of communicatieve handelingen binnen een bepaald kader of onderwerp die samen een specifieke manier van denken of praten over dat onderwerp vormen. In Michel Foucaults opvatting over discours gaat het niet alleen om wat er wordt gezegd, maar ook om de onderliggende regels, normen en aannames die bepalen op welke wijze mensen over een bepaald onderwerp spreken of schrijven. 

“ Discoursen zijn doordrenkt met macht ”

Foucault benadrukt bovendien dat discoursen doordrenkt zijn met macht. De personen en instituties die controle hebben over het discours krijgen ook de macht om te definiëren wat als normaal, waar of legitiem wordt beschouwd. We zien bijvoorbeeld dat media belangrijke spelers zijn die de teneur van het publieke discours bepalen. Zij hebben dan de definitiemacht.

Discoursen spelen een cruciale rol in het vormen van onze percepties van de wereld. Wanneer personages van kleur consequent worden beschreven of afgebeeld als gevaarlijk of exotisch, draagt dit bij aan de normalisatie van raciale stereotypen en instandhouding van (diepgewortelde) vooroordelen en ongelijkheden in de samenleving. 

Stereotypen zijn vaak lastig te doorbreken omdat ze ook heel ‘normaal’ worden gevonden. Hierop zijn de begrippen geïnternaliseerde overheersing en geïnternaliseerde onderdrukking van toepassing. 

Bij geïnternaliseerde overheersing hebben leden van dominante groepen vooroordelen en stereotyperingen over ‘anderen’ die in hun groep of samenleving bestaan verinnerlijkt en geaccepteerd. Dit kan zich uiten in gevoelens van superioriteit, normaliteit en zelfgenoegzaamheid – zoals van mannen ten opzichte van vrouwen, witte mensen ten opzichte van gekleurde mensen en rijken ten opzichte van armen. 

Geïnternaliseerde onderdrukking beschrijft een soortgelijke internalisering en acceptatie van deze opvattingen, door de leden van minderheidsgroepen zelf. Dit kan juist leiden tot gevoelens van minderwaardigheid, berusting, zelfhaat, teruggetrokkenheid, isolement, machteloosheid en zelfs dankbaarheid voor het simpele feit dat men ‘desondanks’ mag bestaan.

Ondertussen wijzen verschillende studies uit dat dominante discoursen niet alleen van invloed zijn op het individuele welzijn, maar ook hebben geleid tot de acceptatie van schoonheidsidealen en gedrag. Socioloog Ruben Gowricharn spreekt van culturele normbeelden. Dat zijn beelden die impliciet maat geven voor moraal en gedrag, dus definitiemacht uitdrukken. 

Vaak heeft dit directe invloed op bijvoorbeeld wat we nastreven als schoonheidsideaal. Maar de werking van deze beelden gaat verder: wanneer het normbeeld van een specifieke etnische groep ‘onbetrouwbaar’ of ‘lui’ is, dan de kansen van groepsleden op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt geringer dan die van mensen uit andere groepen.

Veranderingen en verzet

Toch zijn discoursen en normbeelden die individuen en groepen in de samenleving verder marginaliseren niet statisch en onveranderlijk. Ze veranderen onder invloed van sociale bewegingen, veranderende waarden en kritische geluiden uit de samenleving. Nieuwe perspectieven en tegenbewegingen kunnen eedominant discours en normbeelden uitdagen en zelfs doen verschuiven, waardoor ook de manier waarop we over bepaalde groepen en onderwerpen denken kan evolueren. 

Belangrijk voor sociale bewegingen daarbij is om de actoren die de definitiemacht hebben mee te krijgen in de beoogde verandering. Soms gaan de actoren uit zichzelf daarin mee. 

“ Disney doorbrak het gebruik van uitsluitend witte actrices voor de rol van prinses ”

Een voorbeeld is de verandering van personages in sprookjes, waarbij een belangrijke actor Disney is. Met de live-action remake van The Little Mermaid (2023), waarvoor de zwarte actrice Halle Bailey werd gecast als prinses Ariel, doorbrak Disney het gebruik van uitsluitend witte actrices voor de rol van prinses. Dit leidde tot hevig verzet, maar resulteerde uiteindelijk in een positieve impact op kinderen van kleur. Na het verschijnen van de film raakte de kritiek op de keuze voor een zwarte actrice voor deze rol verstomd. 

Men zou denken dat in het vervolg deze vorm van inclusieve casting geen verzet meer zou opleveren. Maar de casting van de latina-actrice Rachel Zegler voor de rol van Sneeuwwitje (die vanuit een traditionele kijk wordt gezien als een witte prinses, met huid ‘zo wit als sneeuw’, gebaseerd op de Europese oorsprong van het verhaal) in de nieuw uit te komen film van Disney roept wederom verzet op. 

Een anderbron van verzet tegen de nieuwe Snow White film is de beslissing van de filmmakers om de prins in het verhaal niet langer als redder van Sneeuwwitje te portretteren; in plaats daarvan redt de prinses zichzelf. Deze keuzes spelen in op maatschappelijke discussies over ras, gender en inclusie, en veranderen de bestaande narratieven door een verhaal te vertellen waarin schoonheid niet per se wit is en waarin vrouwelijke personages meer autonomie van handelen hebben. 

Naar alle waarschijnlijkheid verstomt de kritiek na de release van de film ook hier weer. Er is wel een nieuwe norm gesteld, dit keer niet alleen ten aanzien van huidskleur en etniciteit, zoals bij The Little Mermaid het geval was, maar nu ook ten aanzien van de genderrollen.

Disney sleutelt aan de normbeelden, waardoor er een maatschappelijke discussie ontstaat over de bestaande normen en waarden. Toch blijkt niet iedereen uit de gemarginaliseerde groepen blij dat er steeds minder sprake is van stereotype casting. In Snow White zijn deze keer acteurs met dwerggroei achterwege gelaten. Dit leidde tot kritiek vanuit deze gemeenschap; die stelt dat hun toch al beperkte kansen in Hollywood hierdoor verder zijn geminimaliseerd. 

Dit legt bloot wie zichtbaar is, zichtbaar mag zijn en op welke manier. Ook toont dit aan dat het aanpassen van normbeelden gepaard gaat met veranderende discoursen, terwijl deze veranderingen vaak weer gepaard gaan met aanzienlijke weerstand en complexe maatschappelijke discussies. 

Erkennen en transformeren

Een ander voorbeeld, dichter bij huis, laat zien dat veel meer actoren definitiemacht kunnen uitoefenen: de helper (voorheen knecht) van de Sint, die met kroeshaarpruiken, rode lippen en zwarte schmink werd afgebeeld, veelal gespeeld met een overdreven zwaar Surinaams accent. 

Al sinds de jaren zestig werd door enkele intellectuelen en activisten gesteld dat zwarte piet racistische koloniale beelden opriep, wat kwetsend was voor mensen van kleur. De kritiek op deze karikatuur ontwikkelde zich geleidelijk en kreeg pas een hoogtepunt tussen 2013 en 2020. Gemarginaliseerde groepen organiseerden zichzelf steeds meer via eigen sociale media, stelden zwarte piet ter discussievergrootten bewustwording en mobiliseerden hun achterban. Pas daarna pikten de Nederlandse media dit steeds meer op. Door de media-aandacht werd de kwestie onderdeel van een bredere maatschappelijke discussie over racisme en inclusiviteit.

Het leidde tot meer bewustwording en een fel debat, waarin de politiek zich ook mengde. Soms met (inmiddels) controversiële uitspraken, zoals toenmalig premier Rutte die in eerste instantie zei: ‘Zwarte piet is nu eenmaal zwart.’ In 2020 sprak hij publiekelijk uit zijn standpunt te hebben herzien, door gesprekken met personen van kleur. In die herziening stond Rutte niet alleen; ook veel andere Nederlanders die aanvankelijk aan zwarte piet vasthielden, gaven aan hun standpunt te hebben bijgesteld. We zijn op een punt gekomen waarop geleidelijk een compromis is ontstaan: zwarte piet is getransformeerd tot roetveegpiet, geen hulpje maar een vriend van Sinterklaas. 

Toch zijn er nog steeds politici en publieke figuren die vasthouden aan de traditionele zwarte piet, vaak met het argument dat dit een belangrijk onderdeel is van de Nederlandse cultuur. Deze weerstand vanuit bepaalde groepen vormt een grote belemmering voor verdere maatschappelijke verandering. De verdeeldheid toont aan hoe moeilijk het kan zijn om racistische en kwetsende elementen in culturele normbeelden en maatschappelijke discours te erkennen en te transformeren.

Benutten en naleven

Onze ideeën over de ‘ander’ (gender, ras, klasse, religie) zijn verweven met taal, beelden, tradities en gebruiken. Ze maken deel uit van bredere, discursieve praktijken. Deze praktijken, vaak geïnternaliseerd en genormaliseerd, worden versterkt door instituties zoals media, politiek en onderwijs, die ongelijkheid in stand kunnen houden. Het is belangrijk om te beseffen dat deze instituties geen logge, vaststaande machines zijn, maar worden gevormd door mensen – mensen met ideeën, overtuigingen en normen die voortdurend in wisselwerking staan met de samenleving. 

“ Groepen in de samenleving beschikken over de kracht om bestaande discoursen ter discussie te stellen ”

Deze menselijke invloed maakt instituties zowel krachtig in het in stand houden van een maatschappelijk discours als vatbaar voor verandering hierbinnen. Hoewel instituties dus definitiemacht hebben, beschikken groepen in de samenleving over de kracht om de bestaande discoursen ter discussie te stellen en verandering te eisen. 

Cruciaal hierbij zijn bewustwording, educatie, organisatie en toegang tot media. Wanneer belangenorganisaties, burgers en bondgenoten samenkomen, hun visie delen en kritische vragen stellen via publieke platforms, kunnen ze druk uitoefenen op instituties om vastgeroeste normen en vooroordelen te herzien. 

We moeten deze maatschappelijke kracht benutten, omdat verandering anders stagneert. Instituties en vastgelegde normen hebben de neiging zichzelf in stand te houden. Zonder druk van buitenaf blijven racistische, seksistische en discriminerende ideeën vaak ongemoeid, genormaliseerd door de cultuur en praktijken binnen die instituties. Omdat deze normen diep verankerd zijn, is voortdurende kritiek en bewustwording nodig om vastgeroeste overtuigingen te doorbreken en bewustwording van de eigen vooroordelen te vergroten. Alleen zo kunnen we richting een inclusieve samenleving gaan waarin gelijkwaardigheid niet alleen gesproken en geschreven woord is, maar ook actief wordt nageleefd.